Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5461

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-07-2020
Datum publicatie
15-07-2020
Zaaknummer
200.254.591
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurder van een zorgverlener-BV heeft onrechtmatig jegens drie gemeenten gehandeld doordat ‘zijn’ BV vanaf 2016 tot het faillissement van die BV zorgverlening bij de gemeenten heeft gedeclareerd die niet daadwerkelijk was verleend, daarmee in strijd heeft gehandeld met raamovereenkomsten die met de gemeenten waren gesloten en het onterecht declareren door de BV in dit geval (zie arrest) persoonlijk ernstig aan de bestuurder valt te verwijten.

Maar er is geen aansprakelijkheid jegens de gemeenten voor eventueel in 2015 onterecht gedeclareerde trekkingsrechten uit pgb’s omdat het daarbij ging om trekkingsrechten op de SVB, zodat van onrechtmatigheid jegens de gemeenten niet is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.254.591

(zaaknummer rechtbank Gelderland NL 17.12155)

arrest van 14 juli 2020

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersonen

1. Gemeente Tiel,

zetelend te Tiel,

2. Gemeente Buren,

zetelend te Maurik,

3. Gemeente Neder-Betuwe,

zetelend te Opheusden,

appellanten,

in eerste aanleg: eiseressen van de vordering, verweersters op de tegenvordering,

hierna gezamenlijk: de Gemeenten,

advocaat: mr. R.A.M. Saedt,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: verweerder op de vordering, eiser op de tegenvordering,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. T.H.G. Robbe.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
30 augustus 2018 dat de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem heeft gewezen (ECLI:NL:RBGEL:2018:3728).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 29 november 2018,

- de memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging van eis (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- de schriftelijke pleidooien volgens de pleitnotities van mrs. Saedt en Robbe van 22 oktober 2019.

2.2

Na de pleidooien hebben partijen de processtukken aan het hof gegeven en heeft het hof arrest bepaald.

3 De achtergrond

3.1

In hoger beroep is iedereen het eens over de feiten die de rechtbank had opgeschreven in het vonnis van 30 augustus 2018 (onder 1.4 t/m 1.15). Beide partijen hebben elk zelf de feiten, zoals zij die zien, in hun memories nog eens integraal uiteengezet. Met hun aanvulling van de feiten komen zij echter ook terecht in het debat tussen partijen. Het hof zal daarom uitgaan van de feiten die de rechtbank in het vonnis opnam en de aanvullende feiten waar nodig in zijn beoordeling van het hoger beroep betrekken.

De feiten waarvan het hof zal uitgaan komen samengevat op het volgende neer.

3.2

[geïntimeerde] was als bestuurder werkzaam bij de Stichting Job Lanceer (hierna: Job Lanceer), in 2011 door hem opgericht. Job Lanceer was een zorgaanbieder die woonbegeleiding en dagbesteding aanbood aan jongeren en (jong)volwassenen met een verstandelijke beperking, psychiatrische hulpvraag of verslavingsproblematiek.
Tot 1 oktober 2015 was [geïntimeerde] enig bestuurder. Daarna kwam [B] er als bestuurder bij. Job Lanceer is bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 5 december 2017 failliet verklaard.

Onder de op 1 januari 2015 ingevoerde Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) heeft Job Lanceer in 2015 zorg verleend aan patiënten met een persoonsgebonden budget (‘pgb’), waarmee zij zorg of ondersteuning konden inkopen. Met ingang van

1 januari 2016 leverde Job Lanceer ook zorg aan cliënten op basis van zorg in natura (‘ZIN’) onder een met de Gemeenten gesloten (op de partijnamen na) gelijkluidende raamovereenkomst. Daarop zijn de VNG Model Algemene Inkoopvoorwaarden voor leveringen en diensten (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing.

3.3

In 2016 heeft de WMO-toezichthouder van de Gemeente Tiel, GGD Gelderland-Zuid (hierna: de GGD), een onderzoek ingesteld naar Job Lanceer en daarover op
20 september 2016 een rapport uitgebracht. Daarin legde de GGD haar oordeel over de kwaliteit van het aanbod van Job Lanceer neer. Het oordeel omvatte successen en verbeterpunten. Onder de successen valt op dat de cliënten bij Job Lanceer centraal stonden en begeleiding op maat werd geboden. Medewerkers toonden een grote mate van flexibiliteit en creativiteit in het leveren van zorg aan cliënten met een complexe problematiek, voor wie dit vaak een laatste kans was om hun leven weer op de rails te krijgen. De verbeterpunten betroffen de veiligheid van cliënten, de aanpak van de zorg die meer gestructureerd en planmatiger moest worden en de kwaliteit van de organisatie inclusief de daaraan verbonden medewerkers. Tevens diende intimiderend gedrag van de bestuurder volgens het rapport te worden voorkomen.

3.4

De Gemeente Tiel heeft in de bevindingen van de GGD aanleiding gezien om
Job Lanceer bij brief van 25 oktober 2016 wegens het niet voldoen aan de eisen uit de raamovereenkomst in gebreke te stellen tegen 15 december 2016. Uiterlijk per die datum diende zij een SMART geformuleerd verbeterplan aan te bieden aan de GGD, waarin stond hoe de door de GGD genoemde verbetermaatregelen waren of zouden worden opgepakt.
De Gemeente Tiel voegde bij haar brief een Bijlage 1 waarin de eisen uit de Offerteaanvraag Inkoop 2016 Wmo en Jeugdwet d.d. 5 oktober 2015 (hierna: de offerteaanvraag), waaraan volgens de verbeterpunten niet werd voldaan, stonden vermeld. Job Lanceer heeft vervolgens een ‘Plan van aanpak verbeterplan Stichting Job Lanceer’ opgesteld en dit op 14 december 2016 ingediend. Volgens het vervolgonderzoek en rapport van de GGD d.d. 5 oktober 2017 naar aanleiding van dit verbeterplan echter werden door Job Lanceer 26 van de 29 verbeterpunten niet behaald.

3.5

De Gemeente Tiel gaf tevens opdracht aan de Sociale Recherche Regio Rivierenland (hierna: de Sociale Recherche) om onderzoek te doen naar de besteding van zorggelden door Job Lanceer. De Sociale Recherche heeft verklaringen afgenomen van (oud-)cliënten en (oud-)medewerkers van Job Lanceer en daarvan verslag gelegd in de Bestuurlijke Rapportage verstrekt op 5 oktober 2017. In verklaringen wordt onder meer vermeld dat de indicaties altijd volledig werden gedeclareerd, ook als de uren zorg niet (volledig) geleverd werden.

De Gemeenten, die over de periode van 1 januari 2015 t/m augustus 2017 een bedrag van
in totaal € 1.134.859,33 aan Job Lanceer betaalden, hebben aanleiding gezien Job Lanceer en [geïntimeerde] hierop in rechte aan te spreken en ook conservatoir beslag te leggen op hun vermogensbestanddelen.

3.6

De raamovereenkomsten zijn na 2017 niet door de Gemeenten verlengd.

4 Beschrijving van het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

De Gemeenten hebben in eerste aanleg (in conventie) – na vermeerdering van eis –

kort samengevat gevorderd dat de rechtbank zou verklaren dat Job Lanceer wanprestatie pleegde in de nakoming van de raamovereenkomsten en dat [geïntimeerde] onrechtmatig handelde jegens de Gemeenten. Zij vorderden hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het bedrag van in totaal € 1.134.859,33 dat zij aan Job Lanceer sinds 2015 uitbetaalden, hetzij indirect via de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op grond van uitgekeerde pgb’s hetzij rechtstreeks op grond van declaraties uit hoofde van de raamovereenkomsten. Voor de Gemeente Tiel gaat het daarbij om een bedrag van € 1.015.514,93, voor de Gemeente Buren om een bedrag van € 14.873,30 en voor de Gemeente Neder-Betuwe om een bedrag van € 104.471,10. Daarnaast vorderden de Gemeenten vergoeding van de wettelijke rente en veroordeling van Job Lanceer en [geïntimeerde] in de proceskosten waaronder de beslagkosten.

4.2

Vanwege het faillissement van Job Lanceer zijn de vorderingen van de Gemeenten jegens Job Lanceer in eerste aanleg niet beoordeeld.

4.3

[geïntimeerde] heeft als tegenvordering (in reconventie) kort samengevat gevorderd dat de rechtbank voor recht zou verklaren dat de Gemeenten onrechtmatig jegens hem handelden door zich publiekelijk negatief over hem uit te laten en daarmee zijn eer en goede naam te schaden en door het leggen van onnodige beslagen op zijn vermogensbestanddelen en eenmanszaken, met vergoeding van de daardoor door hem geleden schade, nader op te maken bij staat, en vermeerderd met rente en kosten.

4.4

De rechtbank heeft bij vonnis van 30 augustus 2018 de vorderingen van de Gemeenten afgewezen, met hun veroordeling in de proceskosten van de conventie. De tegenvorderingen van [geïntimeerde] heeft de rechtbank eveneens afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

5 De bezwaren van de Gemeenten en hun vorderingen in hoger beroep

5.1

De Gemeenten zijn het niet eens met dit oordeel van de rechtbank, hebben daarvan daarom tegen (alleen) [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld en formuleren zestien grieven tegen het vonnis van de rechtbank. Naar de kern draait de procedure wat hen betreft om de vraag of door [geïntimeerde] en Job Lanceer facturen bij de Gemeenten zijn ingediend waarin werd gesteld dat een zorgproduct was geleverd, terwijl dit niet het geval bleek te zijn. Kortom om de vraag of door [geïntimeerde] en Job Lanceer bij de Gemeenten valse facturen zijn ingediend, althans of [geïntimeerde] dit heeft bewerkstelligd.

5.2

In hoger beroep hebben de Gemeenten hun eis gewijzigd. Zij vragen het hof het vonnis van de rechtbank te vernietigen en willen alsnog duidelijkheid over de vraag of [geïntimeerde] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. De omvang van de schade die zij als gevolg daarvan hebben geleden, willen zij in een schadestaatprocedure aan de orde stellen. Zij vragen daarom in hoger beroep om een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld (enerzijds als bestuurder, anderzijds als privépersoon) bij de uitvoering van de raamovereenkomsten en bij gebruikmaking van het ‘trekkingsrecht’ in 2015, onder andere door het (laten) opstellen en indienen van (valse en onjuiste) facturen waarvoor geen recht op vergoeding bestond, met veroordeling van

[geïntimeerde] tot vergoeding aan de Gemeenten van de dientengevolge door hen geleden schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

5.3

[geïntimeerde] kan zich juist goed vinden in het vonnis van de rechtbank. Hij vindt net als de rechtbank dat de Gemeenten hun vorderingen jegens hem niet voldoende hebben toegelicht en onderbouwd. Hij wijst erop dat de door de Gemeenten aangeleverde rapporten slechts melding maken van algemene bevindingen en dat bij de door de Gemeenten verrichte onderzoeken geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden.

Ofschoon de kop van de memorie van antwoord melding maakt van een incidenteel appel, is daarvan in de memorie van antwoord zelf geen sprake. [geïntimeerde] gaat in hoger beroep niet meer in op de afwijzing door de rechtbank van zijn tegenvorderingen. Deze zijn in hoger beroep dus niet meer aan de orde.

6 De motivering van de beslissing in hoger beroep

6.1

In hoger beroep leggen de Gemeenten aan hun stelling dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld achtereenvolgens (opnieuw) het volgende ten grondslag:

- [geïntimeerde] is vanwege alle tekortkomingen van Job Lanceer (waaronder het indienen van onjuiste declaraties, valse declaraties en vervalste handtekeningen) als bestuurder aansprakelijk (onder verwijzing naar artikel 2:9 BW);

- [geïntimeerde] heeft financieel geprofiteerd van de wanprestatie van Job Lanceer;

- [geïntimeerde] heeft onrechtmatig gehandeld jegens de Gemeenten, los van zijn aansprakelijkheid als bestuurder , door het indienen van onjuiste declaraties, valse declaraties en vervalste handtekeningen.

6.2

Kern van alle verwijten van de Gemeenten aan [geïntimeerde] vormt het laten opmaken en ondertekenen van valse declaraties door Job Lanceer, namelijk facturen waarin werd gesteld dat een zorgproduct was geleverd, terwijl dit niet het geval bleek te zijn. Alleen daadwerkelijk verleende zorg, verricht volgens de wettelijke en contractuele eisen, komt volgens de Gemeenten voor vergoeding in aanmerking. In geval van declaraties voor niet verleende zorg is volgens de Gemeenten sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van Job Lanceer die verplicht tot vergoeding van de daardoor geleden schade. Bedoelde declaraties zijn in zoverre tevens zonder rechtsgrond aan Job Lanceer voldaan en verplichten volgens de Gemeenten dus ook tot teruggave van een gelijk bedrag (artikel

6:203 BW). Nu [geïntimeerde] deze handelwijze van Job Lanceer bewerkstelligde of toeliet, houden zij [geïntimeerde] daarvoor aansprakelijk.

6.3

[geïntimeerde] voert daartegenover, naar het hof begrijpt, naar de kern aan dat de cliënten waarvoor Job Lanceer een factuur stuurde, over een verwijzing beschikten. Zij diende vervolgens facturen in via het berichtenverkeer voor levering van de producten begeleiding en dagbesteding, die voldeden aan artikel 13 lid 1 van de raamovereenkomst. Daarmee was volgens [geïntimeerde] uitvoering gegeven aan hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen. Niet is gebleken dat de door Job Lanceer opgemaakte declaraties onjuist zijn. Job Lanceer heeft de Gemeenten ook meermaals gevraagd om over te gaan tot betaling daarvan. De Gemeenten hebben [geïntimeerde] op geen enkel moment laten weten dat er inhoudelijke problemen met de facturen waren, maar zijn gewoonweg gestopt met betalen. Zij zijn volgens [geïntimeerde] ten aanzien van de openstaande facturen zelf in verzuim. Indien de facturen onjuist waren, wat volgens [geïntimeerde] niet is gebleken, had het op de weg van de Gemeenten gelegen om Job Lanceer daarop te wijzen. In de overeenkomst is naar zijn mening geen verplichting opgenomen om een urenregistratie bij te houden. Dit was naar zijn mening, gezien de cliënten aan wie Job Lanceer (woon)begeleiding en dagbesteding bood (jongeren en (jong)volwassenen met een verstandelijke beperking, met een psychiatrische hulpvraag en soms met een verslavingsproblematiek), ook niet haalbaar.
De Gemeenten hebben ervoor gekozen ‘resultaatgericht’ te indiceren. De Gemeenten hebben ook niet voldaan aan artikel 11 van de raamovereenkomst, nu [geïntimeerde] geen recht op een second opinion is verleend. Bovendien hebben zij naar aanleiding van het onderzoek van de Sociale Recherche geen hoor en wederhoor toegepast. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat het onderzoek van de Sociale Recherche niet zorgvuldig is uitgevoerd.

Grondslagen voor aansprakelijkheid

6.4

In verband met de hiervoor onder 6.1 vermelde grondslagen voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde] stelt het hof het volgende voorop.

Anders dan de Gemeenten in de toelichting op hun derde grief aanvoeren, ziet het hof geen reden om het handelen van [geïntimeerde] te beoordelen naar de ‘gewone regels van onrechtmatige daad’ (vergelijk HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881). Indien sprake is van handelen van de betrokkene bij zijn taakvervulling als bestuurder van een rechtspersoon, dient de vraag of hij ook persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die de wederpartij lijdt ten gevolge van wanprestatie of een onrechtmatige daad van de rechtspersoon, steeds overeenkomstig de hierna onder 6.5 bedoelde verzwaarde maatstaf te worden beantwoord (vergelijk HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628).
Met de verwijten aan [geïntimeerde] hebben de Gemeenten uitsluitend omstandigheden aangevoerd die zien op het handelen van [geïntimeerde] als (feitelijke en statutaire) bestuurder van Job Lanceer; behoudens het hierna onder 6.6 en 6.18 nog afzonderlijk aan de orde komende, door de Gemeenten gestelde onrechtmatig profiteren van wanprestatie zijnerzijds, zijn door de Gemeenten geen andersoortige omstandigheden naar voren gebracht, zodat de vraag of [geïntimeerde] ook persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die de wederpartij lijdt ten gevolge van wanprestatie van Job Lanceer overeenkomstig de hierna onder 6.5 bedoelde verzwaarde maatstaf zal worden beantwoord.

6.5

Indien een rechtspersoon tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, is uitgangspunt dat alleen de rechtspersoon aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die rechtspersoon, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de rechtspersoon. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Een grond voor de aansprakelijkheid van een bestuurder kan erin zijn gelegen dat hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In een dergelijk geval kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de rechtspersoon tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

6.6

De Gemeenten houden [geïntimeerde] ook nog aansprakelijk omdat hij financieel geprofiteerd zou hebben van de wanprestatie van Job Lanceer. Volgens vaste rechtspraak is profiteren van andermans wanprestatie op zichzelf niet onrechtmatig, maar kan het dit door bijkomende omstandigheden wel worden.

6.7

Op basis van de door de Gemeenten aan [geïntimeerde] gemaakte verwijten en het verweer daartegen van [geïntimeerde] zal het hof allereerst beoordelen of aan [geïntimeerde] persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken in de hiervoor onder 6.5 bedoelde zin. Daarna komt nog de vraag aan de orde of zijnerzijds van onrechtmatig profiteren van wanprestatie sprake is geweest.

Aansprakelijkheid van [geïntimeerde] als bestuurder?

6.8

Bij de verwijten van de Gemeenten aan [geïntimeerde] speelt een centrale rol de stelling van de Gemeenten dat [geïntimeerde] bewerkstelligde of toeliet dat Job Lanceer valse declaraties opmaakte en liet ondertekenen, namelijk facturen waarin werd gesteld dat een zorgproduct was geleverd, terwijl dit niet het geval bleek te zijn.

2016 en 2017 (situatie onder de raamovereenkomsten)

6.9

In dit verband komt als eerste de vraag op wat tussen partijen over de facturering is afgesproken. Het hof kijkt daarbij allereerst naar de situatie zoals deze vanaf 2016 gold onder de raamovereenkomsten.

6.10

Partijen verschillen er niet over van mening dat de basis voor een vergoeding voor een geleverd product ligt in de daarvoor afgegeven verwijzing (artikel 12 lid 1 van de raamovereenkomsten: ‘Een vergoeding voor een Product … kan alleen gefactureerd worden op basis van een Verwijzing die is afgegeven voor dat Product en indien er een Raamovereenkomst is afgesproken met Opdrachtgever inzake het Product’). Over de wijze van facturering gaat artikel 13 van de raamovereenkomst. Volgens lid 1 van dat artikel staat op de factuur in ieder geval vermeld ‘…, het indicatiebesluit of verwijsbrief, het Product dat is geleverd, de eenheden die in rekening worden gebracht en de startdatum van de zorg.’ Volgens lid 4 ervan vindt facturatie plaats in eenheid behorende bij het product met uitzondering van producten met een uurtarief. ‘Dan vindt facturatie plaats per minuut, door het uurtarief te delen door 60 en vervolgens de rekenkundige regels af te ronden op twee decimalen (uurtarief/60 afgerond op twee decimalen).’

6.11

De Gemeenten wijzen erop dat zij voor een cliënt een indicatie/verwijzing afgeven voor bijvoorbeeld (maximaal) 6 uur lichte zorgbegeleiding per week, die de cliënt bij een van de gecontracteerde zorgaanbieders, onder wie Job Lanceer, kan afnemen. Wanneer zij in dit voorbeeld 4,5 uur per week lichte zorgbegeleiding heeft verleend, zal zij na vier weken een declaratie indienen van 4 weken x 4,5 uur x uurtarief (vooraf overeengekomen). De betreffende Gemeente keert de ingediende declaratie uit, ervan uitgaande dat de gedeclareerde zorg van 4,5 uur per week daadwerkelijk is verleend en aan de wettelijke en contractuele eisen voldoet.

[geïntimeerde] leidt, naar het hof begrijpt, uit de artikelen 12 en 13 lid 1 van de raamovereenkomsten af dat Job Lanceer zorg moest leveren op basis van een verwijzing die was afgegeven door de Gemeenten. Vervolgens kon Job Lanceer deze zorg, op basis van de verwijzing, factureren via het van toepassing zijnde systeem, waarbij deze facturen voldeden aan hetgeen is voorgeschreven in artikel 13 lid 1 van de raamovereenkomst, waarmee naar zijn mening uitvoering is gegeven aan hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen.

In zijn schriftelijk pleidooi wijst hij er eveneens op dat artikel 12 van de raamovereenkomsten uitgaat van vergoeding van een product en niet van uren. Product wordt, zo leidt hij kennelijk uit de Begripsbepalingen in artikel 1 van de raamovereenkomsten af, door de Gemeenten omschreven als zorgvorm waaraan een tarief gekoppeld is. Uit artikel 13 lid 4 van de raamovereenkomsten leidt hij voorts af dat slechts producten met een uurtarief gefactureerd worden in tijd, en wel per minuut, afgerond op twee decimalen. Volgens [geïntimeerde] blijkt uit niets dat de Gemeenten ten aanzien van de inhoud van de declaratie iets anders voor ogen hadden dan een verwijzing naar het product. Een eventuele onduidelijkheid in de raamovereenkomsten dient naar zijn mening ten nadele van de Gemeenten te worden uitgelegd.

[geïntimeerde] suggereert hiermee, naar het hof begrijpt, dat Job Lanceer de zorg waarvoor een verwijzing was afgegeven integraal kon declareren, waarbij hij, anders dan de Gemeenten, in het midden laat of de zorg waarvoor de verwijzing werd afgegeven, ook voor alle toegekende uren werd geleverd. De verwijzing was in zijn ogen, zo begrijpt het hof, bepalend niet alleen voor de vraag of en in welke mate door Job Lanceer zorg voor rekening van de Gemeenten mocht worden verleend, maar in het verlengde daarvan ook voor de omvang van de facturering daarvan.

6.12

De vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of deze overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van die overeenkomst. Voor het antwoord op de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen ervan mochten toekennen en op hetgeen zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang.

6.13

Uit de tekst van voormelde bepalingen, meer specifiek uit artikel 13 lid 4 van de raamovereenkomsten, volgt dat in geval van producten met een uurtarief facturatie per minuut plaatsvindt. Hieruit moest Job Lanceer redelijkerwijs begrijpen dat de Gemeenten ten aanzien van de inhoud van de declaratie iets anders voor ogen hadden dan een enkele verwijzing naar het product. Niet in geschil is dat voor Job Lanceer van producten met een uurtarief sprake was. Zij diende dus per minuut te factureren, zoals in artikel 13 lid 4 van de raamovereenkomsten omschreven. De suggestie van [geïntimeerde] dat Job Lanceer de zorg waarvoor een verwijzing was afgegeven integraal mocht declareren, onafhankelijk van de vraag in welke mate de zorg waarvoor de verwijzing werd afgegeven feitelijk werd geleverd, wijst het hof daarmee van de hand. Dat [geïntimeerde] die betekenis ook redelijkerwijs niet aan de bepalingen van de raamovereenkomsten mocht toekennen, blijkt mede uit de verklaringen van (oud-)werknemers die hierna onder 6.14 aan de orde zullen komen. Velen van hen maken gewag van onvrede met [geïntimeerde] binnen het team omdat de leden ervan uren wilden bijhouden en zich wilden kunnen verantwoorden en zo de feitelijk geleverde zorg wilden (doen) factureren en niet meer dan dat, wat [geïntimeerde] hen onmogelijk maakte. [geïntimeerde] had, mede gelet op zijn jarenlange ervaring in de zorg, redelijkerwijs behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde handelwijze van Job Lanceer ten aanzien van de facturering (zie hierna onder 6.14) niet in overeenstemming was met de voor haar uit de raamovereenkomsten voortvloeiende (rechten en) verplichtingen. Dat de raamovereenkomsten door de Gemeenten zijn opgesteld, maakt dit voor - [geïntimeerde] als bestuurder van - Job Lanceer als professionele partij niet anders.

6.14

Uit de stukken komt naar voren dat Job Lanceer daadwerkelijk de hele indicatie/ verwijzing, ofwel in de woorden van [geïntimeerde] ‘het Product’, declareerde onafhankelijk van het aantal minuten dat feitelijk aan een cliënt was besteed.

In het vervolgonderzoek en rapport van de GGD d.d. 5 oktober 2017 staat vermeld dat de cliënten ad hoc werden ondersteund. Daaruit wordt voorts duidelijk dat in de cliëntendossiers niets werd beschreven aangaande dagbesteding, doelen, acties en evaluaties.

De Sociaal Rechercheur [C] resumeert in zijn Bestuurlijke Rapportage, verstrekt op

5 oktober 2017, op basis van strafrechtelijk onderzoek als volgt:

‘• de zorg die gedeclareerd wordt komt niet overeen met de feitelijk geleverde zorg;

• hiertoe worden declaratie formulieren/systemen valselijk ingevuld;

• deze systemen/formulieren worden namens stichting Job Lanceer ingediend;

• [geïntimeerde] eigenaar van stichting Job Lanceer is en beslist wat er gefactureerd

wordt.’

Uit de verklaringen van (oud-)medewerkers van Job Lanceer in het strafrechtelijk onderzoek, alle afgelegd in oktober 2017, komt dit beeld nog duidelijker naar voren. Zo verklaarde [D], per datum verhoor sinds een jaar of vier jaar werkzaam bij Job Lanceer als incidentmanager, op vragen van de verbalisant onder meer:

‘…

V [verbalisant, hof]: Hoe registreert u de uren die u per cliënten of cliëntengroep besteed?

A [ondervraagde, hier [D] , hof]: Ik ben ooit begonnen met een planning te maken voor een client. Dit was een weekschema per client. Dit heeft 3 weken gewerkt. Toen kregen we van [geïntimeerde] [Van den Heuvel, hof] te horen dat de onzin op moest houden. Want om deze reden moest er meer personeel bij moest komen. Dit gevoel hadden wij echter zelf ook.

V: Weet u hoe deze uren worden gedeclareerd?

A: Ik heb het toen geprobeerd. Nu wordt het niet geregistreerd. Niet per cliënt in ieder geval. Alles wordt over de groep verdeeld.

Als X niet komt opdagen bij de dagbesteding mogen wij de helft terug vragen bij de gemeente. [geïntimeerde] zegt echter dat er al rekening mee is gehouden met X dus dat alles gedeclareerd moet worden. Hierover hebben wij een meningsverschil, echter dit win ik niet van hem. De gemeente checkt ook niet of er wel wordt geleverd waarvoor betaald wordt.

[geïntimeerde] kan nooit uren verantwoorden per client. Dit wordt totaal niet bijgehouden. We hebben dit begin 2016 geprobeerd echter [geïntimeerde] heeft dit dus afgeketst. De aanleiding was onvrede binnen het team. Wij wilden ons eigen kunnen verantwoorden tegenover de WMO consulenten. [geïntimeerde] heeft dit dus tegengehouden. …

V: Op welke locatie wordt de ondersteuning geboden?

A: …

Ik gaf bij [geïntimeerde] aan dat een cliënt een week niet was geweest. Vervolgens gaf [geïntimeerde] aan dat dit niet kon en dat er voltallig gedeclareerd moest worden.

O [opmerking verhoorders, hof]: Er is informatie dat de cliënten niet de begeleiding krijgen waar zij voor zijn geïndiceerd.

V: Wat kunt u daarover verklaren?

A: Wat valt onder begeleiding? De cliënten die wel begeleiding willen nemen dit. Zij nemen de dagbesteding etc. De andere worden niet benaderd door [geïntimeerde] . Men moet het zelf nemen. [geïntimeerde] declareert wel voor hen terwijl ze de voor hen indexeerde dagbesteding en begeleiding niet volgen.’

Voorts verklaarde [E], van september 2014 tot circa augustus/september 2017 als officemanager, ook belast met facturatie, werkzaam bij Job Lanceer, in dat zelfde onderzoek onder meer als volgt:

‘V: Hoe registreerde men de uren die u per cliënt of cliëntengroep besteed?

A [ondervraagde, hier [E] , hof]: Ik weet niet of dat geregistreerd werd. Ik weet wel dat dit een inspectie-eis was en dat [F ] en [G] hier mee bezig geweest zijn. Ik weet niet of er uren geregistreerd werden. Ik denk niet dat ze daar tijd voor hadden.

V: Weet u hoe deze uren worden gedeclareerd?
A: Omdat het geen PGB meer is maar ZIN hoef je dat niet bij te houden omdat de gemeente de indicatie gaf voor de zorg. Ik heb begrepen van [geïntimeerde] dat je daar dan geen verantwoording over hoefde te overleggen. De indicatie werd in ieder geval altijd volledig gedeclareerd en het maakte niet uit of die uren zorg ook geleverd waren. Dit was een discussiepunt tussen [geïntimeerde] en mij. Als er een herindicatie was en de uren moesten naar beneden dan vond [geïntimeerde] dat hij bestolen werd. Als een jongere minder dagbesteding meer nodig had omdat hij bijvoorbeeld een baan had dan moest ik toch compleet een dagbesteding declareren bijvoorbeeld. Ik kon dat moreel niet meer verantwoorden. Dit was ook de reden waarom ik weg ging. [geïntimeerde] kon wel een hele poos discussiëren tot dat je murw was en dan gaf je hem maar gelijk en deed je wat hij wilde. …

V: Hoe wordt de gegeven begeleiding geregistreerd?

A: Door middel van een rapportage in Zilliz. Ik heb [H] wel eens in Word iets zien type, wat die kon kopiëren naar Zilliz.

Van een aantal cliënten, die veel hun mond opentrekken zal wat terug te vinden zijn. Van heel veel cliënten zal niets terug te vinden zijn.

De uren werden niet geregistreerd.’

[I] , vanaf 1 januari 2016 werkzaam bij Job Lanceer als zorgcoördinator, verklaarde in datzelfde onderzoek als volgt:

‘V: Hoe registreert u de uren die u per cliënt of cliëntengroep besteed?
A [ondervraagde, hier [I] , hof]: Dit werd niet geregistreerd.

V: Weet u hoe deze uren worden gedeclareerd?
A: Altijd maximaal declareren, dat deed [geïntimeerde] .

Ik zelf heb mij nooit bezig gehouden met het declareren. Ik weet ook van [E] dat [geïntimeerde] het maximale declareerde. Daarover had [E] dan ook discussies over met [geïntimeerde] .’

[J] , sinds 1 oktober 2015 werkzaam bij Job Lanceer en belast met begeleiding en kantoor werkzaamheden, verklaarde onder meer als volgt:

‘V: Hoe registreert u de uren die u per cliënt of cliëntengroep besteed?
A [ondervraagde, hier [J] , hof]: Lang niet alles werd geregistreerd. Soms probeerde ik wel eens wat in het digitaal client systeem te zetten. Dat heet Zielis maar dat gebeurde gewoon niet. Niet iedereen kon er ook mee werken. Een paar maanden geleden heb ik gekeken hoe dat zou werken en ik wilde het opnieuw opzetten maar dat is verder ook niet van de grond gekomen. Er staat misschien een enkele rapportage in het systeem.

V: Is er genoeg personeel om alle cliënten te kunnen begeleiden?

A: nee.

V: Het registreren van zorg per cliënt vond dat uberhaupt plaats, kan je ergens terug zien hoeveel zorg een client ontvangen heeft?
A: Nee dat wordt nergens geregistreerd. [geïntimeerde] zei dat het nu ZIN geld was en dat er niet geregistreerd hoefde te worden hoeveel zorg er was per client. Bij PGB moest dat nog wel maar volgens [geïntimeerde] hoefde dat bij ZIN niet meer.’

Voorts verklaarde [K], vanaf 1 juni 2016 werkzaam bij Job Lanceer als administratief medewerkster, als volgt:

‘V: Weet u hoe deze uren worden gedeclareerd?

A [ondervraagde, hier [K] , hof]: de declaraties gaan als volgt: ik krijg van [geïntimeerde] een briefje met daarop de te declareren uren. Ik maak daar facturen van. Deze uren zijn de geïndiceerde uren maar niet de werkelijk geleverde uren. In ieder geval heb ik daar geen zicht op.

De declaraties wijken alleen af als de indicatie veranderd. …’

Ten slotte verklaarde [L], van juni 2016 tot juli 2017 als begeleider werkzaam bij Job Lanceer, als volgt:

‘V: Wie bepaalt de uren die gedeclareerd moeten worden?
A: Er werd altijd gewoon gedeclareerd naar de indicaties die de cliënten hadden ook als de zorg niet geleverd werd. Dat kwam allemaal uit de koker van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is alleenheerser aldaar. Het is zijn leven.

V: Bent u op de hoogte dat er mogelijk onjuiste declaraties worden ingediend?
A: Ja dat was ik.

V: Zo ja, hoe wist u dit?
A: Ja zo is [geïntimeerde] . Altijd alles voor de max pakken. Hij vindt gemeenten en zorgkantoren ook gewoon boeven.’

(Oud-)werknemers verklaarden, zo blijkt ook uit het voorgaande, unaniem dat de geleverde zorguren niet werden geregistreerd en dat de indicaties doorgaans volledig werden gedeclareerd, ook als de geïndiceerde zorg – bij lange na – niet werd geleverd. [geïntimeerde] is op de onjuistheid hiervan door meerdere (oud-)werknemers volgens hun verklaring herhaald gewezen, maar hij heeft hun pogingen tot verantwoording van de hand gewezen en onmogelijk gemaakt. De verklaringen van overige (oud-)werknemers laten eenzelfde althans niet afwijkend beeld zien. Ook de accountant van Job Lanceer wees [geïntimeerde] volgens zijn verklaring (productie 12 bij memorie van antwoord) op de noodzaak van het bijhouden van een urenregistratie maar was ‘een roepende in de woestijn’. Uit de verklaringen van (oud-)werknemers blijkt eveneens dat Job Lanceer voor het uitvoeren van de indicaties over te weinig personeel beschikte (vgl. in die zin bijvoorbeeld de verklaringen van [M] en [J] ). Dat de aanwezige personeelsleden nooit de uren begeleiding konden leveren aan cliënten waarvoor zij waren geïndiceerd is ook naar voren gekomen in de verhouding omzet en loonbetalingen, ver beneden de norm die uit een onderzoek van accountantskantoor Price Waterhouse bleek (vgl. het proces-verbaal financieel dossier van de Sociale Recherche, productie 13 van de Gemeenten op blad 1824). In het rapport van de GGD van 5 oktober 2017 op pagina 10 van 24 wordt eveneens geconstateerd dat de indicaties van cliënten (het totaal aan te leveren uren) ten tijde van het follow-up onderzoek niet in verhouding staan tot de actuele formatie van het personeel. Ook uit verklaringen van (oud-)cliënten komt het beeld van (veel) minder begeleiding dan geïndiceerd en gebrek aan begeleidingscapaciteit naar voren.

Een en ander sluit nauw aan bij het resumé van Sociaal Rechercheur [C] in zijn Bestuurlijke Rapportage, verstrekt op 5 oktober 2017, hiervoor aan het begin van deze overweging (6.14) aangehaald.

6.15

Behalve zijn onjuiste visie op de rechten (en verplichtingen) van Job Lanceer waar het de declaratie van zorg betreft, erop neerkomende dat zij de zorg waarvoor een verwijzing was afgegeven integraal zou mogen declareren, onafhankelijk van de vraag of respectievelijk in welke mate de zorg waarvoor de verwijzing was afgegeven feitelijk werd geleverd, welke visie het hof hiervoor onder 6.13 reeds als onjuist van de hand wees, heeft [geïntimeerde] tegen de afgelegde verklaringen als zodanig onvoldoende gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft er met name op gewezen dat de Gemeenten niet hebben voldaan aan artikel 11 van de raamovereenkomsten, nu hem geen recht op een second opinion is verleend. Voorts wijst hij erop dat de Gemeenten naar aanleiding van het onderzoek van de Sociale Recherche geen hoor en wederhoor hebben toegepast en stelt hij zich op het standpunt dat het onderzoek van de Sociale Recherche niet zorgvuldig is uitgevoerd. Daarnaast zou het gaan om een onconventionele groep cliënten die kort gezegd op een onconventionele wijze moesten worden begeleid.

6.16

Wat daarvan zij, zelfs als de werkwijze van de Gemeenten en/of de Sociale Recherche op de genoemde punten niet in overeenstemming is met de raamovereenkomsten en/of het verdedigingsbeginsel, wat door de Gemeenten is betwist, dan neemt dat niet weg dat [geïntimeerde] bedoelde stukken ook in deze procedure, waarin deze alle in het geding zijn gebracht en hem de mogelijkheid van weerwoord is geboden, niet toereikend heeft weersproken. Hij hamert in het bijzonder op het gebrekkige oordeelsvermogen van cliënten, op de verklaring van enkele tevreden cliënten, op de onduidelijkheid van de raamovereenkomsten en het feit dat wel (enige) zorg is verleend.

Overigens heeft hij enkele, vooral formele vragen opgeworpen, die echter geenszins kunnen afdoen aan de hiervoor onder 6.14 (aan het einde) omschreven unanieme verklaring van (oud-)werknemers dat de geleverde zorguren niet werden geregistreerd en dat de indicaties doorgaans volledig werden gedeclareerd, ook als de geïndiceerde zorg – bij lange na – niet werd geleverd. Ook heeft [geïntimeerde] niet althans niet toereikend weersproken de daar geformuleerde slotsom dat Job Lanceer voor het uitvoeren van de indicaties over (veel) te weinig personeel beschikte. [geïntimeerde] bevestigt eigenlijk eerder, als vermeend juist, wat hem wordt verweten, namelijk het (laten) opmaken van facturen door Job Lanceer voor geïndiceerde ‘Producten’, terwijl deze feitelijk niet, althans niet ten volle waren geleverd. Dat [geïntimeerde] redelijkerwijs niet uit de bepalingen van de raamovereenkomsten mocht afleiden dat een dergelijke wijze van facturering geoorloofd was, heeft het hof, mede naar aanleiding van de verklaringen van (oud-)werknemers, hiervoor onder 6.13 al overwogen. Het onconventionele karakter van de groep van cliënten kan voor die wijze van facturering geen voldoende rechtvaardiging vormen.

[geïntimeerde] heeft ten overstaan van verbalisant [N] bij gelegenheid van zijn verhoor op 11 oktober 2017 zonder meer bevestigd dat hij verantwoordelijk is voor de financiële administratie en de facturering, en dat hij de declaraties verzorgde. Dit wordt ook bevestigd door de verklaringen van (oud-)werknemers, zodat het hof daarvan uitgaat. Daaruit blijkt verder nog dat [geïntimeerde] op de hoogte was van het ongeoorloofd declareren van niet geleverde zorg en zelfs opdracht heeft gegeven om daarmee door te gaan toen personeel duidelijk maakte daar moeite mee te hebben.

6.17

Met het voorgaande staat voor het hof vast dat [geïntimeerde] handelen zodanig onzorgvuldig en verwijtbaar was dat hem persoonlijk een ernstig verwijt te maken valt van het feit dat de Gemeenten schade lijden doordat zij bij (het op 5 december 2017 failliet verklaarde) Job Lanceer geen verhaal kunnen vinden voor de terugvordering van de teveel betaalde zorguitkeringen. [geïntimeerde] als bestuurder wist of moet hebben geweten dat de door hem bewerkstelligde handelwijze van Job Lanceer ten aanzien van de facturering van zorg tot gevolg had dat Job Lanceer haar verplichtingen jegens de Gemeenten niet nakwam. Het hof acht de mogelijkheid aannemelijk dat de Gemeenten daardoor schade hebben geleden.
Dit vloeit uit zijn hiervoor omschreven vaststelling direct voort. Het hof acht [geïntimeerde] als bestuurder van Job Lanceer voor die schade aansprakelijk, nu hem daarvan, mede gelet op zijn verplichting tot behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

2015 (situatie voorafgaand aan de raamovereenkomsten)

6.18

De vorderingen van de Gemeenten zien ook op de gebruikmaking door Job Lanceer van het zogenoemde trekkingsrecht in 2015.

Voor deze situatie heeft [geïntimeerde] niet alleen betwist dat bij het gebruik van dat recht onrechtmatig werd gehandeld, maar tevens dat de Gemeenten belanghebbenden zouden zijn bij deze vordering jegens [geïntimeerde] . De Gemeenten zijn belanghebbenden jegens cliënten, zo voert hij aan, waarbij cliënten belanghebbenden zouden zijn geweest in een procedure jegens Job Lanceer.

6.19

Onder de op 1 januari 2015 ingevoerde Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) heeft Job Lanceer in 2015 zorg verleend aan patiënten met een pgb, waarmee zij zorg of ondersteuning konden inkopen.

De cliënten contracteerden rechtstreeks met een zorgaanbieder, in dit geval Job Lanceer. Deze werd voldaan uit het budget dat de cliënten ter beschikking hadden op basis van de indicatiestelling. Dat budget werd in 2015 voor de cliënten beheerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB), die verantwoordelijk was voor de betaling van de gekozen zorgaanbieder. Dit wordt het trekkingsrecht genoemd. Anders dan onder de raamovereenkomsten was er in 2015 van een contractuele relatie tussen de Gemeenten en Job Lanceer geen sprake.

De Gemeenten zijn op dit verweer van [geïntimeerde] , dat hij ook in eerste aanleg al voerde, niet voldoende gemotiveerd ingegaan. Zij hebben met name aangevoerd dat ‘[D]e vergoeding voor zorgverlening in 2015 die gebaseerd was op een zorgindicatie die vóór 2015 was afgegeven, [ …] vanuit de Gemeenten via de Sociale Verzekeringsbank rechtstreeks aan de zorgaanbieders [werd] voldaan.’

Zoals uit het voorgaande blijkt, is deze stellingname van de Gemeenten niet houdbaar: de vergoedingen werden voldaan uit het pgb van cliënten dat door de SVB voor hen werd beheerd. De Gemeenten hebben niet toegelicht dat en op welke grond Job Lanceer respectievelijk [geïntimeerde] door de gebruikmaking van het trekkingsrecht onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld en evenmin dat de Gemeenten daardoor mogelijk schade hebben geleden.

In zoverre de grieven in het hoger beroep betrekking hebben op de handelwijze van [geïntimeerde] in 2015 falen zij derhalve.

Onrechtmatig profiteren van wanprestatie door [geïntimeerde] ?

6.18

De Gemeenten bestrijden tevens het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is geweest van onrechtmatig profiteren van wanprestatie door [geïntimeerde] .

De Gemeenten kan worden toegegeven dat Job Lanceer, zoals uit het voorgaande blijkt, vanaf 2016 wel degelijk is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens de Gemeenten uit de raamovereenkomsten. Dat ook sprake is geweest van onrechtmatig profiteren daarvan door [geïntimeerde] is daarmee echter nog niet gegeven.

Naar uit het financieel verslag van de curator blijkt, lagen aan betalingen door Job Lanceer aan [geïntimeerde] , direct of indirect, contracten ten grondslag en werd niet onrechtmatig veel doorgesluisd naar [geïntimeerde] . Ook de accountant van Job Lanceer concludeert in zijn verklaring dat uit het meerjaren overzicht een dermate laag ondernemingsvermogen voor [geïntimeerde] blijkt dat de stelling dat hij in financiële zin hiervan zou hebben geprofiteerd beslist niet wordt bevestigd. Ook uit de in het meerjaren overzicht opgenomen balans blijkt volgens zijn verklaring dat dit niet zo is. De Gemeenten hebben op die stukken niet gereageerd, hetgeen wel van hen mocht worden verwacht. Aldus is door de Gemeenten onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] feitelijk zou hebben geprofiteerd van de wanprestatie van Job Lanceer, zodat aan de onrechtmatigheidsvraag niet wordt toegekomen.

Bewijs

6.19

De Gemeenten stellen ten slotte nog aan de orde dat zij niet zijn toegelaten tot bewijs van al hun stellingen, meer specifiek van hun stelling dat cliënten niet of nauwelijks de zorg hebben ontvangen waarvoor zij een indicatie hadden.

Nu door de Gemeenten geen (voldoende geconcretiseerde) stellingen te bewijzen zijn aangeboden die bij het slagen van dat bewijs tot een ander oordeel kunnen leiden, zal het hof de Gemeenten niet tot bewijs toelaten. De Gemeenten hebben dan ook geen belang bij behandeling van hun grief, gericht tegen het passeren van het bewijsaanbod.

7 De slotsom

7.1

De grieven slagen, voor zover zij zien op de situatie zoals deze gold onder de raamovereenkomsten in 2016 en 2017 (behoudens de grieven III, XIV en XV betreffende de beoordeling van het handelen van [geïntimeerde] naar de ‘gewone regels van onrechtmatige daad’, het onrechtmatig profiteren van wanprestatie en bewijs), en falen, voor zover zij betrekking hebben op de situatie zoals deze gold in 2015 onder de gebruikmaking van het zogenoemde trekkingsrecht. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, behoudens voor zover dit de afwijzing van de vorderingen van de Gemeenten op basis van bestuurdersaansprakelijkheid van [geïntimeerde] onder de raamovereenkomsten in 2016 en 2017 betreft; in zoverre zal het hof opnieuw recht doen.

7.2

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van de Gemeenten zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 3.894,- (inclusief griffierecht beslag)

- explootkosten beslag € 2.459,04

totaal verschotten € 6.353,04

- salaris advocaat € 15.424,- (4 punten x tarief VIII à € 3.856,-).

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Gemeenten zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 99,91

- griffierecht € 5.382,-

totaal verschotten € 5.481,91

- salaris advocaat € 11.002,-- (2 punten x tarief VIII à € 5.501).

8. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 30 augustus 2018, behoudens voor zover dit de afwijzing van de vorderingen van de Gemeenten op basis van bestuurdersaansprakelijkheid van [geïntimeerde] onder de raamovereenkomsten in 2016 en 2017 betreft en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart voor recht dat [geïntimeerde] jegens de Gemeenten onrechtmatig heeft gehandeld (in zijn hoedanigheid van bestuurder van Job Lanceer) bij de uitvoering van de tussen de Gemeenten en Job Lanceer over 2016 en 2017 gesloten raamovereenkomsten door het (laten) opstellen van (onjuiste) facturen waarvoor geen althans geen volledig recht op vergoeding bestond;

veroordeelt [geïntimeerde] tot vergoeding van de door de Gemeenten als gevolg van voormeld onrechtmatig handelen geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum vanaf de procesinleiding tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van de Gemeenten wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 6.353,04 voor verschotten en op € 15.424,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 5.481,91 voor verschotten en op € 11.002,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, L.J. de Kerpel-van de Poel en L.F. Wiggers-Rust en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2020.