Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6115

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
Wahv 200.239.079/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Radarmeting of lusdetectie? Het hof verbindt geen consequenties aan de onduidelijkheid in het zaakoverzicht, omdat inmiddels duidelijk is met welk type apparatuur de meting plaatsvond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.239.079/01

CJIB-nummer

: 198144300

Uitspraak d.d.

: 4 augustus 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant van 13 maart 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 125,25.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

Op 16 juli 2020 is een brief van de gemachtigde ontvangen met daarbij gevoegd een schrijven met aanvullende gronden. Een afschrift van deze brief is naar de advocaat-generaal verzonden.

De beoordeling

1. Het hof stelt vast dat in hoger beroep geen bezwaren zijn aangevoerd tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij de beslissing van de officier van justitie is vernietigd en voor wat betreft de beslissing op het verzoek om proceskostenvergoeding.

2. In het op 16 juli 2020 ontvangen schrijven maakt de gemachtigde bezwaar tegen de informatie in het zaakoverzicht met betrekking tot de vraag of gebruik is gemaakt van radardetectie dan wel lusdetectie. De overige bezwaren richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter, houdende ongegrondverklaring van het beroep tegen de inleidende beschikking.

3. De bezwaren die de gemachtigde opwerpt over de inhoud van het zaakoverzicht leiden niet tot vernietiging van de inleidende beschikking. Uit de brief van de gemachtigde volgt dat het voor hem duidelijk is op welke wijze de constatering van de gedraging heeft plaatsgevonden. Met de gemachtigde is het hof van oordeel dat een meer specifieke beschrijving duidelijker was geweest doch tot vernietiging van de inleidende beschikking hoeft dat niet te leiden. De gemachtigde is in het bezit van de foto en leidt daar zelf uit af dat er sprake is van lusdetectie. De informatie - in de vorm van een locatieverklaring - was overigens door de advocaat-generaal ook al in het geding gebracht, zodat over de wijze van vaststelling geen onduidelijkheid bestond.

4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging is verricht op 16 mei 2016 om 12:42 uur op de Backer en Ruebweg in Breda met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

5. Het verweer over de radarapparatuur kan buiten bespreking blijven nu de gemachtigde op juiste gronden heeft aangegeven dat het gaat om een lusdetectie. Namens de betrokkene wordt betwist dat de gedraging is verricht. De betrokkene is niet door rood licht gereden, maar door oranje. Zij kon overigens ook absoluut niet meer stoppen. Op de foto staat namelijk vermeld dat het stoplicht 0,89 seconde rood licht uitstraalde en het voertuig van de betrokkene op dat moment de stopstreep al voorbij was. Driekwart seconde is te vergelijken met het knipperen met het oog, zodat het heel goed mogelijk is dat het stoplicht nog geen rood licht uitstraalde toen de betrokkene over de stopstreep reed. Deze zaak had dus niet doorgezet mogen worden door het CJIB en dat klemt te meer nu de medewerkers van deze organisatie onbevoegd zijn voor de afdoening van dit soort zaken. Zij beschikken over geen enkel certificaat waaruit blijkt dat zij bekwaam zijn om foto’s uit te lezen en daarnaast beschikken zij niet over een geldige akte van beëdiging. Een mandaatbesluit waaruit blijkt dat [B] bevoegd is tot het beëdigen van de betrokken medewerkers is niet te achterhalen, aldus de gemachtigde.

6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

"De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto's vastgelegd.

Foto 1: het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 0,9 seconden.

Foto 2: circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden."

8. In het dossier bevinden zich verder foto's van de gedraging. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig van de betrokkene ter plaatse rijdt en dat het voor haar geldende verkeerslicht rood licht uitstraalt. De achterwielen van het voertuig bevinden zich op de stopstreep. Het verkeerslicht staat op dat moment 0,89 seconden op rood. Op de tweede foto, die 1,21 seconden later is genomen, is te zien dat het voertuig het verkeerslicht is gepasseerd en verder de kruising op is gereden.

9. De gedraging kan worden vastgesteld op basis van hetgeen op de foto’s is te zien. Dat de achterwielen van het voertuig van de betrokkene zich reeds op de stopstreep bevonden op het moment dat het verkeerslicht pas 0,89 seconde op rood stond, doet daaromtrent geen twijfel ontstaan. Uit hetgeen zichtbaar is op beide foto's kan worden afgeleid dat het voertuig van de betrokkene het verkeerslicht is gepasseerd, terwijl dit rood licht uitstraalde. De aanname dat tussen de geellichtfase en het op rood springen van het verkeerslicht nog een moment is dat zonder consequenties door het rode licht kan worden gereden is onjuist. Het niet stoppen voor de stopstreep betekent overigens ook niet dat betrokkene niet met het bestuurde voertuig door het rode licht is gereden.

10. Gelet op het door de gemachtigde opgeworpen verweer overweegt het hof dat, het bepaalde in artikel 68, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 in aanmerking genomen, in het algemeen mag worden verwacht dat een bestuurder te allen tijde in staat is het voertuig tijdig en op verantwoorde wijze voor een verkeerslicht tot stilstand te brengen. Van een bestuurder mag men immers verwachten dat hij anticipeert op een verkeerslicht dat hij nadert en zijn snelheid zodanig aanpast dat tijdig kan worden gestopt. Indien een driekleurig verkeerslicht geel licht uitstraalt, houdt dit in beginsel in dat moet worden gestopt. Slechts indien men op dat moment het verkeerslicht zo dicht genaderd is dat stoppen niet meer mogelijk is, mag men doorrijden. Indien de betrokkene niet tijdig op een verantwoorde wijze heeft kunnen stoppen voor het verkeerslicht, heeft hij zijn snelheid kennelijk in onvoldoende mate aangepast.

11. Op basis van de informatie in het dossier staat vast dat de onderhavige gedraging is verricht.

12. Met betrekking tot het verweer dat de medewerkers van het CJIB in onderhavige zaken onbevoegd zijn om een sanctie op te leggen overweegt het hof als volgende. In artikel 3, tweede lid, van de Wahv, is aan daartoe aangewezen ambtenaren de bevoegdheid toegekend om voor gedragingen die door henzelf of op geautomatiseerde wijze zijn vastgesteld een administratieve sanctie op te leggen. Blijkens het zaakoverzicht is de gedraging op geautomatiseerd wijze vastgesteld en kan het opleggen van de sanctie worden toegerekend aan de ambtenaar met het dienstnummer [00000] , werkzaam bij het CJIB. Daarbij staat voorop dat het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar het uitgangspunt is. Dit is slechts anders indien hetgeen door de gemachtigde wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid, dan wel het in meer algemene zin aan de orde stellen daarvan door het stellen van vragen of het doen van suggesties, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Datzelfde geldt indien slechts wordt gesteld dat bepaalde stukken die betrekking hebben op de bevoegdheid van de ambtenaar niet kunnen worden achterhaald (vgl. het arrest van het hof van 28 december 2019, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2019:10797). Er is daarnaast geen rechtsregel is die inhoudt dat de bij het CJIB werkende boa dient te beschikken over een opleiding en certificaat waaruit blijkt dat hij kennis en vaardigheden beschikt om foto's te kunnen uitlezen. Het verweer van de gemachtigde faalt.

13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan de betrokkene terecht een sanctie is opgelegd voor het rijden door rood licht en dat betekent dat de kantonrechter een juiste beslissing heeft genomen door het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren.

14. De gemachtigde verzoekt het hof verder om te bepalen dat de officier van justitie een dwangsom verbeurt, omdat hij te laat op het beroep heeft beslist en er een rechtsgeldige ingebrekestelling is verzonden. De beslistermijn is niet (tijdig) verdaagd. De kantonrechter miskent dit.

15. Artikel 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

1. Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken.

16. In artikel 4:17 van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald:

1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de

aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

(…)

3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. (…)

17. Ingevolge artikel 4:18 van de Awb stelt een bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van een dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom is verschuldigd.

18. Uit de stukken blijkt het volgende. De beschikking is op 27 mei 2016 gegeven. De officier

van justitie heeft uiteindelijk op 3 december 2016 een beslissing op het administratief beroep genomen. Het dossier bevat voorts een aan de CVOM gericht schrijven van de gemachtigde

van 11 november 2016 waarin het volgende is opgenomen:

"Naar aanleiding van een door ondergetekende ingediend administratief beroepschrift d.d.

13 juni 2016 en vanwege het uitblijven van een wettelijke tijdige beslissing uwerzijds binnen

16 weken, ontvangt u dit schrijven mijnerzijds met het verzoek om mijn verzoek namens cliënt om informatie met voortvarendheid (in gebreke) en binnen de daarvoor wettelijke vastgestelde termijn van twee weken te behandelen.

Ik verzoek u namens cliënt het beroepschrift gegrond te verklaren wegens de 16 weken termijnoverschrijding."

19. In het midden latend of de officier van justitie voornoemde beslissing op administratief beroep tijdig heeft genomen, overweegt het hof dat van een schriftelijke ingebrekestelling, zoals omschreven in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, geen sprake is. Het hof heeft reeds in meerdere zaken waarin de gemachtigde als professioneel rechtsbijstandsverlener optrad, overwogen dat vorenomschreven brief die de gemachtigde als ingebrekestelling kwalificeert, niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Uit het dossier blijkt ook niet dat de gemachtigde de officier van justitie anderszins in gebreke heeft gesteld voor het uitblijven van een beslissing op het administratief beroep.

20. Nu de officier van justitie niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:17, derde lid, van de Awb in gebreke is gesteld voor het niet nemen van een beslissing op het administratief beroep, is hij geen dwangsom verschuldigd aan de betrokkene. Gelet hierop heeft de officier van justitie terecht geen beschikking gegeven als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb. De kantonrechter heeft het verzoek tot het vaststellen van een dwangsom dan ook terecht afgewezen.

21. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

22. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.