Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6134

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
200.266.332
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verstek
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Hoger beroep; verstekarrest; bemiddelingsovereenkomst huurwoning; verzuim en oplichting; internationale bevoegdheid; toepasselijk recht; ruime schadebegroting;

artikelen 6:83, 96 en 97 en 7:425 e.v. BW

artikel 4, lid 1 EEX-Vo II

artikel 4 lid 1, aanhef en onder b) Vo. Rome I

artikel 1 Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.266.332

(zaaknummer kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, 7717422)

arrest van 4 augustus 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] , Polen,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. G.P. Geelkerken,

tegen:

[geïntimeerde] ,

handelend onder de naam: [B],

inmiddels zonder bekende woon- of verblijfplaats zowel binnen als buiten Nederland,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 30 april 2019 dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, tussen partijen heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 11 juli 2019 met publicatie, grieven en een productie,

- het herstelexploot van 12 november 2019 met publicatie,

- de verstekverlening tegen [geïntimeerde] ,

- de schriftelijke conclusie van eis,

- de brief van mr. Geelkerken van 2 maart 2020 ter toelichting op de grief.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

In het voorjaar van 2017 heeft [appellant] (wonende in Polen) tegen betaling van € 500 aan [geïntimeerde] met haar eenmanszaak [B] (wonende en haar zaak voerende in Nederland) een bemiddelingsopdracht gegeven om voor hem in Nederland een huurwoning te vinden. Volgens haar toezegging zou [geïntimeerde] binnen drie weken een sociale huurwoning voor [appellant] vinden. [geïntimeerde] heeft [appellant] meermalen opgeroepen naar Nederland te komen voor een door haar aangedragen woning, waarop [appellant] via Booking.com verblijf in Nederland boekte, daarnaar afreisde en er dan toch geen woning beschikbaar bleek. Na een ingebrekestelling door [appellant] advocaat bij brief van 12 december 2018 heeft [geïntimeerde] de overeenkomst verbroken en aan [appellant] zijn € 500 terugbetaald.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] verwijt [geïntimeerde] dat zij hem (en anderen) op deze manier heeft opgelicht. Hij heeft bij de kantonrechter wegens acht vergeefse bezoeken aan Nederland een schadevergoeding gevorderd van € 6.072,85, dan wel een bedrag dat de kantonrechter redelijk voorkwam, met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten van € 678,64 en proceskosten.

4.2

In het verstekvonnis van 30 april 2019 heeft de kantonrechter de schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld op € 1.000 inclusief buitengerechtelijke kosten en dit bedrag met de wettelijke rente toegewezen met een proceskostenveroordeling en afwijzing van het meer of anders gevorderde.

4.3

Tegen die afwijzing richt [appellant] zijn enige grief in hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

Ten tijde van de inleidende dagvaarding had [geïntimeerde] woonplaats in Nederland en dreef zij ook haar onderneming in Nederland. Op grond van artikel 4, lid 1 EEX-Vo II kwam dus aan de kantonrechter internationale bevoegdheid toe.

5.2

Klaarblijkelijk heeft de kantonrechter (intern) Nederlands recht toegepast. Volgens artikel 4 lid 1, aanhef en onder b) van Vo. Rome I wordt bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3 (en onverminderd de artikelen 5 tot en met 8) het op de

overeenkomst toepasselijke recht als volgt vastgesteld: b) de overeenkomst inzake dienstverlening wordt beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn

gewone verblijfplaats heeft. Toen partijen de bemiddelingsovereenkomst sloten, was het vestigingsadres van [geïntimeerde] in [C] en haar woonadres in [D] . Daarom is (intern) Nederlands recht op de bemiddelingsovereenkomst van toepasing.

5.3

Onmiskenbaar heeft [geïntimeerde] veel meer aan [appellant] toegezegd dan zij kon waar maken en is zij door alle vergeefse oproepen voor een huis (telkens) in verzuim geraakt. Zij is verplicht om de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. Nu het onweersproken om oplichting gaat, rechtvaardigt het opzetkarakter ervan een ruime schadebegroting.

5.4

In productie 6 heeft [appellant] zijn schadeposten 1 tot en met 8 gespecificeerd naar acht boekingen en reizen vanaf zijn woonplaats naar Nederland (op afstanden van 1.230 tot 1.500 km) met verblijfskosten. Hij heeft een en ander berekend op € 624,84 + € 661 + € 802,86 + € 816,54 + € 706,50 + € 722,50 + € 864,81 + € 873,80 = € 6.072,85. Het gaat dan om kosten van accommodatie, schoonmaakkosten, kosten voor beddengoed, toeristenbelasting, kilometer- en consumptiekosten, allemaal op zich niet onredelijk, laat staan onrechtmatig of ongegrond, op twee punten na.

5.5

De boekingen 7 en 8 sluiten in Nederland op elkaar aan, door [appellant] verklaard met: “The stay was extended because Paul's office informed [appellant] about the different date of issue of the apartment”. Dan heeft [appellant] tussen beide boekingen niet terug naar Polen en heen naar Nederland gereisd, zodat de terugreis bij post 7 ad € 240 + de heenreis bij post 8 ad € 230 = € 470 als ongegrond op die schadeposten in mindering moet worden gebracht.

5.6

Nadat de kantonrechter de schade aanzienlijk had ingeperkt tot € 1.000 (inclusief de buitengerechtelijke kosten) heeft [appellant] in hoger beroep onder productie 7 vertaalde e-mails van [geïntimeerde] – bij wijze van voorbeeld(en) – overgelegd waaruit blijkt dat hij op haar aangeven meermaals naar Nederland moest komen, namelijk op 24 juni 2017, 17 juli 2017 en 20 juni 2018, om vervolgens onverrichterzake weer huiswaarts te gaan. Dit correspondeert met de boekingen 1, 2 en 7 en, in aansluiting daarop, boeking 8 (zie hiervoor). Op grond hiervan zijn de posten € 624,84 + € 661 + € 864,81 + € 873,80 - € 470 = € 2.555,45 met de wettelijke rente te zijner tijd als onrechtmatig noch ongegrond toewijsbaar. Voor de andere boekingen ontbreken de oproepen van [geïntimeerde] , zodat onvoldoende is onderbouwd en toegelicht dat [appellant] ook in de desbetreffende boekingsperioden op aangeven van [geïntimeerde] naar Nederland is gekomen. [appellant] zal deze oproepen alsnog mogen overleggen dan wel deze schadeposten anderszins kunnen toelichten en/of onderbouwen. Anders zullen deze posten, zoals het er nu naar uitziet, worden afgewezen.

5.7

[appellant] vordert tevens vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en wel volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Hoewel dit besluit volgens artikel 1 ervan niet van toepassing is op deze vordering tot schadevergoeding, zal het hof dit onweersproken uitgangspunt toch volgen. Bij de op dit moment toewijsbare hoofdsom past dan volgens de daarin opgenomen staffel een bedrag van € 460,46. Het hof acht het redelijk dat [appellant] in de onderhavige omstandigheden kosten heeft gemaakt voor buitengerechtelijke handelingen. Als meer hoofdbedragen toewijsbaar blijken, zal naar rato meer aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

6 De slotsom

6.1

Voor het meerdere mag [appellant] op de rol bij akte de ontbrekende oproepen van [geïntimeerde] overleggen dan wel deze schadeposten anderszins toelichten en/of onderbouwen (zie rov. 5.6, slot).

6.2

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 22 december 2020 opdat [appellant] dan bij akte de ontbrekende oproepen van [geïntimeerde] overlegt dan wel deze schadeposten anderszins toelicht en/of onderbouwt (zie rov. 5.6, slot);

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H.C. Frankena en B.J. Engberts, is in afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020.