Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6160

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
200.251.864
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning, omgangsregeling, geanonimiseerde informatie van de behandelaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2020/5534
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.251.864

(zaaknummer rechtbank Gelderland 323306 en 316828)

beschikking van 4 augustus 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. drs. R.F.P. Scheele te Rotterdam,

en

[verweerster] ,

wonende op een geheim adres,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw en/of de moeder,

advocaat: mr. R.M. Tjong Kim Sang te Lent, gemeente Nijmegen.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[A] , in haar hoedanigheid van de bijzondere curator,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder te noemen: de bijzondere curator.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot 24 december 2019 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

In de tussenbeschikking van 24 december 2019 heeft het hof [vertegenwoordiger van de raad 1] , [vertegenwoordiger van de raad 2] en/of [vertegenwoordiger van de raad 3] namens de raad, partijen en hun advocaten en de bijzondere curator opgeroepen voor een nieuwe mondelinge behandeling.

1.3

Op 23 juni 2020 heeft opnieuw een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad zijn [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] verschenen. De bijzondere curator is eveneens verschenen.

2 De verdere motivering van de beslissing

Vervangende toestemming voor erkenning

2.1

Het hof heeft in de tussenbeschikking van 24 december 2019 overwogen dat het zich nog niet voldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen geven. Onder andere op de volgende punten heeft het hof behoefte aan nadere informatie van de raad:

  1. Wat is de specifieke achtergrond dan wel de functie van de behandelaren van [de minderjarige] (zijn het bijvoorbeeld geregistreerde psychologen?) en op welke wijze is [de minderjarige] bij haar behandelaar gekomen.

  2. Zijn de behandelaren van [de minderjarige] ook de behandelaren van de vrouw?

  3. Hoe is het behandelingstraject verlopen (duur en frequentie).

  4. Zijn er diagnose(s) bij [de minderjarige] gesteld, zo ja, wanneer en hoe luid(d)en deze? Wat is de actuele diagnose en hoe luidt deze?

  5. Zijn er diagnoses(s) bij de moeder gesteld, en zo ja, wanneer en hoe luid(den) deze? Wat is de actuele diagnose en hoe luidt deze?

  6. Was de informatie van de behandelaren voldoende toetsbaar voor de medewerker en de gedragsdeskundige van de Raad, zonder [de minderjarige] te hebben gezien?

2.2

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 23 juni 2020 heeft de raad toegelicht dat de onderzoekers opnieuw contact met de behandelaren hebben gehad en een diepgaand gesprek met hen hebben gevoerd. Daarbij is actuele informatie door de behandelaren verstrekt. De raad rapporteert over dit gesprek als volgt.

[de minderjarige] en de vrouw hebben ieder een eigen behandelaar, de behandelaren zijn wel allen verbonden aan dezelfde praktijk. De behandelaren zijn GZ-psycholoog en staan geregistreerd als zodanig in het BIG-register, één behandelaar is ook geregistreerd als psychotherapeut. Op grond van de beroepscode die voor de behandelaren geldt, kan ervan worden uitgegaan dat er geen connectie is tussen de behandelaren en de vrouw en [de minderjarige] en ook dat er ook geen connectie is met de man.

[de minderjarige] is via een verwijzing van haar huisarts in 2012 in behandeling gekomen. Er is een overzicht van het behandeltraject van [de minderjarige] aan de raad verstrekt. De intensiteit van de behandeling van [de minderjarige] varieert van eenmaal per week tot één keer per vier of per zes weken. Dit gaat naar bevind van zaken en in overleg met de moeder, die bij de behandeling wordt betrokken. Sinds juni is de behandeling geïntensiveerd, omdat de procedure bij het hof extra spanningen veroorzaakt.

[de minderjarige] is gediagnosticeerd (DSM-codes bekend), maar die diagnose heeft een beperkte geldigheidsduur. Op dit moment is de posttraumatische stressstoornis (PTSS) nog actief aanwezig. De separatieangststoornis en depressieve stoornis zijn in remissie.

De vrouw is in behandeling geweest vanaf 2015 tot januari 2019. Zij had PTSS met stemmingsklachten (DSM-codes bekend). De problematiek van de vrouw houdt ook verband met de juridische procedures die de man aanspant. Deze veroorzaken spanningen, angst en onzekerheid bij de vrouw, het betreft situationele klachten.

Volgens de vertegenwoordigers van de raad is de informatie van de behandelaren voldoende toetsbaar. De raad is overtuigd tot het inzicht gekomen dat het niet in het belang van [de minderjarige] is dat de man haar mag erkennen en dat er omgang tussen hem en [de minderjarige] kan worden gestart. De behandelaren hebben een aantal voorbeelden gegeven waaruit blijkt dat [de minderjarige] met veel angst reageert als het over haar vader gaat. Dit onderwerp wordt wel regelmatig aan de orde gesteld in haar therapie. Er zijn zorgen over de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] . De behandelaren proberen de man en zijn achtergrond stapje voor stapje dichterbij te brengen in de hoop dat [de minderjarige] op een gegeven moment interesse voor haar afkomst ontwikkelt. Het middel moet echter niet erger zijn dan de kwaal.

De behandelaar heeft [de minderjarige] op de hoogte gebracht van deze procedure voor zover zij dat aankan en volgens de behandelaar is het niet goed om [de minderjarige] te horen over de verzoeken die in deze procedure voorliggen. Een gesprek met de raad zal veel spanningen bij [de minderjarige] teweegbrengen en het is dan moeilijk om haar antwoorden te interpreteren. De raad heeft er daarom voor gekozen niet met [de minderjarige] te spreken.

2.3

De bijzondere curator heeft toegelicht dat zij aanvankelijk getracht heeft [de minderjarige] te spreken te krijgen. De vrouw wilde daarmee instemmen op voorwaarde dat de behandelaar van [de minderjarige] daar ook bij zou zijn. De behandelaar van [de minderjarige] heeft vervolgens gezegd dat een gesprek met de bijzondere curator niet in het belang is van [de minderjarige] en dat zij daar geen medewerking aan wil verlenen.

De bijzondere curator is van mening dat het aanvullende gesprek dat de raad met de behandelaren heeft gevoerd veel extra informatie heeft opgeleverd. Er is een diagnose gesteld en [de minderjarige] zal daarmee de rest van haar leven periodes in mindere of in meerdere mate moeten leren omgaan. De afweging wat een gesprek met [de minderjarige] aan extra informatie oplevert en wat een gesprek voor [de minderjarige] betekent, leidt er wat de bijzondere curator betreft toe dat [de minderjarige] niet wordt gehoord door het hof of de raad. [de minderjarige] is nog lang niet zover dat ze dat aankan.

De bijzondere curator vindt dat niet getwijfeld moet worden aan de bevindingen van de behandelaren en dat zij moeten beoordelen wanneer [de minderjarige] volledig kan worden voorgelicht.

2.4

De advocaat van de man stelt nogmaals dat het hof geen rechtsgevolgen mag verbinden aan een verklaring van behandelaren die hun naam niet bekend maken aan het hof en de man. Er is geen inzage gegeven aan het hof en de man in de behandelplannen. De moeder zei eerder dat de behandeling positief was afgerond en nu blijkt dat niet zo te zijn. De toetsing door de raad is niet te verifiëren en niemand heeft met [de minderjarige] gesproken. De behandelaar is niet op de hoogte van de juridische verschillen tussen de erkenning en omgang en heeft niet onderbouwd dat de erkenning niet in het belang van [de minderjarige] is. Er heeft geen objectief onderzoek plaatsgevonden waaruit volgt dat omgang tussen de man en [de minderjarige] de belangen van [de minderjarige] schaadt. De man wordt het recht op omgang ontnomen, terwijl hij in staat is om daaraan op een goede manier uitvoering te geven. Hij heeft met zijn drie andere kinderen een weekendregeling die goed verloopt. Indien de omgang in minuscule stappen moet worden opgebouwd dan zal hij dat respecteren. De erkenning vormt voor hem de start om een rol in het leven van [de minderjarige] te kunnen krijgen. Onderbelicht blijft dat niet alleen de man, maar ook [de minderjarige] recht heeft op omgang. Indien [de minderjarige] zelf aangeeft dat zij geen omgang met de man wil is dat zwaarwegender dan de informatie die nu beschikbaar is. Er wordt gezegd dat er gewerkt wordt aan de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] , maar dat is niet goed mogelijk als daar nooit met de man over is gesproken. De man is bijvoorbeeld Koerdisch en niet Turks. De raad heeft zijn onderzoek onvoldoende zorgvuldig uitgevoerd. De man vindt dat zijn verzoeken moeten worden toegewezen.

2.5

De advocaat van de vrouw heeft toegelicht dat de vrouw weliswaar betrokken wordt bij de behandeling, maar dat haar niet precies verteld wordt wat de behandelaren met [de minderjarige] hebben besproken. Dat valt onder de privacy. De vrouw weet dat [de minderjarige] sterk reageert op spanningen. Zij is als peuter al gediagnosticeerd met PTSS en een kleine prikkel kan veroorzaken dat de problematiek weer opspeelt. De man heeft veel procedures gevoerd en inhoudelijke informatie over de behandeling van [de minderjarige] en de moeder gekregen. Uitsluitend de naam van de behandelaar ontbreekt en daar is een goede reden voor. Zoals blijkt uit de procedures die de man gevoerd heeft, oefent hij grote druk uit. De man ontkent zijn eigen verantwoordelijkheid in de situatie en heeft onvoldoende ondernomen om het vertrouwen van [de minderjarige] in hem te herstellen. [de minderjarige] ondervindt de negatieve gevolgen van hetgeen zich in het verleden heeft afgespeeld, zij heeft inmiddels al negen jaar therapie gehad. Wanneer de man [de minderjarige] mag erkennen dan krijgt hij recht op basisinformatie van de school en over de behandelingen en dan wordt de Turkse nationaliteit aan [de minderjarige] toegekend. Dat is niet in het belang van [de minderjarige] . De behandelaren zijn wel op de hoogte van het feit dat er sprake is van een recht op omgang voor [de minderjarige] en van het belang dat [de minderjarige] weet van wie zij afstamt. De spanningen bij [de minderjarige] lopen snel op wanneer over dergelijke zaken met haar gesproken wordt.

2.6

Het hof heeft in de tussenbeschikking van 16 juli 2019 overwogen dat het belang van de man om te erkennen moet worden afgewogen tegenover de belangen van de vrouw en [de minderjarige] bij het niet-erkennen.

Hierbij geldt als uitgangspunt dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie in rechte wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. De vrouw heeft er belang bij dat zij een ongestoorde relatie met haar kind kan hebben. Van schade aan de belangen van het kind is slechts sprake, indien een reëel risico bestaat dat het kind door de erkenning wordt belemmerd in zijn sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Bij de afweging van de belangen dient mede in aanmerking te worden genomen dat het noodzakelijkerwijs gaat om een verwachting omtrent toekomstige feiten, alsmede dat de na verkregen toestemming gedane erkenning onomkeerbaar is.

2.7

Het hof acht zich op grond van de informatie die nu voorhanden is in deze procedure, voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen geven.

Het hof is van oordeel dat het verzoek van de man om hem vervangende toestemming voor de erkenning van [de minderjarige] te verlenen, moet worden afgewezen. Het hof is van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten, omdat de belangen van [de minderjarige] en de vrouw bij het niet-erkennen zwaarder wegen dan het belang van de man om [de minderjarige] te erkennen. Voldoende is komen vast te staan dat het belang van de vrouw bij een ongestoorde relatie met [de minderjarige] in gevaar komt en dat de belangen van [de minderjarige] worden geschaad omdat zij door de erkenning belemmerd wordt in haar sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.

2.8

De nadere bevindingen van de raad komen het hof overtuigend voor, zodat het hof hetgeen de behandelaren van [de minderjarige] tegenover de raadsonderzoeker en gedragsdeskundige hebben verklaard zal volgen. Het hof passeert de stelling van de man dat informatie van behandelaren die anoniem willen blijven niet in aanmerking kan worden genomen omdat deze informatie onvoldoende kan worden geverifieerd.

Onder verwijzing naar het vaststaande feit dat de man in het verleden ernstige bedreigingen heeft gedaan tegenover de vrouw en haar familie en derden, is het hof van oordeel dat het noodzakelijk is ter bescherming van het de belangen van [de minderjarige] en het privéleven van de vrouw dat de namen van de behandelaren niet bekend worden gemaakt. De behandelaren van [de minderjarige] en de vrouw zijn psycholoog/psychotherapeut en staan geregistreerd in het BIG-register. Aan de opname in het BIG-register zijn kwaliteitseisen verbonden en dat betekent dat aan hun deskundigheid niet behoeft te worden getwijfeld.

De raad heeft op grond van de wet een adviserende rol in deze procedure en bewaakt de belangen van het kind. De raad beschikt over specifieke deskundigheid en expertise om de bevindingen van de behandelaren onafhankelijk te toetsen. De stelling van de man dat de bevindingen van de behandelaren en de raad alleen zijn gebaseerd op de gekleurde informatie die de vrouw aan hen heeft verstrekt, kan het hof niet volgen. Uit de aanvullende toelichting van de raad tijdens de mondelinge behandeling op 23 juni 2020 leidt het hof af dat de raad op een voldoende objectieve en kritische wijze de informatie van de behandelaren heeft geverifieerd. In feite zijn alle in deze procedure voorliggende vragen beantwoord. Nu de raad de informatie zelf van de behandelaren heeft vernomen en de man, de vrouw en de bijzondere curator hierop hebben kunnen reageren, acht het hof het niet in strijd met artikel 6 EVRM om de informatie van de behandelaren te betrekken in zijn oordeel.

2.9

De informatie van de behandelaren is voldoende volledig en ook consistent. Hieruit komt naar voren dat sprake is van een broos evenwicht bij [de minderjarige] en de vrouw. [de minderjarige] en de vrouw zijn ten tijde van de relatie met de man ernstig getraumatiseerd geraakt door huiselijk geweld. [de minderjarige] is bijna [x] jaar oud en heeft gekampt met ernstige problematiek waarvoor zij inmiddels al vele jaren in behandeling is. In meerdere periodes is dat zeer intensief geweest. De moeder en de school van [de minderjarige] worden daarbij betrokken. Er is sprake van vooruitgang bij [de minderjarige] , maar de PTSS-klachten en angstklachten laaien gemakkelijk weer op. [de minderjarige] is dus een beschadigd meisje en haar ontwikkeling is kwetsbaar. In verband daarmee is het besluit van de raad om zelf geen gesprek met [de minderjarige] te voeren te rechtvaardigen. Het risico dat [de minderjarige] hierdoor een terugval krijgt is te groot.

Om diezelfde reden zal het hof [de minderjarige] ook niet persoonlijk horen in deze procedure, ook al is zij bijna [x] jaar oud. Alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is dat te belastend voor haar.

2.10

Uit de informatie van de behandelaren en de raad volgt verder dat de confrontatie (ook in de vorm van procedures) met de man bij de vrouw nog steeds zeer veel onrust en spanningen veroorzaakt. Deze spanningen voelt [de minderjarige] vanzelfsprekend aan en hebben een negatieve weerslag op haar. Een erkenning door de man brengt onherroepelijk met zich dat de moeder af en toe (indirect) met de man in aanraking komt en dat zij zich daardoor minder veilig voelt. Het risico dat het wankele evenwicht door een erkenning van [de minderjarige] door de man wordt verstoord is te groot. [de minderjarige] en de vrouw zijn volgens de behandelaren nog niet klaar voor een positie van de man in het leven van [de minderjarige] en daaraan kan niet worden voorbijgegaan, zoals ook de bijzondere curator heeft opgemerkt. Het is op dit moment van groot belang dat de rust en stabiliteit voor [de minderjarige] zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Op die manier kunnen de klachten van [de minderjarige] verder worden teruggedrongen en kan zij toekomen aan haar eigen ontwikkelingstaken en sterker en evenwichtiger worden. Vermoedelijk zal [de minderjarige] op enig moment in haar ontwikkeling, tijdens haar puberteit, uiten dat zij behoefte heeft aan meer beeldvorming wat betreft haar vader. Op dat moment kan worden bekeken op welke verantwoorde manier invulling aan die behoefte moet worden gegeven.

2.11

Het hof zal het verzoek van de man om vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige] te verlenen daarom afwijzen.

Omgangsregeling

2.12

De rechter stelt op grond van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Het recht op omgang wordt onder andere slechts ontzegd, indien
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van

het kind.

2.13

De raad en de bijzondere curator hebben geadviseerd geen omgangsregeling vast te stellen. Het hof acht zich ook op het punt van de omgang voldoende voorgelicht en is van oordeel dat iedere vorm van contact tussen [de minderjarige] en de man ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] .

2.14

Hiervoor heeft het hof al overwogen dat [de minderjarige] en de vrouw te kampen hebben gehad met ernstige traumatisering en dat de ontwikkeling van [de minderjarige] zeer kwetsbaar is. Informatie over haar vader en zijn culturele achtergrond kan [de minderjarige] op dit moment zelfs nog niet aan en dat alleen al maakt dat het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling moet worden afgewezen.

Verder is er op dit moment bij de vrouw ook onvoldoende draagvlak aanwezig voor contact tussen de man en [de minderjarige] . Confrontatie met de man in welke vorm dan ook leidt tot onrust bij haar en zij ervaart bovendien onvoldoende erkenning voor hetgeen in het verleden tussen haar en de man heeft plaatsgevonden. Voor het opbouwen van contact is enig basisvertrouwen bij de vrouw noodzakelijk. De man geeft aan dat de vrouw de hulpverleners en deskundigen negatief beïnvloedt met haar negatieve beleving over hem. Nog daargelaten dat de vrouw dit betwist, maakt dat de feitelijke situatie niet anders.

De vrouw en [de minderjarige] maken nog steeds gebruik van hulpverlening en zijn nog niet stabiel genoeg om (het spreken over toekomstig) stapsgewijs contact met de man aan te kunnen. Dat de man wel contact heeft met zijn andere drie dochters van [… 1] , [… 2] en [… 3] jaar oud en dat dat goed verloopt, is daarom bij de beoordeling van het verzoek tot omgang met [de minderjarige] niet van belang.

2.15

Het heeft veel tijd gekost om een positieve lijn in de ontwikkeling van [de minderjarige] tot stand te brengen en deze moet op dit moment niet in gevaar worden gebracht met het spreken over (perspectieven op) omgang. Nader onderzoek op dit punt, zoals de man heeft verzocht, is daarom is strijd met de belangen van [de minderjarige] en dus niet aan de orde.

2.16

Het hof zal de verzoeken van de man met betrekking tot de omgang, zowel primair, subsidiair, als meer subsidiair daarom afwijzen.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven van de man zowel ten aanzien van de vervangende toestemming voor erkenning als ten aanzien van de omgangsregeling. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 25 september 2018;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, E.B. Knottnerus en R.A. Boon, bijgestaan door de griffier, en is op 4 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.