Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5455

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-07-2020
Datum publicatie
15-07-2020
Zaaknummer
200.244.808
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over facturen voor werkzaamheden in verband met het registreren van een merk. Kernvraag is of de merkrechthebbende, die de gemachtigde heeft ingeschakeld, hierbij heeft gehandeld voor zichzelf of namens de licentie-houder. Het hof komt tot de conclusie dat de merkrechthebbende als opdrachtgever moet worden beschouwd en dat hij dus verplicht is de facturen te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.244.808

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 6261005)

arrest van 14 juli 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [de merkrechthebbende] ,

advocaat: mr. M.M.N.C. Schellekens,

tegen:

de naamloze vennootschap

Taylor Wessing N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Taylor Wessing,

advocaat: mr. M.N.S. Boeken.

1 Samenvatting

Het gaat in deze zaak om een geschil over vier facturen voor werkzaamheden van Taylor Wessing in verband met het registreren van een merk. Dit merk heeft betrekking op een door [de merkrechthebbende] ontworpen animatiepoppetje. [de merkrechthebbende] heeft Taylor Wessing ingeschakeld voor de internationale registratie van het merk. Kernvraag is of hij hierbij heeft gehandeld voor zichzelf of namens de licentiehouder die het poppetje voor een toepassing bij speelgoed wil gebruiken en daarom belang heeft bij bescherming van het merk. Het hof komt tot de conclusie dat [de merkrechthebbende] als opdrachtgever moet worden beschouwd en dat hij dus verplicht is de facturen te betalen. Het hof legt hierna uit hoe het tot dat oordeel komt.

2 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

2.1.

In het tussenarrest van 25 september 2018 is het verloop van de procedure tot dan toe beschreven. Het hof verwijst daarnaar. Bij het tussenarrest is een zitting (comparitie van partijen na aanbrengen van de zaak in hoger beroep) bepaald.

2.2.

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 26 oktober 2018;

- de memorie van grieven (met producties);

- de memorie van antwoord (met producties);

- de pleidooien op 18 juni 2020, waarbij de advocaten pleitnotities hebben overgelegd.

2.3.

Aan het slot van de pleidooizitting heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

[de merkrechthebbende] is ontwerper van het figuurtje ‘Harry Hands’. Het animatiepoppetje is in 2010 ingezet bij een WK verzamelactie van een supermarktketen, georganiseerd door de toenmalige licentiehouder Brand Loyalty International B.V. (hierna: Brand Loyalty). [de gemachtigde] , merken- en modellengemachtigde bij Taylor Wessing (toen nog Deterink geheten), heeft voorafgaand aan de WK actie in 2010 het model ‘Hands’ gedeponeerd. Volgens [de merkrechthebbende] heeft Brand Loyalty daarvoor betaald.

In 2015 heeft [de gemachtigde] ‘Hands’ als EU beeldmerk en 3D merk gedeponeerd op naam van [de merkrechthebbende] , op kosten van Taylor Wessing, nadat was gebleken dat de registratie van het modelrecht was vervallen omdat zij niet tijdig was vernieuwd.

3.2.

[de merkrechthebbende] is betrokken bij een mogelijke overeenkomst met (de aanbieder van) Banbao, een alternatief voor Lego. Deze heeft Harry Hands zo aangepast dat de figuur klikbaar is op bouwstenen van Lego en Banbao. De contacten, afwikkeling van contracten en financiën rondom Harry Hands verlopen via de Zwitserse vennootschap Empire Finance Group AG (hierna: Empire), vertegenwoordigd door [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] , die Brand Loyalty als licentiehouder is opgevolgd. In verband hiermee heeft [de merkrechthebbende] [de gemachtigde] benaderd om Harry Hands internationaal te laten registreren, onder andere in China.

Dit heeft geleid tot de volgende correspondentie.

3.3.

Bij e-mail van 4 november 2016 bericht [de gemachtigde] aan [de merkrechthebbende] :
“Please be informed that next to the European Union trademark protection for the above-identified 3D mark and device mark “hands”, both marks have also been applied for on the international level, including China. We expect to receive the EUIPO’s (Trademark Office) applications acknowledgement in the next few days.”

3.4.

In een e-mail van dezelfde datum schrijft [de gemachtigde] aan [de merkrechthebbende] dat zij hun afspraken naar aanleiding van diverse telefooncontacten schriftelijk bevestigt, als volgt:

  • -

    “Conform jouw instructies is het 3D merk “HANDS” (…) via de EU merkeninstantie (EUIPO) aangevraagd voor inschrijving in het internationale merkenregister (WIPO) voor China in klasse 28 “speelgoed”.

  • -

    (…)

  • -

    Vervolgens heb ik conform jouw instructies via de Benelux merkeninstantie (BBIE) het woord-/beeldmerk HANDS (…) aangevraagd voor inschrijving in het internationale merkenregister (WIPO) voor China in klassen 16, 25 en 28 (omdat het basismerk een Benelux merk betreft, maakt het in dit geval voor de prijs niet uit of het merk voor 1, 2 of 3 klassen gedeponeerd wordt). (…)

Kosten: (…). Tot slot ontvang je in de bijlage een kopie van onze Algemene Voorwaarden die op al onze diensten van toepassing zijn.”

3.5.

In een e-mail van 8 november 2016 schrijft [de gemachtigde] aan [de merkrechthebbende] :

“Pursuant to your instructions, we instructed our local agent this morning to file trademark applications in China for the above-identified marks (3D mark + device mark) for “toys” and “games” in class 28. We will keep you informed of further developments as they occur.”

3.6.

Bij e-mail van 9 november 2016 vraagt [de gemachtigde] aan [de merkrechthebbende] met spoed zijn identiteitsbewijs te mailen in verband met de merkdepots in China.

[de merkrechthebbende] antwoordt daarop:

“Zoals daarnet besproken bij deze mijn paspoort. [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] gaat jou waarschijnlijk vandaag bellen. Mocht er nog meer nodig zijn dan hoor ik het graag.”

3.7.

Bij e-mail van 10 november 2016 schrijft [de gemachtigde] aan [de merkrechthebbende] :

“Helaas heeft [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] mij nog niet gebeld.

Bijgaand ontvang je een drietal volmachten ten behoeve van onze Chinese agent. Graag had ik deze documenten aangevuld met de nog extra te deponeren klassen. Echter, teneinde de registraties zo soepel mogelijk te laten verlopen, is het van belang de volmachten zo snel mogelijk bij de Chinese merkeninstantie in te dienen. Derhalve, hierbij mijn verzoek om deze volmachten per omgaande ondertekend (…) aan mij te retourneren (…). Mocht blijken dat er klassen moeten worden toegevoegd, dan ontvang je daarvoor nieuwe volmachten. (…)”

3.8.

Bij e-mail van 10 november 2016 zendt [de merkrechthebbende] de getekende documenten aan [de gemachtigde] en meldt dat hij ervan uitgaat dat [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] die dag contact zal opnemen.

3.9.

In een e-mail van 11 november 2016 schrijft [de merkrechthebbende] aan [de gemachtigde] :

“Zoals daarnet besproken moeten de rekeningen lopen via de Empire AG. Hierbij de adresgegevens daarvan: Empire Finance Group AG (...)”.

3.10.

Bij e-mail van 12 november 2016 schrijft [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] aan [de gemachtigde] :

“according to our conversation of yesterday, I hereby confirm our intention to protect “hands” in China also under the classification No 18, 25 and 28. Please do so as quick as possible. If you have any questions don’t hesitate to contact me or [de merkrechthebbende] .”

3.11.

[de merkrechthebbende] heeft vervolgens op verzoek van [de gemachtigde] ook volmachten voor het deponeren van het merk in China in de klassen 18 en 25 gestuurd.

3.12.

Taylor Wessing heeft aan Empire de volgende facturen gezonden:

Factuurnr Datum Bedrag

16006357 15-11-2016 € 1.794,66

16006358 15-11-2016 € 1.360,10

17000252 13-1-2017 € 6.153,75

17000253 13-1-2017 € 3.198,51.

[de gemachtigde] heeft de facturen op 15 november 2016 en 13 januari 2017 per e-mail verzonden aan [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] en in kopie (cc) aan [de merkrechthebbende] .

3.13.

De facturen zijn niet betaald.

3.14.

Nadat Taylor Wessing Empire en [de merkrechthebbende] had aangemaand om de facturen te voldoen, heeft [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] per e-mail van 12 juni 2017 aan Taylor Wessing geschreven dat [de merkrechthebbende] niet verantwoordelijk is voor de betalingen. [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] is alleen bekend met de twee facturen van 15 november 2016. Voordat hij tot betaling overgaat, wil hij bewijs ontvangen ten aanzien van de merkaanvraag en de betalingen van Taylor Wessing. In antwoord daarop heeft [de gemachtigde] bij e-mail van 14 juni 2017 aan [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] kopieën toegestuurd van de twee internationale registratie-aanvragen en drie nationale registratie-aanvragen voor China (met een cc aan [de merkrechthebbende] ).

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

Taylor Wessing heeft in eerste aanleg gevorderd [de merkrechthebbende] te veroordelen tot betaling van € 12.507,02 in hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten. Taylor Wessing heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij in opdracht en voor rekening van [de merkrechthebbende] werkzaamheden heeft verricht, waarvoor zij de vier facturen heeft verzonden met het totaalbedrag van € 12.507,02, die [de merkrechthebbende] onbetaald heeft gelaten.

4.2.

[de merkrechthebbende] heeft verweer gevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat hij niet heeft gehandeld voor zichzelf, maar namens Empire, en dat de betalingsverplichting dus niet ligt bij hem maar bij Empire.

4.3.

De kantonrechter heeft bij het vonnis van 7 maart 2018 het verweer van [de merkrechthebbende] gepasseerd en de gevorderde hoofdsom toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de verzuimdata (14 dagen na de facturen). De kantonrechter heeft [de merkrechthebbende] veroordeeld in de proceskosten en nakosten met rente en het meer of anders gevorderde afgewezen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Omvang hoger beroep

5.1.

[de merkrechthebbende] komt met vijf grieven op tegen het vonnis van 7 maart 2018. Hij vordert dat het hof dit vonnis zal vernietigen, de vorderingen van Taylor Wessing alsnog zal afwijzen, Taylor Wessing zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [de merkrechthebbende] ter uitvoering van het vonnis aan haar heeft voldaan met rente en Taylor Wessing zal veroordelen in de kosten van beide instanties, inclusief nasalaris, met rente.

5.2.

Taylor Wessing heeft de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [de merkrechthebbende] in de kosten van het hoger beroep en de nakosten.

Wie is contractspartij van Taylor Wessing?

5.3.

Met de grieven 1 tot en met 3 stelt [de merkrechthebbende] zijn verweer opnieuw aan de orde dat niet hij, maar Empire de opdrachtgever is en dus gehouden is de facturen te betalen. [de merkrechthebbende] voert daartoe kort gezegd aan dat het Taylor Wessing vanaf het begin bekend was dat Empire opdrachtgever was en hier ook naar heeft gehandeld, door instructies van [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] namens Empire op te volgen, uitsluitend te factureren aan Empire en haar verdere berichten tot 31 mei 2017 ook uitsluitend te richten aan [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] /Empire. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

5.4.

Uitgangspunt is dat, zoals de kantonrechter onbestreden heeft vastgesteld, [de merkrechthebbende] de feitelijke opdracht aan Taylor Wessing heeft gegeven. De vraag is of hij daarbij heeft gehandeld voor zichzelf of - als lasthebber dan wel gevolmachtigde - namens Empire, waarmee hij niet zichzelf maar Empire heeft gebonden. Voor het antwoord op die vraag is beslissend hetgeen [de merkrechthebbende] en Taylor Wessing daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.1 Nu [de merkrechthebbende] degene is die zich beroept op de rechtsgevolgen van artikel 3:66 lid 1 BW - namelijk dat de rechtshandeling in haar gevolgen Empire treft, dat zij dus geldt als opdrachtgever en dat hij er als partij tussenuit valt -, rust op hem de last de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen die tot dat rechtsgevolg kunnen leiden.

5.5.

Niet in geschil is dat [de merkrechthebbende] [de gemachtigde] heeft ingeschakeld omdat zij ook de eerdere registraties had verzorgd. Hij heeft telefonisch contact met haar gehad over de gewenste internationale registratie van het 3D-merk en woord-/beeldmerk ‘Hands’. [de gemachtigde] heeft de afspraken daarover bevestigd in haar e-mail aan [de merkrechthebbende] van 4 november 2016, waarin zij ook de kosten en de door Taylor Wessing gehanteerde algemene voorwaarden heeft vermeld. Vervolgens heeft [de merkrechthebbende] met [de gemachtigde] de wens besproken het merk ook in China te registreren voor klasse 28 (speelgoed), wat [de gemachtigde] bij e-mail van 8 november 2016 heeft bevestigd. Bij e-mail van 9 november 2016 heeft [de merkrechthebbende] vervolgens aangekondigd dat [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] [de gemachtigde] zou bellen. Bij e-mail van 11 november 2016 heeft hij aan haar doorgegeven dat de facturen via Empire moesten lopen. Uit de e-mail van [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] van 12 november 2016 blijkt dat [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] inmiddels contact had gehad met [de gemachtigde] . Hij bevestigde haar dat het de bedoeling was dat het merk in China ook voor de klassen 18 en 25 zou worden geregistreerd en verzocht haar dit zo spoedig mogelijk te regelen, wat zij vervolgens heeft gedaan. Taylor Wessing heeft daarna haar werkzaamheden en de gemaakte kosten in rekening gebracht. Conform het verzoek van [de merkrechthebbende] van 11 november 2016 heeft zij de facturen hiervoor aan Empire gestuurd. Uit de specificatie van de facturen blijkt dat [de gemachtigde] op 14 november 2016 ook nog contact heeft gehad met [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] en instructies van hem heeft gekregen, en verder contact heeft onderhouden met [de merkrechthebbende] . Bij e-mails van 24 januari 2017, 7 februari 2017 en 22 februari 2017, gericht aan [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] met een cc aan [de merkrechthebbende] , heeft Taylor Wessing herinnerd aan de openstaande facturen. Bij e-mail van 31 mei 2017 heeft zij [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] en [de merkrechthebbende] daar nog eens op gewezen. Bij aangetekende brief van dezelfde datum heeft zij [de merkrechthebbende] ook tot betaling van de facturen gesommeerd. Op de e-mail van 31 mei 2017 heeft [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] (bij e-mail van 12 juni 2017) gereageerd met de mededeling dat het bericht hem verbaasde en dat [de merkrechthebbende] niet verantwoordelijk was voor enige betaling.

5.6.

Naar het oordeel van het hof volgt uit het feit dat [de gemachtigde] voorafgaand aan de WK actie in 2010 het poppetje als model had laten registreren voor Brand Loyalty nog niet dat het Taylor Wessing duidelijk moest zijn dat de nieuwe licentiehouder in 2016 ook de opdrachtgever voor de verzochte internationale registratie van het merk zou zijn.

Dit geldt te meer nu [de merkrechthebbende] heeft verklaard dat hij in 2010 geen contact had gehad met [de gemachtigde] en alles via Brand Loyalty was verlopen. Dat was anders bij de onderhavige opdracht: hierbij nam [de merkrechthebbende] zelf contact op met [de gemachtigde] en maakte hij de afspraken over de te verrichten werkzaamheden met haar. Daarbij ging het ook om een andere partij die gebruik wilde maken van het merk. Dat Empire belang had bij de registratie (met het oog op de bescherming van het merk waarvoor zij een licentie had) wijst er ook niet zonder meer op dat zij de opdrachtgever van Taylor Wessing zou zijn, alleen al omdat [de merkrechthebbende] zelf onmiskenbaar ook - direct of indirect - een belang daarbij had (in verband met de door hem te ontvangen licentievergoeding). Voor zover [de merkrechthebbende] stelt dat tijdens het eerste telefonische contact al de positie van Empire aan de orde is gekomen, geldt dat hij onvoldoende heeft toegelicht wat hij daarover dan met [de gemachtigde] heeft besproken. Daar komt nog bij dat het, naar vaststaat, ging om een registratie op naam van [de merkrechthebbende] als rechthebbende en niet om een registratie op naam van Empire als licentiehouder met instemming van [de merkrechthebbende] . De stelling dat Taylor Wessing vanaf het begin van de opdracht ermee bekend was dat niet [de merkrechthebbende] maar Empire de opdrachtgever zou zijn, acht het hof gelet op het voorgaande onvoldoende onderbouwd.

5.7.

[de merkrechthebbende] wijst er op zichzelf terecht op dat de eerste e-mail van 4 november 2016 en de e-mail van 8 november 2016, waarin [de gemachtigde] hem informeerde over de ingediende aanvragen voor de internationale registratie en de registratie in China, in de Engelse taal zijn opgesteld. Dit wijst er inderdaad op dat deze e-mails (mede) waren bestemd om [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] /Empire (die, anders dan [de merkrechthebbende] , de Nederlandse taal kennelijk niet machtig is) over de ingediende aanvragen te informeren. Het valt echter op dat de tweede e-mail van 4 november 2016, waarin [de gemachtigde] de gemaakte afspraken bevestigde en de kosten en contractvoorwaarden opgaf, in het Nederlands is opgesteld. Dit wijst er juist op dat zij (en dus Taylor Wessing) [de merkrechthebbende] als opdrachtgever zag. In de e-mails van 4 en 8 november 2016 wordt verder geen melding gemaakt van betrokkenheid van Empire bij deze opdracht.

5.8.

Dat Empire een rol speelde bij de verzochte registratie, blijkt wel uit de e-mails van 9, 10 en 11 november 2016: daarin wordt gesproken over het contact dat [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] zou opnemen met [de gemachtigde] en deelt [de merkrechthebbende] mee dat de facturen via Empire moesten lopen. Ook daaruit behoefde Taylor Wessing echter niet te begrijpen dat [de merkrechthebbende] namens Empire handelde en dat Empire dus haar wederpartij zou zijn. In aanmerking genomen dat Taylor Wessing op grond van de contacten tot dan toe mocht aannemen dat zij zaken deed met [de merkrechthebbende] , hoefde zij het verzoek over de facturering niet anders op te vatten dan dat Empire - kennelijk op grond van de afspraken die zij daarover met [de merkrechthebbende] had gemaakt - als derde die belang had bij de registratie de facturen zou voldoen. De instructie die [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] vervolgens in zijn e-mail van 12 november 2016 aan [de gemachtigde] gaf, kan niet los worden gezien van de opdrachten die [de merkrechthebbende] daarvoor al had gegeven; het gaat in feite om een aanvulling van de opdracht om het merk in China te laten registreren met twee extra klassen. [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] spreekt daarbij over ‘our intention’ om het merk in China ook onder de genoemde classificaties te beschermen en verwijst [de gemachtigde] voor verdere informatie naar hem en [de merkrechthebbende] . Ook daaruit volgt niet dat Empire de opdrachtgever was geworden en [de merkrechthebbende] er tussen uit was gestapt. Uit het feit dat [de gemachtigde] de instructies van [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] heeft opgevolgd, kan dan ook niet worden afgeleid dat zij Empire als opdrachtgever zag: zij kon evengoed aannemen dat [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] (mede) namens [de merkrechthebbende] sprak.

5.9.

Ook uit het feit dat Taylor Wessing de facturen heeft gestuurd (en gericht) aan Empire, kan onder deze omstandigheden niet worden afgeleid dat zij Empire als haar opdrachtgever beschouwde. Zij heeft hiermee immers slechts voldaan aan het verzoek van [de merkrechthebbende] om de facturen via Empire te laten lopen, wat voor Taylor Wessing niet hoefde te betekenen dat Empire haar opdrachtgever zou zijn (zie hiervoor). Dat in de facturen geen btw in rekening is gebracht, wat wel had gemoeten als [de merkrechthebbende] betalingsplichtige zou zijn, legt in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal, omdat dit weliswaar fout is maar ook op een administratieve vergissing kan berusten. Taylor Wessing heeft immers laten zien dat in haar administratiedossiers [de merkrechthebbende] als contractspartij is aangeduid.

Dat Taylor Wessing zich met haar betalingsherinneringen eerst tot Empire heeft gericht, past in de voorgaande lijn. Daar komt bij dat Taylor Wessing haar berichten steeds in cc aan [de merkrechthebbende] heeft gestuurd. Ook daaruit kan dus niet worden afgeleid dat Taylor Wessing ervan uitging dat Empire haar opdrachtgever was.

5.10.

Uit de e-mail van 12 juni 2017 volgt wel dat [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] er, net als [de merkrechthebbende] , van uitging dat laatstgenoemde geen betalingsverplichting jegens Taylor Wessing had. Uit het bericht blijkt echter niet uit welke verklaringen/gedragingen van partijen [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] dit heeft afgeleid. Dat [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] achteraf bevestigde dat hooguit Empire een betalingsverplichting had, wil nog niet zeggen dat Taylor Wessing op grond van de verklaringen en gedragingen van partijen ten tijde van de opdracht kon en moest begrijpen dat [de merkrechthebbende] namens Empire handelde en dat Empire dus haar wederpartij daarbij zou zijn. Zoals hiervoor is overwogen, mocht Taylor Wessing er tot dan toe van uitgaan dat [de merkrechthebbende] de opdrachtgever was. De verklaring van [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] naderhand kon daar niet eenzijdig wijziging in brengen.

5.11.

De conclusie is dat [de merkrechthebbende] zijn stelling dat hij heeft gehandeld namens Empire onvoldoende heeft onderbouwd. Aan bewijslevering komt het hof daarom niet toe. Het bewijsaanbod van [de merkrechthebbende] wordt dus gepasseerd.

5.12.

In de toelichting op grief 3 merkt [de merkrechthebbende] nog op dat hij weliswaar niet de juistheid van de facturen heeft betwist, maar dat dit is omdat hij meent dat dit niet aan hem is nu hij niet de opdrachtgever is. Zoals hiervoor is overwogen, volgt het hof hem daarin niet.

Als [de merkrechthebbende] de juistheid van de facturen ter discussie had willen stellen, had hij dat in deze procedure - gemotiveerd - moeten doen. De verwijzing naar de betwisting die Empire heeft gedaan, volstaat daarbij niet. [de merkrechthebbende] doelt hiermee op de e-mail van 12 juni 2017 waarin [de vertegenwoordiger van de licentiehouder] om bewijsstukken heeft gevraagd dat de aanvragen voor de registratie van het handelsmerk door Taylor Wessing zijn gedaan en van de betaling daarvan. Taylor Wessing heeft in reactie daarop gewezen op haar e-mail van 14 juni 2017 waarin zij de gevraagde informatie aan Empire heeft verstrekt. Kennelijk is hierop niet meer gereageerd. Tijdens de pleidooizitting heeft [de merkrechthebbende] hierover nog verklaard dat de rechten niet zouden zijn gedeponeerd omdat er een fout in de spelling van het woord ‘Hands’ zou zijn gemaakt. Enige onderbouwing daarvan heeft hij echter niet gegeven. Bij gebreke daarvan staat als onvoldoende (gemotiveerd) betwist vast dat Taylor Wessing de werkzaamheden heeft verricht en kosten heeft gemaakt waarvoor [de merkrechthebbende] de in rekening gebrachte vergoeding verschuldigd is. Ook dit betoog kan [de merkrechthebbende] dus niet baten.

5.13.

Op het voorgaande stranden de grieven 1 tot en met 3. Op hetgeen [de merkrechthebbende] verder nog heeft aangevoerd, hoeft niet te worden ingegaan, omdat dit niet kan leiden tot een ander resultaat.

Ingangsdatum wettelijke rente; datum verzuim

5.14.

Met grief 4 keert [de merkrechthebbende] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW wordt toegewezen vanaf de verzuimdata. Hierbij is uitgegaan van de betalingstermijn van veertien dagen na de factuurdatum uit artikel 4.2 van de algemene voorwaarden. [de merkrechthebbende] maakt hier bezwaar tegen omdat de facturen niet aan hem zijn gericht. Hij wijst erop dat hij voor het eerst op 31 mei 2017 is aangeschreven. Hij meent daarom dat de wettelijke rente hooguit vanaf die datum toewijsbaar is.

5.15.

Dit standpunt deelt het hof niet. Zoals hiervoor is overwogen, rustte de betalingsverplichting op [de merkrechthebbende] . Conform zijn verzoek heeft Taylor Wessing de facturen naar Empire gestuurd. Daarbij heeft zij de facturen ook nog in kopie gestuurd aan [de merkrechthebbende] zelf. Daarmee is de betalingstermijn voor hem gaan lopen. [de merkrechthebbende] heeft verder niet bestreden dat de betalingstermijn een fatale termijn betreft, zodat het verzuim na afloop daarvan is ingetreden zonder dat daarvoor een ingebrekestelling nodig was (artikel 6:83 onder a BW).

Dit betekent dat ook grief 4 faalt.

5.16.

Grief 5 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom verder geen bespreking.

6 De slotsom

6.1.

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Gezien deze uitkomst is de restitutievordering van [de merkrechthebbende] niet toewijsbaar.

6.2.

Het hof zal [de merkrechthebbende] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten worden aan de zijde van Taylor Wessing vastgesteld op € 1.978,- voor verschotten (griffierecht) en € 3.222,- voor salaris advocaat (3 punten x appeltarief II).

6.3.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) van 7 maart 2018;

veroordeelt [de merkrechthebbende] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Taylor Wessing vastgesteld op € 1.978,- voor verschotten en op € 3.222,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [de merkrechthebbende] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [de merkrechthebbende] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, C.G. ter Veer en D. Stoutjesdijk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2020.

1 HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877.