Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5637

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-07-2020
Datum publicatie
31-07-2020
Zaaknummer
19/00459
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:892, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Specifieke zorgkosten. Dieetkosten. Vervoerskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 31-07-2020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

Nummer 19/00459

Uitspraakdatum:

Uitspraak van de vijfde meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heer [X] te [Z],

(hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 maart 2019, nummer AWB 18/4582, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2015 de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag en de belastingrente verminderd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het Hof heeft partijen bij aangetekend verzonden brief van 12 mei 2020 op de hoogte gesteld van het voornemen van het Hof zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen. Partijen zijn in die brief gewezen op het recht ter zitting te worden gehoord. Voorts is daarin meegedeeld dat als partijen niet binnen twee weken op die brief reageren, het Hof ervan zal uitgaan dat partijen geen onderzoek ter zitting wensen. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de hiervoor bedoelde brief aan elk van de partijen op het van hen bij het Hof bekende adres is uitgereikt. Geen van de partijen heeft het Hof verzocht om een zitting.

Het Hof heeft vervolgens, gelet op het bepaalde in artikel 8:57 Algemene wet bestuursrecht, beslist dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is in 2015 gehuwd. Op zijn verzoek is op 15 september 2015 een voorlopige teruggaaf IB/PVV 2015 verleend.

2.2.

Belanghebbende en zijn echtgenote hebben gezamenlijk de aangifte IB/PVV over het jaar 2015 (hierna: de aangifte) ingediend. Daarin hebben zij een bedrag van € 5.775 aan specifieke zorgkosten aangegeven. Belanghebbende heeft daarvan € 2.775 voor zichzelf in aftrek gebracht en de rest bij zijn echtgenote.

2.3.

De behandeling van de aangifte heeft de Inspecteur aanleiding gegeven belanghebbende op 2 mei 2017 een vragenbrief te sturen waarin hem is gevraagd informatie en bewijsstukken te verstrekken ter zake van de in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten. De door belanghebbende verstrekte informatie en daarbij gevoegde bewijsstukken heeft de Inspecteur op 24 mei 2017 ontvangen.

2.4.

In de brief van 6 juni 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd over zijn voornemen de aanslag vast te stellen in afwijking van de aangifte, in die zin dat geen aftrek van specifieke zorgkosten wordt verleend en gelegenheid gegeven voor 20 juni 2017 te reageren. Belanghebbende heeft bij brief van 14 juni 2017, bij de Inspecteur binnengekomen op 19 juni 2017, gereageerd en verwezen naar de reeds verstrekte informatie en bewijsstukken. Met dagtekening 7 juli 2017 is de aanslag opgelegd, waarbij de aftrek van de specifieke zorgkosten is gecorrigeerd. Daartegen heeft belanghebbende tijdig bezwaar gemaakt.

2.5.

Bij zijn uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de door belanghebbenden aangegeven aftrek voor speciale zorgkosten deels verleend. De specificatie is als volgt:

Omschrijving kosten

Aangifte

Na bezwaar

Kosten medicijnen

€ 24

€ 0

Uitgaven voor hulpmiddelen

€ 20

€ 20

Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit

€ 3.500

€ 263

Dieetkosten

€ 2.050

€ 0

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 620

€ 620

Genees- en heelkundige hulp

€ 75

€ 0

Reiskosten ziekenbezoek

€ 169

€ 0

Verhoging specifieke zorgkosten

€ 0

€ 362

Totale uitgaven

€ 6.458

€ 1.322

Af: drempel

€ 683

€ 683

Totaal aftrekbare bedrag

€ 5.775

€ 639

Af: de echtgenote van belanghebbende

€ 3.000

€ 0

Aftrek belanghebbende

€ 2.775

€ 639

2.6.

Aan belanghebbende is de aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.570. Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag verminderd naar een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.931.

3 Geschil

In geschil is of de Inspecteur terecht de aftrek van specifieke zorgkosten betreffende dieetkosten en uitgaven vervoer in verband met ziekte of invaliditeit heeft gecorrigeerd.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

Belanghebbende beklaagt zich erover standpunten en onderbouwingen te hebben aangevoerd, die niet zijn terug te vinden in de uitspraken van de Inspecteur en de Rechtbank. Dat, zo stelt belanghebbende, geeft hem te denken of zijn stukken wel goed zijn gelezen en dat is al een reden om hoger beroep aan te tekenen. Belanghebbende stelt op de vragen van de Inspecteur aan hem informatie en bewijsstukken te hebben toegezonden. De Inspecteur voert in zijn verweer aan dat belanghebbende niet op zijn informatieverzoeken heeft gereageerd. Het Hof stelt vast dat uit de door de Inspecteur overgelegde gedingstukken, zie 2.3 en 2.4, blijkt dat belanghebbende wel die informatieverzoeken heeft beantwoord. Aangezien de Inspecteur bij zijn uitspraak op bezwaar de door belanghebbende verstrekte gegevens wel heeft betrokken, is er geen belang verder nog op de klacht van belanghebbende in te gaan.

4.2.

Voorts wijst belanghebbende erop dat de Rechtbank ten onrechte in het beroep een verzoek om vermindering van de aanslag op grond van betalingsproblemen heeft gelezen. Het Hof stelt vast dat belanghebbende daarom ook niet heeft verzocht. Hij heeft in stukken wel verzocht om uitstel van betaling en de mogelijkheid voor gespreide betaling van de aanslag. Deze stukken zijn door de Rechtbank doorgezonden aan de Inspecteur. Uit de, door belanghebbende overgelegde, bij de Belastingdienst ingediende klacht begrijpt het Hof dat geen uitstel van betaling is verleend, maar dat het op de aanslag te betalen bedrag via beslag op de bankrekening is ingevorderd. Het Hof overweegt in navolging van de Rechtbank dat de belastingrechter de hoogte van de aanslag op grond van de wet en regelgeving dient vast te stellen en dat hij niet bevoegd is te oordelen over de (wijze van) invordering van belastingschulden. Het Hof komt dus niet toe aan een behandeling van deze stelling.

Ten aanzien van het geschil

4.3.

Op grond van artikel 6.1, lid 2, onderdeel d, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) behoren tot de persoonsgebonden aftrekposten uitgaven voor specifieke zorgkosten. In artikel 6.17, lid 1, Wet IB is bepaald dat tussen deze uitgaven en de ziekte of invaliditeit een direct verband moet bestaan. Het gaat om belasting verminderende feiten, zodat de bewijslast voor de aftrek van de opgevoerde zorgkosten op belanghebbende rust. Dat betekent dat hij feiten en omstandigheden moet stellen en bij betwisting door de Inspecteur aannemelijk moet maken dat en tot welk bedrag specifieke zorgkosten zijn gemaakt. De bewijslast geldt voor ieder jaar afzonderlijk. Overgelegde stukken uit andere jaren dan het desbetreffende belastingjaar, hier 2015, zijn derhalve niet relevant en aan eerdere aanslagen kan dus ook geen vertrouwen worden ontleend. Dat is slechts anders indien de Inspecteur met betrekking tot bepaalde kostenposten het vertrouwen heeft gewekt dat deze aftrekbaar zijn. Ook voor een beroep op het vertrouwensbeginsel ligt de bewijslast bij belanghebbende.

4.4.

Ter zake van de aftrek voor dieetkosten heeft de Rechtbank het volgende overwogen:

‘12. Op grond van artikel 6.17, eerste lid onder f, van de Wet IB 2001 zijn de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet aftrekbaar tot een bedrag bepaald bij ministeriële regeling. Op de belastingplichtige, die de aftrek claimt, rust de bewijslast aannemelijk te maken dat op medisch voorschrift een dieet is gevolgd dat wordt genoemd in artikel 37, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling). De belastingplichtige dient desgevraagd voor elk jaar aannemelijk te maken dat voldaan is aan de voorwaarden voor dieetkostenaftrek (vgl. Gerechtshof Amsterdam 5 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1708). Eiser heeft daartoe een verklaring overgelegd van 18 mei 2017 waarin de huisarts het volgende vermeldt:

‘Hierbij deel ik u mee dat [X] sedert jaren een dieetadvies heeft ivm recidiverende nierstenen en in de voorgeschiedenis een maagbloeding.’

Een door de huisarts ondertekende verklaring van 1 september 2005 bevat dezelfde inhoud als de hiervoor genoemde verklaring.

13. Naar het oordeel van rechtbank voldoen de door eiser overgelegde verklaringen niet aan artikel 37, vijfde lid van de Uitvoeringsregeling omdat de dieettypering van het voorgeschreven dieet ontbreekt. Daarnaast ontbreekt ook de ingangsdatum en de einddatum van het te volgen dieet. Eiser en zijn echtgenote hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in 2015 op medisch voorschrift een dieet is gevolgd dat voorkomt op de lijst van artikel 37, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling.

14. De stelling van eiser dat verweerder de aftrek van dieetkosten in eerdere jaren heeft goedgekeurd, is niet onderbouwd. Bovendien moet eiser desgevraagd voor elk jaar aannemelijk maken dat voldaan is aan de voorwaarden voor dieetkostenaftrek. Een eventuele goedkeuring in een eerder jaar is niet doorslaggevend voor de beoordeling. Verweerder heeft dus terecht de aftrek van de dieetkosten geweigerd.’

4.5.

Belanghebbende stelt dat het dieetadvies van zijn echtgenote sedert jaren een energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en natriumbeperkt dieet betreft en dat zij vanaf haar 19e jaar haar hele leven dieet heeft moeten houden. Daaraan voegt hij toe dat de belastingrechter een aantal jaren geleden de aftrek wel heeft goedgekeurd, maar dat de Belastingdienst nu een nieuw formulier gebruikt voor de dieetverklaring en dat de huisarts niet bereid is de hele dag formulieren in te vullen. De Inspecteur betoogt dat de aftrek terecht is afgewezen omdat uit de dieetverklaringen niet blijkt welke diëten zijn voorgeschreven en dat geen sprake is van schending van opgewekt vertrouwen. In dat kader deelt de Inspecteur mee dat de aangiften van belanghebbende van voorgaande jaren niet zijn gecontroleerd, dat nooit eerder een dieetbevestiging is overgelegd en dat hij ter zake van de aftrek van dieetkosten eerder geen bewust standpunt heeft ingenomen.

4.6.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden heeft beslist dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in 2015 sprake is van een door zijn echtgenote gevolgd medisch voorschreven dieet, omschreven met de dieettypering dat op de van toepassing zijnde dieetkostenlijst is genoemd en evenmin van opgewekt vertrouwen ter zake van een aftrek voor dieetkosten en maakt deze gronden tot de zijne. Belanghebbende komt niet in aanmerking voor een aftrek van dieetkosten.

4.7.

Betreffende de aftrek voor vervoerskosten heeft de Rechtbank als volgt overwogen:

‘6. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001, zijn uitgaven voor vervoer, die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan, aftrekbaar. Onder vervoerskosten vallen uitgaven voor bezoek aan medische hulpverleners of voor het ondergaan van een medische behandeling. Verder kan het ook gaan om overige op de belastingplichtige drukkende kosten van vervoer voor zover die kosten meer bedragen dan de vervoerskosten van andere belastingplichtigen die niet ziek of invalide zijn maar overigens in dezelfde financiële en maatschappelijke positie verkeren als de belastingplichtige (ook wel ‘maatman’ genoemd).

8. Eiser heeft € 3.500 aan vervoerskosten wegens ziekte en invaliditeit opgevoerd. Het gaat hier -naar de rechtbank uit de gedingstukken begrijpt- niet alleen om de kosten die rechtstreeks verband houden met een medische behandeling of het bezoeken van een arts, maar ook om kosten voor het overige gebruik van een auto (hierna: de overige vervoerskosten).

9. Verweerder heeft op basis van de door eiser overlegde afspraakkaarten vastgesteld dat eiser twaalf afspraken heeft gehad bij het [ziekenhuis] in [A] , [B] en [C] . Uitgaande van een kilometerprijs van € 0,35 komt verweerder op een aftrekbaar bedrag van € 183. Volgens verweerder is de toegelaten aftrek van € 263 dus eerder te hoog dan te laag vastgesteld. Eiser heeft geen gegevens overgelegd waaruit kan worden vastgesteld dat hij en zijn echtgenote in 2015 vaker voor medische behandelingen hebben gereisd. De enkele stelling van eiser dat dit wel zo is, acht de rechtbank onvoldoende.’

4.8.

Belanghebbende stelt meer ‘reiskosten ziekenhuis’ te hebben gemaakt dan is af te leiden uit de afspraakkaarten, omdat heel vaak afspraken daarop niet worden genoteerd. Hij heeft overzichten overgelegd van de zorgverzekeraar over in 2015 aan hem en zijn echtgenote verstrekte zorg. De Inspecteur handhaaft zijn standpunt dat de toegelaten aftrek eerder te hoog dan te laag is.

4.9.

Gezien de geschetste gezondheidstoestand van belanghebbende en zijn echtgenote acht het Hof het voorstelbaar dat hij en zijn echtgenote (veel) meer kosten voor bezoeken aan en behandeling door zorgverleners hebben gehad. Belanghebbende heeft echter geen begin van bewijs ingebracht hoeveel meer bezoeken en daarmee gemoeide kilometers en kosten dat betreft, zodat een hogere aftrek dan door de Inspecteur is verleend, niet is vast te stellen.

4.10.

De Rechtbank heeft over de aftrek van de overige vervoerskosten als volgt overwogen:

‘10. Voor aftrek van de overige vervoerskosten geldt dat eiser aannemelijk dient te maken dat hij hogere vervoerskosten heeft gemaakt dan gezonde en valide mensen in vergelijkbare financiële en maatschappelijke omstandigheden. Eiser onderbouwt de aftrek van € 3.500 met een verwijzing naar de website van het Nibud. Hij stelt verder dat door de vele bezoeken aan het ziekenhuis vanwege drie chronisch zieke gezinsleden de kosten voor het houden van een auto hoger zijn dan bij een gemiddeld gezin zonder zieke gezinsleden. De rechtbank stelt voorop dat het voor het vaststellen van de overige vervoerskosten nodig is zowel de werkelijke vervoerskosten van eiser vast te stellen, als de vervoerskosten van met eiser vergelijkbare personen. De bewijslast rust in deze op eiser. De rechtbank stelt vast dat de website van het Nibud een indicatie geeft van de kosten van de maatman. Eiser heeft echter geen informatie verschaft op grond waarvan zijn werkelijke vervoerskosten kunnen worden vastgesteld. Eiser heeft de door hem gestelde aftrek voor vervoer dan ook niet aannemelijk gemaakt.

11. De stelling van eiser dat verweerder de aftrek van (overige) vervoerskosten in eerdere jaren heeft goedgekeurd, is niet onderbouwd, terwijl verweerder dit heeft betwist. Daarom is niet aannemelijk dat sprake is geweest van goedkeuring en ook niet van gewekt vertrouwen. Verweerder heeft dus terecht de vervoerskosten gecorrigeerd naar € 263.’

4.11.

Met betrekking tot die ‘overige vervoerskosten’ verwijst belanghebbende in hoger beroep wederom naar de website van het Nibud en herhaalt dat daarop overzichten zijn vermeld, ‘waarin de bedragen staan voor aftrek auto, die gelden voor mijn situatie’. Hierbij geeft hij de volgende uitleg. Belanghebbende heeft in het dagelijks leven overal een auto voor nodig en daarmee zijn er meerkosten in verband met een auto ten opzichte van een gezond gezin. Als belanghebbende, zijn echtgenote en inwonende zoon gezond waren geweest, dan hadden zij met het openbaar vervoer kunnen reizen. Noodzakelijkerwijs heeft belanghebbende gekozen voor het privé-leasen van een automaat, omdat het erg belangrijk is een betrouwbare auto te hebben en hij vanwege de handicap aan zijn linkerbeen niet veilig kan schakelen. Belanghebbende voert aan dat de leasekosten € 330 per maand bedragen en dat de meerkosten van een automaat € 130 per maand, en dus € 1.560 per jaar, zijn. Hij handhaaft zijn standpunt dat het bedrag van € 3.500 aftrekbaar is.

4.12.

De Inspecteur betoogt dat hij in het geval van belanghebbende niet kan beoordelen of sprake is van extra vervoerskosten in verband met ziekte en invaliditeit in vergelijking met een andere belastingplichtige in dezelfde persoonlijke situatie, maar waar geen sprake is van ziekte. Een berekening van de gemaakte vervoerskosten of van de geclaimde aftrek heeft belanghebbende niet verstrekt.

4.13.

Het Hof stelt vast dat belanghebbende in hoger beroep wel enige cijfermatige informatie over de door hem gedane uitgaven aan autokosten heeft gegeven, maar een berekening van de opgevoerde vervoersuitgaven van € 3.500 ontbreekt. Zoals de Rechtbank, naar het oordeel van het Hof, terecht heeft overwogen is voor het bepalen van de aftrek voor dergelijke extra vervoerskosten nodig dat zowel (het bedrag van) de werkelijk gemaakte vervoerskosten van (het gezin van) belanghebbende wordt vastgesteld, als dat van de vervoerskosten van een daarmee vergelijkbaar gezin zonder zieke gezinsleden. Die gegevens heeft belanghebbende niet verstrekt. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden heeft beslist dat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat hij en zijn echtgenote in 2015 overige vervoerskosten wegens ziekte en invaliditeit hebben gemaakt, noch dat in dat kader sprake is van opgewekt vertrouwen en maakt die gronden tot de zijne.

4.14.

Het Hof geeft belanghebbende voor de toekomst mee, dat aftrek voor de kostenposten die belanghebbende in aanmerking wil nemen, niet bij voorbaat onmogelijk is. Maar hij moet voor die aftrek een berekening en voldoende bewijsstukken ter onderbouwing aanleveren. In dit dossier zijn geen berekening en te weinig stukken ingebracht om een aftrek te kunnen verlenen.

Slotsom

4.15.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. P.C. van der Vegt, leden, in tegenwoordigheid van drs. M.J.G. Letschert, als griffier.

De beslissing is op in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. Daarom is deze uitspraak alleen ondertekend door mr. A.J. Kromhout.

Mr. A.J. Kromhout

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op:

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.