Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6137

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
200.268.776
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep; kort geding tot schorsing executie gewijsde; niet stipt nagekomen betalingsregeling; geen terugbetalingstoezegging; tenuitvoerlegging geen misbruik van recht of van executiebevoegdheid noch in strijd met eisen van redelijkheid en billijkheid; bij dit bankbeslag werd geen rekening gehouden met een beslagvrije voet doordat de geëxecuteerde geen volledige, controleerbare informatie heeft verstrekt om een beslagvrije voet te berekenen; tweede afwijzingsgrond: de gevorderde ordemaatregelen zouden in hun tegendeel verkeren.

Artikelen 3:13 en 6:2 en 248 BW

Artikelen 254, 438, 475b, 475c en 475g Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.268.776

(zaaknummer kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 8024225)

arrest van 4 augustus 2020

in het kort geding van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. M.H. Hogeman,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Van Doorn Montage- en Onderhoudsbedrijf B.V.,

gevestigd te Waardenburg, gemeente West Betuwe,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Van Doorn,

advocaat: mr. P.M. Jongeling.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 4 oktober 2019 dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, tussen partijen heeft gewezen (verder: het vonnis).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 30 oktober 2019 met grieven,

- de schriftelijke conclusie van eis in hoger beroep,

- de memorie van antwoord met producties.

2.2

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd, heeft alleen [appellante] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rov. 2.1 tot en met 2.10 van het vonnis.

4 Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de grieven

4.1

Deze zaak gaat over een verbod of schorsing van de executie van een vonnis in kracht van gewijsde.

4.2

Wegens renovatiewerkzaamheden aan een schuifpui in 2015 verkreeg Van Doorn tegen opdrachtgeefster [appellante] een inmiddels in kracht van gewijsde gegaan (verstek-)vonnis van 9 december 2015 tot betaling van € 484,79 aan hoofdsom, € 72,72 aan buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en € 645,47 aan proceskosten. Van Doorn heeft afwisselend executoriale beslagen gelegd en betalingsregelingen getroffen, de laatste, aan [appellante] nog eens bevestigd in een brief van 7 september 2018: “van minstens € 15,00 per iedere 31e van de maand ingaande juli 2018” en, kort, herhaald in een brief van 4 december 2018 (“betalingsregeling (…) van minstens € 15,00 per maand”). [appellante] heeft op 2 januari, 31 januari, 1 maart, 1 april, 29 april en 18 juni 2019 telkens € 15 aan (de incassogemachtigde van) Van Doorn overgemaakt. Van mening dat [appellante] de regeling omstreeks mei/juni 2019 niet naar behoren was nagekomen, heeft Van Doorn opnieuw executoriale beslagen gelegd, op 27 juni 2019 vergeefs onder de sociale dienst van de gemeente Arnhem en op 29 juli 2019 onder ING Bank. Dit laatste beslag trof, vanwege een waterschade uitkering van een verzekeraar ad € 1.691,76, doel op een saldo van € 2.298,53. Na correspondentie tussen de beslagdeurwaarder en [appellante] over de beslagvrije voet, heeft de bank € 2.010,60 ten gunste van Van Doorn overgemaakt, waarna Van Doorn het beslag wegens voldoening van haar vordering heeft opgeheven.

4.3

Onder meer van mening dat zij de betalingsregeling stipt was nagekomen en dat deze executie onrechtmatig was en/of misbruik van executierecht opleverde en/of als verkapt inkomensbeslag in strijd kwam met de beslagvrije voet, heeft [appellante] gevorderd:

1. Van Doorn te veroordelen tot nakoming van de betalingsregeling, neergelegd in de mail aan [appellante] van 4 december 2018;

2. de executie van het vonnis te schorsen;

3. Van Doorn te verbieden het vonnis te executeren, dan wel de aangevangen executie voort te zetten, onder de voorwaarde dat [appellante] haar verplichtingen uit hoofde van de betalingsregeling stipt nakomt;

4. het executoriaal beslag onder ING Bank ten laste van [appellante] op te heffen, dan wel Van Doorn te veroordelen dit beslag op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag op te heffen;

5. Van Doorn te veroordelen de door de beslagleggingen geïnde bedragen aan [appellante] terug te betalen binnen tweede dagen na het te wijzen vonnis;

althans een zodanige ten nauwste bij de vorderingen van [appellante] aansluitende veroordeling te geven als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren,

alles met veroordeling van Van Doorn in de proceskosten.

4.4

Na verweer van Van Doorn heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

4.5

[appellante] heeft haar vorderingen in hoger beroep op ondergeschikte punten geherformuleerd. Zij richt haar grieven I en II tegen het oordeel dat zij de betalingsregeling niet naar behoren zou zijn nagekomen. Onder grief III klaagt zij erover dat de kantonrechter niet heeft geoordeeld over enkele subsidiaire grondslagen van haar vorderingen en in grief IV vecht zij de proceskostenbeslissing aan.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

het criterium

5.1

[appellante] heeft geen bezwaren geuit tegen het door de kantonrechter vooropgestelde criterium dat – in kort geding – moet worden beoordeeld of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat toewijzing gerechtvaardigd is, zodat het hof van dat criterium moet uitgaan.

de betalingsregeling en haar voorgeschiedenis

5.2

De betalingsverplichting van [appellante] uit de laatst geldende, per juli 2018 ingegane betalingsregeling was, gezien de brief van 7 september 2018 (zie rov. 4.2), duidelijk: € 15 per iedere laatste dag van de maand en wel op zijn minst.

5.3

Daaraan was nogal wat voorafgegaan.

Na diverse executoriale beslagleggingen in 2016 en 2017 en een deelbetaling van € 350 in mei 2017 heeft Van Doorn zich in een brief van 19 mei 2017 akkoord verklaard met een tijdelijke betalingsregeling van drie maanden van minstens € 100 per maand onder de toevoeging dat, mocht [appellante] met de nakoming in gebreke blijven, de regeling onmiddellijk zou vervallen, dat dan het verschuldigde bedrag ineens en geheel opeisbaar zou zijn en dan per omgaande executiemaatregelen zouden worden genomen. Toen betaling uitbleef, heeft Van Doorn weer executiemaatregelen genomen. Bij brief van 6 juli 2017 heeft Van Doorn opnieuw een betalingsregeling getroffen voor twee maanden van minstens € 15 per maand onder dezelfde strikte voorwaarden. [appellante] hield zich hier niet aan en Van Doorn heeft haar in een brief van 2 augustus 2017 in de gelegenheid gesteld alsnog haar achterstand in te halen door € 25 te betalen, ook weer onder dezelfde bepalingen. Vanwege het uitblijven van de maandelijkse betaling van € 15 heeft Van Doorn [appellante] regelmatig (op 7 september 2018, 4 december 2018 en op 11 juni 2019) gesommeerd de betalingsregeling binnen de daarin gestelde termijnen na te komen met de herhaalde uitleg dat wanneer zij zich niet aan de betalingsregeling hield deze regeling zou komen te vervallen en dat het verschuldigde bedrag dan in zijn geheel opeisbaar zou zijn.

Aldus bleken partijen aan elkaar gewaagd en behoorde [appellante] inmiddels goed te begrijpen dat zij de betalingsregeling steeds strikt moest nakomen.

de druppel die de emmer deed overlopen

5.4

Toch heeft [appellante] niet per het eind van de maand mei 2019 € 15 betaald, ook niet binnen vierentwintig uur na de sommatie (aanmaning) van 11 juni 2019.

Volgens die sommatie namens Van Doorn kreeg [appellante] toen nog 24 uur de tijd om alsnog de afgesproken € 15 voor de maand mei te voldoen. Volgens [appellante] daarentegen zien de zes betalingen van € 15 uit 2019 alle op het jaar 2019 en zag haar betaling van 18 juni 2019 op juni, zodat deze tijdig was, namelijk vóór de laatste dag van die maand.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] haar standpunt echter niet (voldoende duidelijk) onderbouwd, mede omdat uit het door Van Doorn voor de zitting bij de kantonrechter overgelegde overzicht van betalingen (Overzicht Debiteur in Map 26000327) vanaf eind juli 2018 (de maand waarin de nieuwe en laatste betalingsregeling inging) anders blijkt, namelijk van tien betalingen van € 15 met ingang van 31 juli 2018 tot en met 18 juni 2019, zodat zij, zelfs in een voor haar gunstig geval van vooruitbetaling, juni 2019 nooit heeft betaald.

Maar afgezien hiervan gaat dit standpunt ook niet op omdat [appellante] volgens de afbetalingsregeling hoe dan ook tegen de laatste dag van iedere maand € 15 moest betalen,

wat zij tegen eind mei 2019 heeft nagelaten en ook niet binnen 24 uur na de sommatie van 11 juni 2019 heeft gedaan.

De door haar ingeroepen afgedwongen afdracht door ING Bank op 20 juli 2018 van € 100 voor een destijds opgeheven beslag vormt wel een extra betaling, maar dit doet niet af aan de regeling van - let wel: ten minste - € 15 per iedere laatste dag van de maand. Dat zo’n onterechte inhouding/afdracht van € 100 het aan [appellante] een jaar later onmogelijk of (zeer) bezwaarlijk zou hebben gemaakt om de regeling stipt en correct na te komen, heeft zij niet cijfermatig onderbouwd en is na dat tijdsverloop niet zonder meer aannemelijk. Verder is het ook niet, zoals zij betoogt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar haar later tegen te werpen dat zij tekort zou zijn geschoten en dan beslag te leggen. Zij zat intussen immers in een zeer strikt na te leven betalingsregeling. Vanwege de minimum betalingsverplichting van € 15 per maand is verder de door [appellante] over augustus 2017 tot en met september 2019 gepresenteerde betalingsreconstructie niet van belang. Waar [appellante] tegen het eind van mei 2019 en ook niet binnen 24 uur na 11 juni 2019 alsnog de € 15 had betaald, was, naar het voorlopig oordeel van het hof, de betalingsregeling vervallen en Van Doorn opnieuw gerechtigd om verdere executiemaatregelen te nemen, in dit geval op 27 juni 2019 het beslag onder de sociale dienst, dat overigens geen doel trof. Ook tegen eind juni 2019 heeft [appellante] niet € 15 betaald en zij heeft niet aangevoerd dat dit beslag haar dat belette. Het daarop op 29 juli 2019 gevolgde beslag onder ING Bank was dus vooralsnog niet op die grond onrechtmatig. Of er al dan niet een brief van 6 juli 2019 is geweest die [appellante] zegt niet ontvangen te hebben, kan hier buiten beschouwing blijven.

De grieven I en II gaan daarom niet op.

de subsidiaire grondslagen

5.5

Subsidiair acht [appellante] de beslagleggingen een vorm van misbruik van recht of van executiebevoegdheid en meer subsidiair in strijd met eisen van redelijkheid en billijkheid. Nog meer subsidiair voert [appellante] aan dat Van Doorn bij dit volgens haar verkapte inkomensbeslag ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. Onder grief III klaagt [appellante] terecht dat de kantonrechter niet (kenbaar en gemotiveerd) op deze grondslagen heeft gereageerd. Dat moet dus alsnog gebeuren.

terugbetalingstoezegging?

5.6

Het bankbeslag trof onder meer een schadeuitkering van een verzekeraar ad €1.691,76, bestemd voor een door [appellante] met leverancier Carpetright overeengekomen vervanging van de laminaatvloer die ten gevolge van waterschade onherstelbaar was beschadigd. [appellante] stelt en Van Doorn betwist gemotiveerd dat de beslag leggende deurwaarder mw. Dekker aan haar zou hebben toegezegd zij de schade-uitkering retour zou ontvangen als zij zou zorgdragen voor een vervroegde (derden-) verklaring van ING Bank. De door [appellante] bedoelde verklaring van een heer [B] bevindt zich niet in het door haar overgelegde dossier, zodat het hof daarvan geen kennis kan nemen. Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellante] op dit punt aangezien het kort geding zich uit zijn aard in beginsel niet leent voor getuigenverhoren en er geen grond is aangevoerd of gebleken voor een uitzondering. Zo’n toezegging is dus nu niet voldoende aannemelijk.

belangenafweging

5.7

Het is duidelijk dat zo’n bankbeslag problemen oplevert voor [appellante] . Zij voert aan dat zij tot zij over geld beschikt op een betonnen vloer zou moeten wonen, de opdracht aan Carpetright moet aanpassen of beëindigen en dan aan het einde van de huur van haar woning opleveringsmoeilijkheden kan krijgen. Maar executoriale beslaglegging heeft in de praktijk vaak voor een beslagdebiteur lastige gevolgen die echt niet zonder meer voorgaan boven de executoriale titel van de schuldeiser die van de rechter onherroepelijk gelijk heeft gekregen. In dit concrete geval is [appellante] niet onevenredig getroffen omdat het woonongemak voorlopig wel goedkoper valt op te lossen, [appellante] geen inzicht heeft gegeven in de afwikkeling van de opdracht aan Carpetright en het einde van de huurovereenkomst nog helemaal niet in zicht lijkt. De beslaglegging voor ongeveer € 2.000 is na het door [appellante] zelf veroorzaakte verval van de betalingsregeling vooralsnog niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (zie artikel 6:248 lid 2 BW). Ook misbruik van bevoegdheid is voorshands niet aannemelijk (zie artikel 3:13 lid 2 BW). Na een tekortkoming van [appellante] tot betaling in 2015 van een kleine € 500, welke schuld na executiemaatregelen en betalingsregelingen is opgelopen tot zo’n € 2.000, terwijl [appellante] de laatste betalingsregeling van minstens € 15 per iedere laatste dag van de maand niet stipt naleefde, valt in redelijkheid niet vol te houden dat het belang van Van Doorn bij de executie van het gewijsde verstekvonnis voor haar vordering van ongeveer € 2.000 onevenredig is aan de belangen van [appellante] die daardoor worden geschaad. Daarvoor is echt wel heel wat meer onbalans nodig. De stelling tot slot, dat [appellante] door de beslaglegging een roodstand bij ING Bank heeft gekregen van € 447 waardoor zij bepaalde vaste lasten niet kon betalen, is niet met enig bewijsstuk (bijvoorbeeld een bankafschrift) onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

(bepaling) beslagvrije voet?

5.8

De deurwaarder heeft in haar e-mail van 6 augustus 2019 aan [appellante] vooropgesteld:
“In dit geval gaat het om een bankbeslag en dat betekent dat het onder het beslag vallende

saldo ter hoogte van de vordering ook geheel onder het beslag valt. Voorts blijkt ook niet uit de correspondentie dat het (enkel) om gelden gaat die u uit uw verkering hebt ontvangen, maar dat is gelet op voornoemde eigenlijk ook niet relevant.”

Daarbij heeft de deurwaarder zich wel bereid verklaard het bankbeslag te behandelen als een

beslag onder een derde op een of meer vorderingen van de schuldenaar tot periodieke betalingen (hier: uitkeringen op grond van sociale zekerheidswetten) waaraan een beslagvrije voet is verbonden (zie de artikelen 475b lid 1 en 475c lid 1, aanhef en sub c. Rv). Het hof laat hier in het midden of de schuldenaar in geval van een bankbeslag, in een situatie zoals hier, moet worden beschermd zoals bij een uitkeringsbeslag. Ter berekening van de beslagvrije voet heeft de deurwaarder, kennelijk met het oog op artikel 475g Rv, in die e-mail aan [appellante] gelegenheid gegeven voor het aanleveren van de daarin opgesomde bewijsstukken, zoals die van woonkosten, van wel of geen zorgtoeslag en/of huurtoeslag en/of kind gebonden budget en van al haar bankafschriften over de afgelopen drie maanden, onder de bepaling dat die bewijzen recent moesten zijn, in kopie/scan werden aangeleverd en volledig en onbewerkt moesten zijn.

Na ontvangst van diverse stukken heeft de deurwaarder in een e-mail van 7 augustus 2019 aan [appellante] meegedeeld nog niet alle gegevens te hebben ontvangen en daaraan toegevoegd:
“De gevraagde specificatie van de huur ontbreekt en dat is wel van belang voor de vaststelling van een juiste beslagvrije voet. Daarnaast dienen wij te beschikken over de gegevens omtrent de toeslagen over dit jaar, immers is van belang wat u thans ontvangt. Als laatste ontbreken de volledige bankafschriften over de laatste drie maanden. Dat kan middels toezending van een uitdraai (scan) van uw bankafschriften op de website van uw bank. Het dient wel een volledige versie (via een computer) te zijn, dus geen verkorte via mobiel bankieren omdat daar vaak essentiële informatie in ontbreekt en die eerst moet worden bewerkt of in delen toegezonden om het enigszins leesbaar te maken.

Indien de gegevens niet of niet volledig worden aangeleverd kunnen wij daarmee geen rekening houden bij de bepaling van de beslagvrije voet en zal mogelijk worden uitgegaan van het normbedrag van € 927,38 per maand. Het is dus van belang dat u de gegevens volledig onbewerkt toestuurt als eerder verzocht.”
[appellante] heeft daarop geen bankafschriften overgelegd (aldus de deurwaarder in haar e-mail van 19 augustus 2019), maar wel in haar e-mail van 7 augustus 2019 een kopie van het huurcontract en “nogmaals mijn vaste lasten van de bank” toegestuurd.

Hierop heeft de deurwaarder in haar e-mail van 8 augustus 2019 geantwoord:
“De huurovereenkomst is onvolledig. De bankafschriften zijn ondanks herhaald verzoek en uitgebreide toelichting niet aangeleverd. Daarnaast is uit de stukken die u wel aanleverde gebleken dat gelden onder het beslag vallen welke niet of in ieder geval grotendeels niet als beslagvrije voet kunnen worden aangemerkt (wat de juridische grondslag zou kunnen zijn voor een eventuele restitutie). Daarnaast valt ook niet het volledige saldo onder het beslag. Mede gelet daarop wijzen wij uw verzoek tot teruggave van gelden af. Omdat de zaak volledig bij ons voldaan is, wordt deze door ons afgewikkeld en gearchiveerd, waarbij lopende beslagen zijn opgeheven.”

5.9

Het komt er dus op neer dat [appellante] niet aan het voorstel van de deurwaarder heeft voldaan en geen volledige, controleerbare informatie heeft verstrekt om een beslagvrije voet te berekenen, ook niet voor het haar door de deurwaarder eerder slechts als mogelijk vermelde normbedrag van € 927,38 per maand, zodat Van Doorn daarmee vooralsnog geen rekening behoefde te houden.

Grief III kan daarom niet tot vernietiging van het vonnis leiden.

een tweede, meer algemene, afwijzingsgrond

5.10

Naast en afgezien van al het voorgaande is nog het volgende van belang.

Voor het door [appellante] gevraagde terugdraaien per 18 juni 2019 van alles wat er daarna tussen deze, het zij herhaald: aan elkaar gewaagde, partijen in dit welhaast eindeloze gesoebat is voorgevallen, is in dit kort geding geen plaats. Natuurlijk, [appellante] is na haar verzuim geconfronteerd met een abrupte afwikkeling van haar sedert 2015 opgelopen schuld aan Van Doorn met voor haar vast ook de nodige lastige gevolgen. Maar een terugdraaien van de situatie zou hier veeleer bijdragen aan het nog lang voortbestaan van deze confronterende schuldrelatie en de afwikkelingschaos tussen partijen alleen maar vergroten. De gevorderde ordemaatregelen zouden in hun tegendeel verkeren. Daaraan werkt het hof niet mee.

enkele restopmerkingen

5.11

Het voor een kort geding vereiste spoedeisend belang behoeft geen bespreking meer. Van Doorn heeft nog aangevoerd te hebben begrepen dat (het vermogen van) [appellante] sinds 16 januari 2020 onder bewind is komen te staan en dat haar bewindvoerder dan in deze procedure zou moeten worden opgeroepen. Maar ambtshalve raadpleging door het hof van het Centraal curatele- en bewindregister leert dat [appellante] daarin niet voorkomt.

6 De slotsom

6.1

Het hoger beroep gaat niet op. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. De in hoger beroep geherformuleerde vorderingen zijn niet toewijsbaar.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij is [appellante] terecht door de kantonrechter in de proceskosten veroordeeld en zal zij ook worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Grief IV faalt.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Van Doorn zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht (verschotten) € 741

- salaris advocaat € 759 (1 punt x appeltarief I).

6.3

Het hof zal ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten met de wettelijke rente toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 4 oktober 2019;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Van Doorn vastgesteld op € 741 voor verschotten en op € 759 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, R.A. Dozy en B.J. Engberts, is in afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020.