Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5787

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-07-2020
Datum publicatie
22-07-2020
Zaaknummer
200.279.813
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:460, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1 Fw

Artikel 3:37 BW

Artikel 15b Fw

Bekrachtiging afwijzing verzet (tevens inhoudende verzoek om toepassing WSNP) tegen faillietverklaring. Griffiersbrief. Omzetting faillissement?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.279.813

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 248699)

arrest van 20 juli 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant, hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. H.J.M. van Denderen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde, hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.G.M. Stassen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Op 7 april 2020 heeft [geïntimeerde] de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), verzocht om [appellant] failliet te verklaren.

1.2

De rechtbank heeft [appellant] bij aangetekende brief van 7 april 2020 (hierna: de brief van 7 april 2020) opgeroepen op het adres [a-straat 1] in [A] voor de schriftelijke behandeling van het faillissementsverzoek op 13 mei 2020 en heeft hem in die brief erop gewezen dat hij binnen 14 dagen een schuldsaneringsverzoek kan indienen.

1.3

Bij vonnis van 13 mei 2020 heeft de rechtbank [appellant] in staat van faillissement verklaard, omdat [appellant] het vorderingsrecht van [geïntimeerde] niet heeft betwist, hij andere schulden onbetaald laat en omdat summierlijk is gebleken dat hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Van dat vonnis is [appellant] op 26 mei 2020 in verzet gekomen. Daarbij heeft hij een schuldsaneringsverzoek ingediend.

1.4

Bij vonnis van 12 juni 2020 heeft de rechtbank het verzet van [appellant] afgewezen.
Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 19 juni 2020 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 12 juni 2020. [appellant] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en het verzoek van [geïntimeerde] tot faillietverklaring alsnog af te wijzen en hem toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, kosten rechtens.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift in hoger beroep met bijlagen,

- het op 26 juni 2020 van mr. Van Denderen ontvangen proces-verbaal van de zitting bij de
rechtbank op 10 juni 2020,

- de brief met bijlagen van 7 juli 2020 van de curator en

- het van mr. Van Denderen op 9 juli 2020 ontvangen door mr. Stassen namens [geïntimeerde]
ingediende verweerschrift met bijlagen in de bij de rechtbank gevoerde verzet-procedure.

Daarnaast heeft het hof op zijn verzoek op 25 juni 2020 en 3 juli 2020 per e-mail stukken van de rechtbank ontvangen. Deze stukken zijn in afschrift verzonden aan mrs. Van Denderen en Stassen en de curator.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juli 2020. [appellant] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Denderen. Verder is [geïntimeerde] verschenen, bijgestaan door mr. Stassen, die het woord heeft gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Ook de curator is verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Bij vonnis van 12 juni 2020 is het ingestelde verzet van [appellant] afgewezen. Aan dat vonnis is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende ten grondslag gelegd:
i. het faillissement is op 13 mei 2020 terecht en op goede gronden uitgesproken, nu [appellant] in verzet geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd, de faillissementssituatie heeft erkend en gebleken is dat hij deugdelijk (bij deurwaardersexploot van 21 april 2020) is opgeroepen voor de inhoudelijke behandeling,
ii. omdat het faillissement terecht is uitgesproken op 13 mei 2020 is de behandeling gesloten en komt aan het schuldsaneringsverzoek geen schorsende werking meer toe,
iii. een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling na een eenmaal uitgesproken faillissement is slechts mogelijk binnen de grenzen van artikel 15b van de Faillissementswet (hierna: Fw).

3.2

Het hof stelt allereerst vast dat [appellant] geen inhoudelijke bezwaren heeft gericht tegen het oordeel dat aan de voorwaarden voor faillietverklaring is voldaan.

3.3

[appellant] stelt echter dat de rechtbank dat faillissement niet had mogen uitspreken, omdat het door hem onbenut laten van de mogelijkheid om ter afwering daarvan een schuldsaneringsverzoek in te dienen hem niet kan worden aangerekend.
In de kern voert [appellant] hiertoe het volgende aan. Op het adres waarop hij sinds februari 2020 woont (een flatwoning aan de [a-straat 1] , [A] ) wonen nog drie andere personen. De voor alle bewoners van de flatwoning bestemde post komt op een centrale plek (een postbus in de hal) binnen. Iedere bewoner heeft een sleutel van die postbus en neemt van daaruit zijn eigen post mee. [appellant] heeft geen kennis kunnen nemen van de aangetekend verzonden brief van de rechtbank van 7 april 2020 en evenmin van de berichten die PostNL heeft achtergelaten, nadat de brief van 7 april 2020 op 8 april en 9 april 2020 op zijn huisadres werd aangeboden en beide keren niet in ontvangst werd genomen.
Op enig moment daarna kwam hij erachter dat een medebewoner (wiens naam hij niet kent) stelselmatig correspondentie van deurwaarders en officiële instanties heeft weggegooid. [appellant] neemt aan dat deze bewoner er ook verantwoordelijk voor is geweest dat hij de voor hem bestemde stukken van de rechtbank, de door [geïntimeerde] ingeschakelde gerechtsdeurwaarder en PostNL niet in de postbus heeft aangetroffen.
Indien hij wél op de hoogte zou zijn geweest van de mogelijkheid om ter voorkoming van zijn faillissement een schuldsaneringsverzoek in te dienen, had hij daar zeker gebruik van gemaakt, aldus [appellant] .

3.4

Ter beantwoording van de vraag of de griffiersbrief [appellant] heeft bereikt neemt het hof tot uitgangspunt de uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 20131. In deze uitspraak wordt met verwijzing naar artikel 3:37 BW geoordeeld dat indien de ontvangst van een schriftelijke verklaring wordt betwist, een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg meebrengt dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde daar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring daar is aangekomen.
In beginsel kan als adres in die zin onder meer worden aangemerkt het adres waarvan de afzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze daar door hem kon worden bereikt, zoals bijvoorbeeld de postbus, het e-mailadres of een ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt.
3.5 Niet in debat is dat [appellant] zich op 25 februari 2020 heeft gevestigd op het adres [a-straat 1] te [A] (zie ook het uittreksel BRP van de gemeente [A] ) en dat hij nog steeds op dat adres woont. Op grond van de gegevens van PostNL (Track&Trace) en de (gegevens op de) aan de rechtbank retour gezonden envelop met de brief van 7 april 2020 staat voldoende vast dat deze op 8 en 9 april 2020 telkens is aangeboden op het woonadres van [appellant] , dat daarna een afhaalbericht is achtergelaten en dat daarin meegedeeld is dat de brief tot 25 april 2020 kon worden afgehaald (op een PostNL-Punt).

3.6

Op grond van deze feiten kan aangenomen worden dat de brief van de rechtbank van
7 april 2020 [appellant] hem heeft bereikt op de wijze zoals bedoeld in artikel 3:37 BW. Daarmee is het hof van oordeel dat [appellant] had kunnen weten van (de datum van de faillissementszitting en van) de mogelijkheid om, ter afwering van het faillissementsverzoek, een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen.
Dat [appellant] volgens zijn stellingen met de andere huurders van zijn flatwoning ervoor heeft gekozen de post op een centrale plek te laten binnenkomen en dat hij (volgens zijn zeggen) door toedoen van één van die huurders de brief van 7 april 2020 en de afhaalberichten van PostNL niet heeft ontvangen, komt voor zijn rekening en risico en kan hem dus niet baten.

3.7

[appellant] kan (thans) evenmin op grond van artikel 15b Fw het faillissement laten omzetten in een schuldsaneringsregeling. Bij artikel 15b Fw is immers uitgangspunt dat de gefailleerde door niet aan hem toe te rekenen omstandigheden niet om toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft verzocht. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake.

3.8

Het hoger beroep faalt; de overige stellingen van [appellant] behoeven geen bespreking, nu die niet leiden tot een ander resultaat. Het vonnis van 12 juni 2020 zal worden bekrachtigd.
4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 12 juni 2020;

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, B.J. Engberts en H. Wammes, en is op 20 juli 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1 HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104.