Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6118

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
21-003278-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van twee diefstallen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003278-18

Uitspraak d.d.: 4 augustus 2020

VERSTEK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 4 juni 2018 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-230448-17 en 18-033296-18, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

Namens de verdachte is tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van een appelschriftuur van de raadsman van verdachte, mr. S.F.J. Smeets, d.d. 22 juni 2018, strekkende tot terugwijzing van de zaak wegens – kortweg - schending van verdachtes aanwezigheidsrecht in eerste aanleg.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de dagvaarding en oproeping van verdachte voor de terechtzitting in eerste aanleg van 16 februari 2018 en 4 juni 2018 geldig zal bevinden en de zaak zelf zal afdoen en verdachte wegens de beide tenlastegelegde feiten zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Procesgang eerste aanleg

Mede naar aanleiding van hetgeen door de advocaat-generaal op de terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, overweegt het hof het volgende omtrent de geldigheid van de dagvaardingen / oproeping en de procesgang in eerste aanleg.

Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt het volgende.

De verdachte is gedagvaard ter zake van het onder parketnummer 18-230448-17 tenlastegelegde om te verschijnen ter terechtzitting van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, op 16 februari 2018.

Deze dagvaarding is op 16 november 2017 aan verdachte in persoon uitgereikt. Aan deze dagvaarding is een vertaling gehecht in de voor de verdachte begrijpelijke Arabische (Marokkaanse) taal.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 februari 2018 is verdachte verschenen. Omdat de tolk - hoewel goed opgeroepen - niet was verschenen en verdachte de Nederlandse taal niet machtig was, is de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd, teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen een advocaat in te schakelen en opnieuw een tolk tegen de nader te bepalen terechtzitting en tijdstip te doen oproepen.

Op 5 maart 2018 heeft mr. S.F.J. Smeets, advocaat te Amsterdam, zich gesteld als raadsman van verdachte.

In het dossier bevindt zich een griffiebetekening d.d. 12 maart 2018 betreffende de oproeping inzake parketnummer 18-230448-17 om te verschijnen ter terechtzitting van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, op 4 juni 2018. Aan deze oproeping is een vertaling gehecht in de voor de verdachte begrijpelijke Arabische (Marokkaanse) taal.

De verdachte is gedagvaard ter zake van het onder parketnummer 18-033296-18 tenlastegelegde om te verschijnen ter terechtzitting van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, op 4 juni 2018.

Deze dagvaarding is op 4 april 2018 om 14:20 uur in persoon aan verdachte uitgereikt toen hij gedetineerd zat in het Detentie Centrum Zeist. Aan deze dagvaarding is een vertaling gehecht in de voor de verdachte begrijpelijke Arabische (Marokkaanse) taal.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 juni 2018 is verdachte (en de tolk wederom) niet verschenen. Wel is toen verschenen de niet-gemachtigde raadsman mr. S.F.J. Smeets. De raadsman heeft verzocht de zaken tegen verdachte aan te houden in verband met het feit dat er geen tolk aanwezig is en gelet op het feit dat nu de raadsman de afgelopen periode geen contact heeft gehad met verdachte het hem niet bekend is of verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De raadsman deelde tevens mede dat hem niet bekend was of verdachte gedetineerd zat.

De politierechter heeft vervolgens een korte onderbreking gelast en de officier van justitie in de gelegenheid gesteld te controleren of verdachte gedetineerd zit. De officier van justitie heeft daarop medegedeeld dat verdachte vorig jaar al een keer Nederland is uitgezet, niet meer verbleef op het (toenmalige) detentieadres in Rotterdam, op 30 mei 2018 is uitgezet naar Duitsland, kennelijk daarna toch weer Nederland was binnengekomen aangezien hij op 30 mei 2018 in Roermond was aangehouden in verband met het plegen van een diefstal en dat hij, verdachte, nu (4 juni 2018) niet in detentie verblijft. Tevens meldde de officier van justitie dat de huidige verblijfplaats van de verdachte onbekend en dat hij nergens stond ingeschreven. De officier heeft zich daarop verzet tegen de door de raadsman verzochte aanhouding van de behandeling.

Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt het hof, evenals de advocaat-generaal, dat het verzoek tot terugwijzing dient te worden afgewezen. Vastgesteld moet immers worden dat de verdachte in beide zaken op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting. Daarnaast heeft de politierechter vastgesteld dat verdachte zich op dat moment niet in detentie bevond. Van andere feiten of omstandigheden waaruit moet volgen dat de politierechter niet aan de behandeling ten gronde had mogen toekomen is niet gebleken (vgl. de zgn. kernrol-jurisprudentie).

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft de verdachte ter zake van twee diefstallen veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

in de zaak met parketnummer 18-230448-17:

hij op of omstreeks 14 november 2017, te [plaats 1] , twee potjes kruiden, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Albert Heijn BV, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
in de zaak met parketnummer 18-033296-18:

primair

hij op of omstreeks 29 juli 2017 te [plaats 2] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (in café [naam café] ) een tas met daarin onder meer een telefoon, althans een telefoon (Iphone7), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair
hij op of omstreeks 29 juli 2017, te [plaats 2] , althans in Nederland, een voorwerp, te weten een telefoon (Iphone7), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18-230448-17:
hij op 14 november 2017 te [plaats 1] , twee potjes kruiden die aan een ander toebehoorden, te weten aan Albert Heijn BV, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
in de zaak met parketnummer 18-033296-18:

primair

hij op 29 juli 2017 te [plaats 2] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (in café [naam café] ) een tas met daarin onder meer een Iphone7, toebehorende aan [slachtoffer] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

In de zaak met parketnummer 18-230448-17 en in de zaak met parketnummer 18-033296-18 primair.

Het bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich op 29 juli 2017 en 14 november 2017 schuldig gemaakt aan diefstal. De verdachte heeft er aldus blijk van gegeven het eigendomsrecht van de betreffende rechthebbende niet te respecteren. Diefstal is een hinderlijk feit dat de eigenaar schade berokkent en overlast meebrengt.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 juni 2020 heeft de politierechter te Amsterdam de verdachte op 14 september 2017 veroordeeld voor twee vermogensdelicten en hem daarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Dat vonnis is diezelfde dag onherroepelijk geworden. Verdachte heeft kort daarop in [plaats 1] de hierboven bewezenverklaarde winkeldiefstal gepleegd. Het vonnis van de politierechter heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een vermogensdelict te plegen.

Het hof acht, alles overwegende, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met aftrek van het voorarrest, zoals door de politierechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,

en op 4 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. A.G. Veenstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.