Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5326

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
21-004189-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3380, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:515
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schaarsbergen-zaak. Geen sprake van verjaring. Veroordeling voor militaire aanranding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004189-19

Uitspraak d.d.: 9 juli 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de militaire kamer van de rechtbank Gelderland van 22 juli 2019 met parketnummer 05-760022-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 juni 2020 en 9 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.F. Aarts, en zijn officier-raadsman, majoor M.P.G. Gooijer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De militaire kamer van de rechtbank heeft -kort gezegd- het deel van de tenlastelegging dat zag op de periode voor 20 maart 2013 als verjaard aangemerkt en het openbaar ministerie ten aanzien van die periode niet-ontvankelijk verklaard. Verdachte is vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw recht doen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie - verjaring?

Verdachte wordt er -kort gezegd- van beschuldigd dat hij zich in de periode van 18 maart 2013 tot en met 22 maart 2013 schuldig heeft gemaakt aan militaire aanranding.

Uit artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht volgt dat het recht tot strafvordering voor dit misdrijf vervalt door verjaring in zes jaren. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, dan wel -bij een voortdurend delict- de dag nadat de verboden toestand is geëindigd. De verjaring kan echter worden gestuit door een daad van vervolging.

Aan het hof ligt voor de vraag of het tenlastegelegde feit (gedeeltelijk) is verjaard.

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verjaring tijdig is gestuit. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld was van die stuiting niet pas sprake op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding op 20 maart 2019, maar al vóór deze datum door een tweetal handelingen die als vervolgingsdaad zijn aan te merken. De eerste betreft een vordering van de officier van justitie van 5 december 2017, gericht aan de rechter-commissaris, om -kort gezegd- een telefoontap toe te staan. Deze vordering is gedaan in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , maar stuitte ook de verjaring in de zaak tegen verdachte. De tweede stuitingshandeling betreft het aanbrengen van de zaak bij de rechtbank, waarvan al in november 2018 sprake was, zoals blijkt uit een e-mailbericht van de voorzitter van de militaire kamer van de rechtbank van 2 november 2018 in samenhang bezien met het verzenden van de concept-tenlastelegging op 27 november 2018.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een gedeeltelijke verjaring van de tenlastegelegde periode. Vóór het uitbrengen van de dagvaarding op 20 maart 2019 is er geen sprake geweest van een daad van vervolging die de verjaring heeft gestuit.

Volgens de raadsvrouw is het vorderen van een telefoontap geen daad van vervolging, maar een opsporingsmiddel. Bij een verdenking van artikel 140 van het Wetboek van Militair Strafrecht is een telefoontap bovendien niet mogelijk. In de zaak van verdachte is geen vordering tot telefoontap gedaan en het aan verdachte tenlastegelegde feit wordt niet genoemd in de vorderingen die zijn gedaan in de zaken van de medeverdachten.

Over het aanbrengen van de zaak bij de rechtbank heeft de raadsvrouw -kort gezegd- aangevoerd dat louter feitelijke en informele handelingen niet als een daad van vervolging kunnen worden aangemerkt. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat in het tenlastegelegde feit de periode van 18 maart 2013 tot 20 maart 2013 verjaard is, zodat het openbaar ministerie wat die periode betreft niet-ontvankelijk is.

Oordeel van het hof

Ten aanzien van de vraag of sprake is van een daad van vervolging die de verjaring heeft gestuit overweegt het hof als volgt.

Een daad van vervolging is te omschrijven als een daad die erop is gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen. Onder dit begrip valt in elk geval iedere handeling van het openbaar ministerie die een onderzoek door of een beslissing van de rechter (-commissaris) uitlokt. Niet van belang is of de verdachte van die handeling kennis heeft kunnen nemen.

Naar het oordeel van het hof kan een vordering tot een bevel voor het toepassen van bijzondere opsporingsbevoegdheden in beginsel als een dergelijke daad worden beschouwd. Het hof stelt in dit verband vast dat in de strafzaak tegen verdachte geen bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn toegepast. De in het dossier opgenomen vorderingen voor een bevel opnemen telecommunicatie zijn gedaan in de strafzaken tegen de (mede)verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Deze vorderingen zouden echter in beginsel ook kunnen gelden jegens verdachte. Het feitencomplex waarop de telefoontap is gevorderd, zoals dat omschreven is in de processen-verbaal aanvraag bevel opnemen (tele)communicatie van de Koninklijke Marechaussee, gesloten op 29 november 2017, moet dan wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 126m, lid 1, van het Wetboek van Strafvordering. Er moet sprake zijn van een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, lid 1, van het Wetboek van Strafvordering. Aan verdachte is militaire aanranding, als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Militair Strafrecht, tenlastegelegd. Dit feit is als verdenking niet vermeld in de vordering en het is bovendien geen misdrijf als bedoeld in artikel 67, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is daarom van oordeel dat de vorderingen tegen de medeverdachten in het geval van verdachte niet kunnen worden beschouwd als een daad van vervolging, zodat ze geen stuitende werking van de verjaring kunnen opleveren.

De vraag is dan of op een ander moment sprake is geweest van een daad van vervolging die de verjaring heeft gestuit. Naar het oordeel van het hof is dat het geval. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier blijkt dat er - voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding - uitgebreid is gecorrespondeerd over het aanbrengen van de onderhavige strafzaak en het aanbrengen van de strafzaken van de medeverdachten (verder gezamenlijk de zaak of de zaken Schaarsbergen genoemd), bij de militaire kamer van de rechtbank. Bij die correspondentie was zowel het openbaar ministerie, als de verdediging, als de militaire kamer van de rechtbank betrokken. Uit de correspondentie blijkt onder meer het volgende.

In een e-mailbericht van 11 september 2018 heeft de parketsecretaris namens de officier van justitie aan de (toenmalige) raadsman van verdachte laten weten van welk feit verdachte werd beschuldigd en meegedeeld dat verdachte voor dit feit zal worden gedagvaard. Op 21 september 2018 heeft de raadsvrouw van een medeverdachte, mede namens de (toenmalige) raadsman van verdachte, aan de officier van justitie laten weten dat er geen behoefte bestond aan een regiezitting. Er werd verzocht om in contact te blijven over de planning van de inhoudelijke behandeling van de zaak. Uit een aantal e-mailberichten van 18 tot en met 22 oktober 2018 blijkt vervolgens dat het openbaar ministerie daarna doende was met het aanbrengen van de zaak, waarbij rekening moest worden gehouden met de verhinderdata van de raadslieden, de officier van justitie en de militaire kamer van de rechtbank.

In het strafdossier bevindt zich een e-mailbericht van 2 november 2018 van de voorzitter van de militaire kamer van de rechtbank aan de officier van justitie mr. A.C.J. Nettenbreijers waaruit volgt dat de voorzitter (in ieder geval) vanaf die datum inhoudelijk is betrokken bij het aanbrengen op een zitting van de zaak Schaarsbergen. Op 27 november 2018 is de concept-tenlastelegging naar de (toenmalige) raadsman van verdachte verstuurd, waarna op 20 maart 2019 de daadwerkelijke dagvaarding uit is gegaan met exact dezelfde inhoud als het concept. Ten slotte is op 14 maart 2019 nog gecorrespondeerd tussen de griffier van de rechtbank en het openbaar ministerie over de indeling van de zittingsdagen op 9 en 10 mei 2019.

Het hof stelt vast dat ingeval van omvangrijke en complexe strafzaken - zoals de zaak Schaarsbergen - waarbij sprake is van een gelijktijdige behandeling van zaken tegen meerdere verdachten met verschillende raadslieden, in het belang van alle procespartijen een planningsproces voor afstemming van de beschikbaarheid van procespartijen en zittingsruimte in het zittingsrooster noodzakelijk is voordat de definitieve individuele dagvaardingen kunnen worden uitgebracht. Het rauwelijks uitbrengen van dagvaardingen verstaat zich in dit soort omvangrijke zaken niet met alle belangen.

Naar het oordeel van het hof is het inhoudelijk betrekken van de voorzitter van de militaire kamer van de rechtbank in deze zaak bij dit planningsproces met het oog op het ter zitting aanbrengen van de strafzaak, onder voormelde omstandigheden, aan te merken als een daad die erop is gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen. De vervolging - en het “zoeken” naar geschikte data voor de behandeling - was vanaf dat moment voor de rechtbank immers evident en hoewel het de officier van justitie nadien formeel nog vrij stond verdachte niet te dagvaarden, zou dit na deze datum niet meer zonder concreet overleg met de voorzitter van de militaire kamer van de rechtbank hebben gekund en is hiervan ook nadien niet gebleken. Anders dan de verdediging is het hof dus van oordeel dat geen sprake is van louter feitelijke en informele handelingen. Dat deze daden gericht op het van de rechter te verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing per e-mail zijn verricht, doet aan het voorgaande niet af, nu het hierbij om een in de huidige tijd volstrekt gangbaar communicatiemiddel gaat, ook tussen leden van de rechtspraak, het openbaar ministerie en de verdediging.

In deze zaak en onder deze omstandigheden is de verjaring naar het oordeel van het hof gestuit op de datum van het e-mailbericht van de voorzitter van de militaire kamer van de rechtbank op 2 november 2018.

Door deze stuiting is het ten laste gelegde feit niet (gedeeltelijk) verjaard voor wat betreft de tenlastegelegde periode, zodat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij als militair in of omstreeks de periode van 18 maart 2013 tot en met 22 maart 2013, te of nabij Bergen Hohne en/of Münster Süd (Duitsland), in elk geval in Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (de) solda(a)t(en) [aangever 1] en/of [aangever 2] , die toen militair waren, althans die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam waren, feitelijk heeft/hebben bedreigd met geweld en/of feitelijk heeft/hebben aangerand door toen en daar opzettelijk die [aangever 1] en/of [aangever 2] op de grond liggend tussen hem, verdachte, en zijn mededader(s) in te klemmen, althans vast te houden en/of (vervolgens) met ontbloot onderlichaam op het gezicht, althans hoofd van die [aangever 1] en/of [aangever 2] te gaan zitten.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De strafzaak tegen verdachte komt - evenals de strafzaken tegen meerdere (mede)verdachten - voort uit het onderzoek van de Koninklijke Marechaussee naar beweerde misstanden binnen de mortiergroep van de Luchtmobiele Brigade op de Oranjekazerne te Schaarsbergen. Dit onderzoek is bekend geworden als de ‘Schaarsbergen-zaak’. Rondom de Schaarsbergen-zaak is veel te doen geweest. Zo is er politieke bemoeienis geweest en hebben de media de zaak breed uitgemeten.

Het hof stelt voorop dat het niet aan het hof is om te oordelen over eventuele, algemene misstanden op, binnen en rondom de Oranjekazerne in Schaarsbergen of bij de Luchtmobiele Brigade. Aan het hof ligt thans enkel voor het strafrechtelijke verwijt dat verdachte wordt gemaakt en de vraag of verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Dit verwijt betreft het feit waarvoor verdachte door het openbaar ministerie is vervolgd en zoals dat aan verdachte - zoals hierboven vermeld - ten laste is gelegd. Kort gezegd komt het er op neer dat het hof heeft te beoordelen of verdachte zich in de periode van 18 maart 2013 tot en met 22 maart 2013 heeft schuldig gemaakt aan militaire aanranding.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan. Zij hebben daartoe -kort gezegd- gewezen op de belastende verklaringen van aangevers en de ondersteunende getuigenverklaringen.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ontkend het hem tenlastegelegde te hebben begaan. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde wegens een gebrek aan wettig bewijs. De verklaringen van aangevers zijn onbetrouwbaar en dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Daarbij is gewezen op inconsistenties en onjuistheden in de verklaringen. Er is geen objectief ondersteunend bewijs voorhanden.

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het wettige bewijs te veel ruimte voor twijfel laat. Daarnaast kan het feit niet in de tijd worden bepaald.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de door de raadsvrouw gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen en ziet geen reden om de bewijsmiddelen uit te sluiten van het bewijs. Het hof overweegt daartoe in bijzonder het volgende.

Op 17 juni 2013 is in het kader van een huishoudelijk onderzoek een gesprek gevoerd met

[aangever 1] , waarvan een verslag is opgemaakt. [aangever 1] heeft toen verteld dat bij hem het geintje ‘drie man tillen’ is uitgehaald en dat (onder meer) soldaat [verdachte] daarbij betrokken was. Ook soldaat [getuige] was erbij.

Op 11 december 2017 heeft [aangever 1] aangifte gedaan. In zijn aangifte verklaart hij dat het ‘drie man tillen’ in Trauen, Duitsland, heeft plaatsgevonden, tijdens een oefening die van 18 tot en met 22 maart 2013 plaatsvond. Terwijl hij door twee anderen, waaronder soldaat [getuige] , werd vastgehouden, ging [verdachte] boven hem staan, deed zijn broek naar beneden en ging met zijn kont en ballen over het gezicht van aangever.

Op 17 juni 2013 is in het kader van een huishoudelijk onderzoek een gesprek gevoerd met [aangever 2] , waarvan een verslag is opgemaakt. In dit gesprek heeft [aangever 2] verteld dat bij hem de grap ‘drie man tillen’ is uitgehaald. [verdachte] ging op zijn gezicht zitten en dezelfde dag is dit ook met [aangever 1] gedaan. Ook soldaat [getuige] was erbij.

Op 13 januari 2018 heeft [aangever 2] aangifte gedaan. In zijn aangifte verklaart hij dat het ‘drie man tillen’ plaatsvond in Trauen in Duitsland, tijdens een oefening. Terwijl hij op zijn rug lag en werd vastgehouden door twee mannen, waaronder soldaat [getuige] , deed [verdachte] zijn broek en onderbroek uit en ging heen en weer over de neus van [aangever 2] . Twee tellen later deden ze het bij [aangever 1] .

[getuige] is op 31 januari 2018 als verdachte gehoord. Nadat hem is voorgehouden dat [aangever 2] heeft verklaard dat in Trauen het ‘drie man tillen’ bij hem is gedaan en dat [getuige] daarbij aanwezig was, heeft [getuige] verklaard dat hij weet dat één van de jongens erbij was toen het met de ander gebeurde. Met die jongens bedoelde hij [aangever 1] en [aangever 2] .

Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers te twijfelen. Op hoofdpunten zijn de verklaringen van aangevers namelijk consistent en zij vinden steun in elkaar. Bovendien worden de verklaringen op essentiële punten ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] . Het hof overweegt verder dat aangevers van meet af aan [verdachte] hebben aangewezen als (een van) de schuldige(n) en dat zij telkens concreet spreken over dit incident, terwijl er ruim vier jaar zit tussen het gesprek in het kader van het huishoudelijk onderzoek en het doen van aangifte. Dat de verklaringen op punten, die naar het oordeel van het hof van ondergeschikt belang en niet van belang voor de bewijsvraag zijn - zoals wie nu precies de omstanders waren van het incident - soms verschillen, doet aan het voorgaande en de bruikbaarheid van die verklaringen als bewijsmiddel niet af. Ten slotte heeft het hof bij het voorgaande oordeel betrokken dat aangevers zich verder niet negatief hebben uitgelaten over verdachte, maar enkel verklaren over de door hem verrichte handelingen (die later aan verdachte zijn tenlastegelegd). Aanvankelijk waren aangevers zoals blijkt uit hun eerste verklaringen ook niet uit op het doen van aangifte. Uit niets is gebleken dat aangevers verdachte noemen om hem maar ergens van te kunnen beschuldigen, zoals verdachte ter terechtzitting van het hof heeft geopperd.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij als militair in of omstreeks de periode van 18 maart 2013 tot en met 22 maart 2013, te of nabij Bergen Hohne en/of Münster Süd (Duitsland), in elk geval in Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (de) solda(a)t(en) [aangever 1] en/of [aangever 2] , die toen militair waren, althans die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam waren, feitelijk heeft/hebben bedreigd met geweld en/of feitelijk heeft/hebben aangerand door toen en daar opzettelijk met ontbloot onderlichaam op het gezicht, althans hoofd van die [aangever 1] en/of [aangever 2] , op de grond liggend en ingeklemd tussen hem, verdachte, en verdachtes mededader(s), in te klemmen, althans vast te houden en/of (vervolgens) te gaan zitten.

De taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van als militair opzettelijk een andere militair feitelijk aanranden, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur.

Het hof overweegt het volgende.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan -kort gezegd- militaire aanranding, door het zogenaamde ‘drie man tillen’ uit te voeren. Hij is als militair met zijn ontblote onderlichaam op de hoofden/gezichten van twee soldaten gaan zitten, terwijl twee andere militairen hen op de grond tussen zich in vastgeklemd hielden. Een dergelijk feit kan door de slachtoffers als vernederend en respectloos worden ervaren, mede vanwege de inbreuk op de lichamelijke integriteit, en getuigt van militair onwaardig gedrag.

Dat, zoals uit het dossier kan blijken, sommige militairen dit ‘drie man tillen’ kennelijk zien als grap, doet niets af aan de strafwaardigheid van het feit. Het strafbaar stellen van gedrag zoals hier aan de orde dient er namelijk (onder andere) toe om kwetsbare of (relatief) onervaren militairen te beschermen tegen mogelijke groepsdruk of onacceptabele druk van bovenaf.

Het hof houdt rekening met het tijdsverloop in onderhavige zaak. Daarnaast overweegt het hof dat het handelen van verdachte als een meer losstaand incident moet worden gezien en dat deze zaak desondanks onderdeel is gaan uitmaken van het voorliggende, omvangrijke strafdossier waarin onderzoek is gedaan naar meerdere andere incidenten die zich binnen de Luchtmobiele Brigade van de Landmacht zouden hebben afgespeeld. Voor (het onderzoek naar) die andere incidenten is veel politieke en media-aandacht geweest, waardoor ook verdachte in een ruimer kwaad daglicht is gezet. Er kan worden geconcludeerd dat de consequenties voor verdachte groot zijn geweest. Zo heeft verdachte naar aanleiding van de onderliggende beschuldiging de dienst verlaten. Het hof houdt met deze omstandigheden in strafmatigende zin rekening.

Gelet op het voorgaande en alles afwegende zal het hof de taakstraf van 40 uur, zoals geëist door de advocaten-generaal, geheel voorwaardelijk opleggen, met daaraan verbonden een proeftijd van één jaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 140 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. R.H. Koning, voorzitter,

mr. A.J. Smit en commandeur (LD) (tit.) mr. G. Souer, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Jochems, griffier,

en op 9 juli 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.