Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6068

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-07-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
21-003687-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 24.600,-. Aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling van dit bedrag. Het hof bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 984 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003687-17

Uitspraak d.d.: 30 juli 2020

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 5 juli 2017 met parketnummer

16-659745-15 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman,

mr. J.G.M. Dassen, naar voren is gebracht.

Procesgang

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 98.400,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een daaraan gelijk bedrag. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie dit bedrag gehalveerd tot € 49.200,-, ervan uitgaande dat het wederrechtelijk verkregen voordeel gelijkelijk is verdeeld tussen betrokkene en medebetrokkene [medebetrokkene 1] .

De rechtbank heeft het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 41.175,- en heeft aan betrokkene de verplichting opgelegd om datzelfde bedrag aan de Staat te voldoen.

Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 32.800,- en dat aan hem de verplichting tot betaling aan de Staat wordt opgelegd van een daaraan gelijk bedrag.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij arrest van dit hof van 30 juli 2020 (parketnummer 21-003428-17) ter zake van handel in harddrugs veroordeeld tot straffen.

Uit het dossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof in het bijzonder uitgegaan van het Rapport Berekening Wederrechtelijk Verkregen Voordeel van 16 februari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door [hoofdagent] , hoofagent van politie Midden-Nederland, gecontroleerd en medeondertekend door [naam] , financieel specialist Tactische Opsporing van voornoemde Politie Eenheid, hierna te noemen 'rapport'.

Betrokkene heeft over zijn aandeel in de drugshandel en het daarmee behaalde voordeel ter zitting van het hof verklaard dat hij op verzoek van een groepje drugsdealers met enige regelmaat drugs bracht naar afnemers die dat eerder bij (één van) de dealers besteld hadden. Betrokkene kreeg daarvoor een tientje per afgeleverde bestelling of drugs met een waarde van ongeveer een tientje per afgeleverde bestelling. De raadsman komt op grond van deze verklaring van betrokkene tot een bedrag van ruim € 7.000,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof acht deze verklaring van betrokkene niet betrouwbaar. Uit in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat betrokkene vanaf het moment van de telefonische bestelling van de drugs tot aan het afleveren en betalen daarvan betrokken was. Het hof stelt vast dat het daardoor betrokkenes verklaring op het punt van het door hem verkregen voordeel eveneens niet geloofwaardig en betrouwbaar acht.

Gelet hierop volgt het hof de in het rapport verantwoorde berekening integraal. Deze laat zich als volgt samenvatten.

De periode van 27 mei 2015 tot en met 22 oktober 2015 vormt het uitgangspunt voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit (beperkte) tijdvak van 148 dagen is gekozen vanwege de van die periode beschikbare historische verkeersgegevens.

Vier telefoonnummers waarmee drugsdeals tot stand zijn gekomen, te weten [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] kunnen in verband worden gebracht met strafbare handelingen van de betrokkene. Anders dan de rechtbank zal het hof uitgaan van de met al deze nummers tot stand gekomen deals, nu betrokkene deel heeft uitgemaakt van een groter samenwerkingsverband en het hof geen aanleiding ziet om telefoonnummers, waarvan betrokkene - wellicht en al dan niet bij toeval - geen gebruik heeft gemaakt buiten de berekening te laten.

De met genoemde telefoonnummers gevoerde gesprekken zijn alle onderzocht. Uitgaande van de aanname dat voor de totstandkoming en afhandeling van één deal vier gesprekken nodig zijn, wordt in het rapport tot een gemiddeld aantal deals van 38 per dag gekomen.

Op basis van de verklaringen van gebruikers wordt uitgegaan van een bestelde hoeveelheid van 0,7 gram cocaïne per keer.

Het vorenstaande levert de navolgende tussenberekening op:

148 dagen x 38 deals x 0,7 gram = 3.936 gram cocaïne in totaal. De gebruikers betaalden, zo blijkt uit hun verklaringen, gemiddeld genomen € 50,- per gram. Dit leidt tot een bruto winst van € 196.800,-.

Het rapport gaat uit van een inkoopprijs van € 25,- per gram. Voor een verantwoording van dit bedrag wordt verwezen naar hetgeen daarover op pagina 8 van het rapport is opgenomen. Dit brengt mee dat de helft van voornoemd bedrag van € 196.800,- aan inkoopkosten in mindering moet worden gebracht. Er resteert dan een netto winst van € 98.400,-.

Het hof gaat, zoals gezegd, uit van een samenwerkingsverband dat uit meer personen dan [medebetrokkene 1] en [verdachte] heeft bestaan. In het dossier zijn aanwijzingen voor betrokkenheid van vier personen. Deze aanname dient naar het oordeel niet alleen te leiden tot - zoals reeds uiteengezet - het betrekken van alle gebruikte telefoonnummers in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar ook - in het voordeel van betrokkene - tot het hanteren van een andere verdeelsleutel dan door de rechtbank is gedaan. Uit het vorenstaande volgt dat het hof 25% van het wederrechtelijk verkregen voordeel van

€ 98.400,-, zal toerekenen aan betrokkene. Zijn voordeel wordt derhalve geschat op een bedrag van € 24.600,-.

De verplichting tot betaling aan de Staat

Het vorenstaande leidt ertoe dat aan de betrokkene, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat tot voornoemd bedrag van € 24.600,-.

Gijzeling

Het hof zal toepassing geven aan artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur van de gijzeling wordt voor elke volle 25 euro van het opgelegde bedrag maximaal één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste drie jaren.

Het voorgaande brengt mee dat het hof, gelet op de hoogte van het bedrag dat betrokkene aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te betalen, de duur van de gijzeling die kan worden gevorderd bepaalt op ten hoogste 984 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 24.600,00 (vierentwintigduizend zeshonderd euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 24.600,00 (vierentwintigduizend zeshonderd euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 984 dagen.

Aldus gewezen door

mr. A.J. Rietveld, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 30 juli 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. de Witt is buiten staat dit arrest te ondertekenen.