Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5324

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
21-004187-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3334, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:514
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schaarsbergen-zaak. Geen sprake van verjaring. Vrijspraak van mishandeling en veroordeling voor bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004187-19

Uitspraak d.d.: 9 juli 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de militaire kamer van de rechtbank Gelderland van 22 juli 2019 met parketnummer 05-882537-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

wonende te [woonplaats] ,

korporaal der 1e klasse.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 juni 2020 en 9 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.F. Aarts, en zijn officier-raadsman, majoor M.P.G. Gooijer, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ten aanzien van een aantal (deel)vrijspraken

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep (onder andere) vrijgesproken van de hem onder 2 tenlastegelegde bedreiging met het mes van [aangever 1] (derde alinea) en het onder 3 tenlastegelegde. Door het openbaar ministerie is ter zitting medegedeeld dat het hoger beroep zich niet tegen deze (deel)vrijspraken richt. Het hof zal de officier van justitie wegens het ontbreken van grieven in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De militaire kamer van de rechtbank heeft - kort gezegd - bij de tenlastegelegde feiten dat deel van de tenlastelegging dat ziet op de periode voor 20 maart 2013, als verjaard aangemerkt en het openbaar ministerie ten aanzien van die periode niet-ontvankelijk verklaard. Verdachte is vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten. De benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en tevens omdat het tot een (deels) andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw recht doen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie – verjaring?

Verdachte wordt er na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep -kort gezegd en voor zover in hoger beroep nog aan de orde- van beschuldigd dat hij zich, samen met anderen, in de periode van 25 februari 2013 tot en met 8 juni 2013 als militair schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van een andere militair (feit 1) en dat hij zich, samen met anderen, in de periode van 25 februari 2013 tot en met 8 juni 2013 schuldig heeft gemaakt aan bedreigingen (feit 2).

Aan het hof ligt voor de vraag of sprake is van (gedeeltelijke) verjaring van het tenlastegelegde onder feit 1 en/of feit 2. Het hof overweegt hier nog dat het niet in zal gaan op de vraag of ook ten aanzien van feit 3 mogelijk sprake is van (gedeeltelijke) verjaring, nu de officier van justitie zoals hiervoor al is overwogen niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep tegen dit feit wegens het ontbreken van grieven.

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verjaring tijdig is gestuit. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, was van die stuiting niet pas sprake op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding op 20 maart 2019, maar al vóór deze datum door een tweetal handelingen die als vervolgingsdaad zijn aan te merken. De eerste betreft een vordering van de officier van justitie van 5 december 2017, gericht aan de rechter-commissaris, om -kort gezegd- een telefoontap toe te staan. Deze vordering is gedaan in de zaken van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . De tweede stuitingshandeling betreft het aanbrengen van de zaak bij de rechtbank, waarvan al in november 2018 sprake was, zoals blijkt uit een e-mailbericht van de voorzitter van de militaire kamer van de rechtbank van 2 november 2018, in samenhang bezien met het verzenden van de concept-tenlastelegging op 27 november 2018.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een gedeeltelijke verjaring van de tenlastegelegde periode. Vóór het uitbrengen van de dagvaarding op 20 maart 2019 is er geen sprake geweest van een daad van vervolging die de verjaring heeft gestuit.

Volgens de raadsvrouw is het vorderen van een telefoontap geen daad van vervolging, maar een opsporingsmiddel.

Over het aanbrengen van de zaak bij de rechtbank heeft de raadsvrouw -kort gezegd- aangevoerd dat louter feitelijke en informele handelingen niet als een daad van vervolging kunnen worden aangemerkt.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de tenlastegelegde feiten de periode voor 20 maart 2013 verjaard is, zodat het openbaar ministerie wat die periode betreft niet-ontvankelijk is.

Oordeel van het hof

Feit 1

Mishandeling als bedoeld in artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie. Ingevolge artikel 141 van het Wetboek van Militair Strafrecht kan de in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde gevangenisstraf met een derde worden verhoogd.

De grond van de verjaringsregeling is met name gelegen in de omstandigheid dat de samenleving door tijdsverloop minder behoefte heeft aan bestraffing van de dader. Gelet op het wettelijk systeem van de verjaringsregeling neemt die behoefte sneller af naarmate het misdrijf minder ernstig is. Naar het oordeel van het hof komt de ernst van het hier aan de orde zijnde misdrijf niet enkel tot uitdrukking in de straf die is gesteld op het misdrijf mishandeling, maar ook in de strafverzwarende omstandigheid dat het feit is begaan door een militair jegens een andere militair. De wetgever heeft dat eveneens tot uitdrukking gebracht in de hogere strafbedreiging die alsdan op het feit is gesteld. In deze zaak betekent dit dat indien de strafverzwarende omstandigheid van artikel 141 van het Wetboek van Militair Strafrecht zich voordoet, op het feit strafbaar gesteld in artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, een tijdelijke gevangenisstraf van maximaal vier jaren is gesteld, wat gelet op artikel 70, eerste lid onder 3, van het Wetboek van Strafrecht een verjaringstermijn van 12 jaren meebrengt.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat geen sprake is van (gedeeltelijke) verjaring van feit 1.

Feit 2

Bedreiging als bedoeld in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

Uit artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, eerste lid onder 2, volgt dat het recht tot strafvordering vervalt door verjaring in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, dan wel -bij een voortdurend delict- de dag nadat de verboden toestand is geëindigd.

Het hof is van oordeel dat het tenlastegelegde feit niet (gedeeltelijk) is verjaard, nu er binnen de gestelde zes jaren een daad van vervolging heeft plaatsgevonden die de verjaring heeft gestuit. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Met een daad van vervolging wordt bedoeld een daad die erop is gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen. Onder dit begrip valt in elk geval iedere handeling van het openbaar ministerie die een onderzoek door of een beslissing van de rechter(-commissaris) uitlokt. Niet van belang is of de verdachte van die handeling kennis heeft kunnen nemen.

Op 5 december 2017 heeft het openbaar ministerie in de zaak van verdachte gevorderd dat de rechter-commissaris machtiging zou verlenen voor het geven van een bevel tot het opnemen van telecommunicatie (zonder welke machtiging een telefoontap rechtens niet geoorloofd was). Deze vordering had betrekking op verdenking van het plegen van de misdrijven als bedoeld in de artikelen 137c, 285, 300 en 321 van het Wetboek van Strafrecht. De rechter-commissaris heeft de gevorderde machtiging verleend op 5 december 2017. Naar het oordeel van het hof is deze vordering een daad van vervolging, nu het een handeling betreft die erop was gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen. Met de vordering is ook onmiskenbaar het toenmalige standpunt van het openbaar ministerie dat de inbreuk op de rechtsorde nog steeds strafvervolging vereiste, tot uitdrukking gebracht. De omstandigheid dat de regeling over de desbetreffende vordering in het Wetboek van Strafvordering in de titel over bijzondere bevoegdheden tot opsporing is neergelegd, maakt dat niet anders. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat in de kamerstukken waarnaar door de raadsvrouw is verwezen het verkrijgen van een tapmachtiging niet is genoemd, nu daarin geen sprake is van een limitatieve opsomming van stuitingshandelingen. Evenmin wordt dit oordeel anders doordat, zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd, de minister het onderzoek door de rechter-commissaris onder het opsporingsonderzoek betrekt. Het voorgaande brengt mee dat op 5 december 2017 de verjaring is gestuit en een nieuwe verjaringstermijn is aangevangen.

Reeds hierom is van verjaring van een deel van de tenlastegelegde periode geen sprake. Daarbij komt nog dat naar het oordeel van het hof ook op een later moment nog sprake is geweest van een daad van vervolging die de verjaring heeft gestuit. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Uit het dossier blijkt dat er - voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding - uitgebreid is gecorrespondeerd over het aanbrengen van onderhavige strafzaak en het aanbrengen van de strafzaken van de medeverdachten (verder gezamenlijk de zaak of de zaken Schaarsbergen genoemd), bij de militaire kamer van de rechtbank. Bij die correspondentie was zowel het openbaar ministerie als de verdediging als de militaire kamer van de rechtbank betrokken. Uit de correspondentie blijkt onder meer het volgende.

In een e-mailbericht van 11 september 2018 heeft de parketsecretaris namens de officier van justitie aan de (toenmalige) raadsvrouw van verdachte laten weten van welke feiten verdachte werd beschuldigd en medegedeeld dat verdachte voor deze feiten zal worden gedagvaard. Op 21 september 2018 heeft de (toenmalige) raadsvrouw van verdachte aan de officier van justitie laten weten dat er geen behoefte bestond aan een regiezitting. Er werd verzocht om in contact te blijven over de planning van de inhoudelijke behandeling van de zaak. Uit een aantal e-mailberichten van 18 tot en met 22 oktober 2018 blijkt vervolgens dat het openbaar ministerie daarna doende was met het aanbrengen van de zaak, waarbij rekening moest worden gehouden met de verhinderdata van de raadslieden, de officier van justitie en de militaire kamer van de rechtbank. In het strafdossier bevindt zich een e-mailbericht van 2 november 2018 van de voorzitter van de militaire kamer van de rechtbank aan de officier van justitie mr. A.C.J. Nettenbreijers waaruit volgt dat de voorzitter (in ieder geval) vanaf die datum inhoudelijk is betrokken bij het aanbrengen op een zitting van de zaak Schaarsbergen. Ten slotte is op 14 maart 2019 nog gecorrespondeerd tussen de griffier van de rechtbank en het openbaar ministerie over de indeling van de zittingsdagen op 9 en 10 mei 2019.

Het hof stelt vast dat ingeval van omvangrijke en complexe strafzaken - zoals de zaak Schaarsbergen - waarbij sprake is van een gelijktijdige behandeling van zaken tegen meerdere verdachten met verschillende raadslieden, in het belang van alle procespartijen een planningsproces voor afstemming van de beschikbaarheid van procespartijen en zittingsruimte in het zittingsrooster noodzakelijk is voordat de definitieve individuele dagvaardingen kunnen worden uitgebracht. Het rauwelijks uitbrengen van dagvaardingen verstaat zich in dit soort omvangrijke zaken niet met alle belangen.

Naar het oordeel van het hof is het inhoudelijk betrekken van de voorzitter van de militaire kamer van de rechtbank in deze zaak bij dit planningsproces met het oog op het ter zitting aanbrengen van de strafzaak, onder voormelde omstandigheden, aan te merken als een daad die erop is gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen. De vervolging - en het “zoeken” naar geschikte data voor de behandeling - was vanaf dat moment voor de rechtbank immers evident en hoewel het de officier van justitie nadien formeel nog vrij stond verdachte niet te dagvaarden, zou dit na deze datum niet meer zonder concreet overleg met de voorzitter van de militaire kamer van de rechtbank hebben gekund en is hiervan ook nadien niet gebleken. Anders dan de verdediging is het hof dus van oordeel dat geen sprake is van louter feitelijke en informele handelingen. Dat deze daden gericht op het van de rechter te verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing per e-mail zijn verricht, doet aan het voorgaande niet af, nu het hierbij om een in de huidige tijd volstrekt gangbaar communicatiemiddel gaat, ook tussen leden van de rechtspraak, het openbaar ministerie en de verdediging.

In deze zaak en onder deze omstandigheden is de verjaring naar het oordeel van het hof ook gestuit op de datum van het e-mailbericht van de voorzitter van de militaire kamer van de rechtbank op 2 november 2018.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat door de stuiting de ten laste gelegde feiten niet (gedeeltelijk) zijn verjaard voor wat betreft de tenlastegelegde periode, zodat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- dus tenlastegelegd dat:

1.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 februari 2013 tot en met 8 juni 2013 te of nabij Schaarsbergen, gemeente Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, soldaat [aangever 1] (telkens) opzettelijk heeft mishandeld door meermalen te trappen en/of te schoppen en/of te slaan en/of te stompen en/of te duwen en/of te prikken en/of te porren, waardoor voornoemde [aangever 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, hebbende verdachte als militair voormeld misdrijf gepleegd tegen genoemd persoon, terwijl die toen militair was, althans terwijl die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam was.

2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 februari 2013 tot en met 8 juni 2013, althans de periode van 1 mei 2013 tot en met 8 juni 2013, in/op de Oranjekazerne te Schaarsbergen, gemeente Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

aan die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] (telkens) opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen 'ik kom je kapot maken' en/of 'ik maak je kapot' en/of 'ik wacht je bij de poort op' en/of 'ik kom je moeder opzoeken' en/of 'ik weet waar je woont' en/of 'wij pakken jou als je gaat lullen' en/of 'als jij naar de kapitein gaat, wacht ik je vrijdag buiten de poort op en steek ik je kapot. En denk maar niet dat dit een geintje is' en/of 'ik schiet je dood' en/of 'je krijgt kankerklappen', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

en/of

aan die [aangever 3] en/of [aangever 2] een mes te tonen/voor te houden en/of daarbij dreigend de woorden toe te voegen 'ik steek je voor je flikker als je nog één keer over ons lult tegen iemand anders. En denk niet dat ik een geintje maak' en/of 'ik zoek jou bij de poort wel op' en/of 'ik steek je kapot als je ermee naar de kapitein gaat' en/of 'ik steek je voor je flikker', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

en/of

op die [aangever 1] en/of [aangever 3] een (ongeladen) wapen te richten, althans een wapen te pakken en/of daarbij dreigend de woorden toe te voegen 'ik maak je dood' en/of 'ik maak jou kapot' en/of 'ik zoek je thuis op', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De strafzaak tegen verdachte komt - evenals de strafzaken tegen meerdere (mede)verdachten - uit het onderzoek van de Koninklijke Marechaussee naar beweerde misstanden binnen de mortiergroep van de Luchtmobiele Brigade en is ook bekend geworden als de ‘Schaarsbergen-zaak’. Over en rondom de Schaarsbergen-zaak is veel te doen geweest. Zo is er politieke bemoeienis geweest en hebben de media de zaak breed uitgemeten.

Het hof stelt voorop dat het niet aan het hof is om te oordelen over eventuele, algemene misstanden op, binnen en rondom de Oranjekazerne in Schaarsbergen of bij de Luchtmobiele Brigade. Aan het hof liggen thans enkel voor de strafrechtelijke verwijten die verdachte worden gemaakt en de vraag of verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Deze verwijten betreffen de feiten waarvoor verdachte door het openbaar ministerie is vervolgd en zoals die aan verdachte - zoals hierboven vermeld - ten laste zijn gelegd en nog in hoger beroep aan de orde zijn. Kort gezegd gaat het daarbij om het als militair mishandelen van soldaat [aangever 1] (feit 1) en het meermalen bedreigen van [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] (feit 2).

Ten aanzien van feit 1

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben de advocaten-generaal verwezen naar de verklaring van aangever [aangever 1] en de getuigenverklaringen van [aangever 3] en van [aangever 2] , ter ondersteuning daarvan. Het openbaar ministerie vindt dat de verklaringen van [aangever 1] en van [aangever 3] op hoofdlijnen met elkaar overeenkomen en consistent zijn, zodat deze verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Van het tenlastegelegde trappen is vrijspraak gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [aangever 1] . De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken wegens een gebrek aan wettig bewijs. Zij heeft daartoe -kort gezegd- aangevoerd dat de verklaringen van aangevers met behoedzaamheid en terughoudendheid moeten worden gebruikt, nu er vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid daarvan. Zij heeft verzocht om de verklaringen uit te sluiten van het bewijs. Objectief steunbewijs is niet voorhanden.

Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de belastende verklaringen op essentiële punten inconsistent en tegenstrijdig zijn, zodat er geen bewijs is voor het tenlastegelegde. De handelingen waar [aangever 3] over heeft verklaard, te weten duwen, prikken en porren, hebben geen pijn of letsel opgeleverd.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het hem onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt het volgende.

Aangever [aangever 1] heeft op 12 juni 2017 aangifte gedaan van mishandeling door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Hij heeft -kort gezegd- verklaard dat hij meerdere keren is getrapt en geslagen, maar kan niet zeggen wanneer en waar het gebeurde. Wel was het bijna elke dag.

Getuige [aangever 2] heeft op 21 juni 2017 verklaard dat hij zelf nooit heeft gezien dat [aangever 1] klappen of schoppen heeft gekregen en dat hij dat alleen van [aangever 1] zelf heeft gehoord.

Getuige [aangever 3] heeft op 15 augustus 2017 verklaard dat [aangever 1] klappen, meppen en duwen kreeg van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . In een latere verklaring, op 21 juni 2018, heeft hij verklaard dat hij nooit heeft gezien dat [aangever 1] bijvoorbeeld een stomp of klap in zijn gezicht kreeg, maar dat het altijd van die duwen, porren, prikken en stompen tegen de schouder waren. Het was volgens hem meer een lompe manier van wegduwen.

Het hof overweegt dat de aangifte niet één concrete situatie omschrijft voor wat betreft tijd en plaats, maar dat deze van zeer algemene aard is. De getuigenverklaringen spreken evenmin over concrete gebeurtenissen en zijn daarmee te algemeen om objectieve ondersteuning te kunnen bieden aan de inhoud van de aangifte. Voor het overige bevat het dossier, zoals dat is voorgelegd aan het hof, geen ondersteunend bewijs voor de aangifte van mishandelingen van [aangever 1] .

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat een bewezenverklaring niet kan volgen.

Ten aanzien van feit 2

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, in die zin dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de verbale bedreigingen, aan het medeplegen van de bedreiging met een vuurwapen, en aan het plegen van de bedreiging met een mes. Zij hebben ter onderbouwing van dit standpunt -kort gezegd- gewezen op de verklaringen van aangevers en aangevoerd dat met name de verklaringen van [aangever 2] en [aangever 3] op essentiële punten overeen komen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde wegens een gebrek aan wettig bewijs. Zij heeft daartoe -kort gezegd- aangevoerd dat de verklaringen van aangevers met behoedzaamheid en terughoudendheid moeten worden gebruikt, nu er vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid daarvan. Zij heeft verzocht om de verklaringen uit te sluiten van het bewijs. Objectief steunbewijs is niet voorhanden.

Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan. Zij heeft daartoe -kort gezegd- aangevoerd dat de belastende verklaringen niet concreet zijn en op essentiële punten inconsistent en tegenstrijdig. Ten slotte heeft zij aangevoerd dat het moment waarop de vermeende bedreigingen volgens aangevers hebben plaatsgevonden kort na de oefening in Marnewaard moet zijn geweest, te weten op 4 juni 2013. Het moet toen ontzettend druk zijn geweest in de wapenkamer, zodat de gedragingen waarvan verdachte beschuldigd wordt niet onopgemerkt zouden zijn gebleven door omstanders als ze zouden hebben plaatsgevonden.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de door raadsvrouw gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof overweegt het volgende.

Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de bewijsmiddelen te twijfelen, zodat de verklaringen van aangevers niet zullen worden uitgesloten van het bewijs. Naar het oordeel van het hof zijn er geen feiten en omstandigheden door de raadsvrouw naar voren gebracht, dan wel anderszins aannemelijk geworden die maken dat de verklaringen van aangevers in zijn geheel als onbetrouwbaar en ongeloofwaardig terzijde moeten worden geschoven. Dat aangevers tijdens het huishoudelijk onderzoek (CvHO) (nog) niet hebben gesproken over bedreigingen, doet naar het oordeel van het hof zonder meer niet af aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen.

Het hof overweegt vervolgens allereerst dat, anders dan de verdediging heeft gesuggereerd, de tenlastegelegde bedreigingen naar het oordeel van het hof niet zien op het tijdstip kort na de oefening in Marnewaard (te weten op 4 juni 2013). Op basis van verschillende verklaringen in het dossier stelt het hof vast dat aangevers doelen op een ander, eerder moment, in mei 2013.

Het hof overweegt daartoe dat uit de verklaringen van aangevers [aangever 1] , [aangever 3] en [aangever 2] - kort gezegd - blijkt dat zij op enig moment naar de compagnies sergeant majoor (CSM) [sergeant majoor] zijn gestapt om te praten over misstanden binnen de mortiergroep. Aangevers [aangever 3] en [aangever 2] hebben verklaard dat [sergeant majoor] dezelfde avond nog aan (onder meer) de sergeant [sergeant] en korporaals [verdachte] en [medeverdachte 1] heeft doorverteld wat zij, aangevers, hem tijdens het gesprek in vertrouwen hadden gemeld. De volgende dag zijn zij in de wapenkamer bedreigd en werd hen verweten dat zij ‘snitches’ waren.

De CSM [sergeant majoor] heeft bevestigd dat aangevers bij hem zijn geweest. Volgens het verslag van de CvHO heeft [sergeant majoor] verklaard dat hij na de Menno van Coehoorn (het hof merkt op dat deze oefening volgens het dossier halverwege mei 2013 heeft plaatsgevonden) met hen heeft gesproken in zijn kantoor. Na afronding van dit gesprek heeft hij dat met sergeant [sergeant] besproken en hij heeft aangegeven dat hij een begeleidend gesprek wilde voeren met de mortiergroep. Pas enige tijd later, zo blijkt uit zijn verklaring, was sprake van de oefening in Marnewaard, tijdens welke oefening [aangever 1] naar huis is gestuurd. Daarna is de mortiergroep op non-actief gesteld.

Het hof komt dan toe aan de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde bedreigingen.

Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij regelmatig doodsbedreigingen kreeg. Hij heeft onder meer verklaard over bedreigingen door onder andere verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Over de dag nadat aangever, [aangever 2] en [aangever 3] bij sergeant-majoor [sergeant majoor] zijn geweest heeft hij verklaard dat hij in de wapenkamer is bedreigd “door de jongens”. Volgens hem zeiden ze dingen als ‘snitch’ en ‘we maken je dood’. Aangever heeft verklaard dat hij constant bedreigd is, met een mes of met een doorgeladen wapen.

Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] in de wapenkamer, de dag nadat hij, [aangever 3] en [aangever 1] bij sergeant majoor [sergeant majoor] waren geweest, heeft gezegd dat hij [aangever 1] een keer buiten de poort zou opzoeken. Tegen aangever zelf is toen door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] ook gezegd dat ze hen zouden pakken als ze zouden lullen.

Aangever heeft ook verklaard dat hijzelf, [aangever 1] en [aangever 3] de dag nadat zij bij [sergeant majoor] zijn geweest zijn uitgemaakt voor ‘vuile snitch’ en ‘verrader’ en ook dat hij is bedreigd door verdachte en door medeverdachte [medeverdachte 1] . Het is volgens hem allemaal in twee dagen gebeurd. Hij heeft verklaard dat zij na appel verzamelden in de wapenkamer en dat hij toen is bedreigd door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . De groep ging toen om [aangever 1] heen staan. [sergeant] gaf een preek en er werd gescholden. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft aangever bedreigd door te zeggen dat hij hem (kort gezegd) kapot zou steken als hij naar de kapitein zou gaan met de feiten waarmee hij bij de CSM was geweest. Medeverdachte [medeverdachte 2] pakte een wapen dat hij op [aangever 1] richtte. Dit was een Minimi of een Diemaco. Nadat zij uit de wapenkamer zijn gegaan, liep aangever met verdachte over de parkeerplaats. Verdachte heeft hem toen bedreigd met een mes en zei tegen aangever dat hij hem kapot zou steken als hij naar de kapitein zou gaan. Ze kregen allemaal doodsbedreigingen naar hun hoofd. De hele groep was boos, aldus aangever [aangever 2] .

Aangever [aangever 3] heeft ook verklaard over bedreigingen in de wapenkamer. Volgens hem was dat na de avond waarop zij het voor [aangever 1] zijn gaan opnemen. Onder andere verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben toen samengespannen tegen [aangever 1] . De bedreigingen kwamen toen en er werd even een wapen op [aangever 1] gericht. [aangever 1] kreeg veel doodsbedreigingen, waaronder dat ze hem kapot zouden maken en dat ze hem thuis zouden opzoeken.
[aangever 3] heeft verklaard dat het de dag nadat zij de melding hadden gemaakt bij [sergeant majoor] bekend was geworden dat zij die melding hadden gemaakt. Toen werd het nog veel erger. Ze werden ‘snitches’ genoemd.

Voorts heeft aangever verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] , toen hij wist van de melding aan [sergeant majoor] , vaak genoeg tegen hem heeft gezegd dat hij aangever zou pakken als hij hiermee zou doorgaan. Ook verdachte heeft gezegd dat hij aangever buiten de poort zou pakken. Over het incident in de wapenkamer heeft [aangever 3] verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] een wapen op [aangever 1] richtte en dat er toen ook met een wapen op [aangever 3] werd gericht. Verdachte heeft hem een keer met een mes bedreigd. Dit heeft hij op dezelfde dag ook bij [aangever 2] gedaan. Het was na het teruglopen van de wapenkamer. Hij liet het mes zien en zei dat hij aangever voor zijn flikker zou steken.

In een aanvullend verhoor heeft [aangever 3] onder meer nog verklaard dat het voornamelijk verdachte was die bedreigingen uitte. Hij riep dan dingen als ‘ik kom je kapot maken’, ‘ik wacht je bij de poort op’ en ‘ik kom je moeder opzoeken’. Dat deed hij ook bij [aangever 2] en vooral toen bleek dat zij hadden gepraat met de CSM. Over het wapen heeft hij aangegeven dat dit een Colt C7 was. Medeverdachte [medeverdachte 2] richtte het wapen op [aangever 1] en op hem, terwijl [medeverdachte 2] tegenover hun zat.

Voor het overige bevat het dossier geen belastende verklaringen of bewijsmiddelen over de onder 2 tenlastegelegde gedragingen.

Verdachte heeft ontkend het hem tenlastegelegde te hebben begaan. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij echter wel verklaard dat hij zich een discussie tussen de sergeant [sergeant] en de soldaat [aangever 1] in de wapenkamer herinnert en dat hij het aannemelijk acht dat dit na het appel was.

In het hierna volgende zal het hof per onderdeel van de tenlastelegging onder 2 beoordelen of op basis van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

Bewezenverklaring van de verbale bedreigingen

Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van verbale bedreigingen van aangevers [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] in de wapenkamer. De aangevers hebben op essentiële punten consistent verklaard dat zij werden bedreigd door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] en tevens worden hun verklaringen over en weer op hoofdpunten door elkaar ondersteund. Het hof betrekt daarbij in het bijzonder de verklaringen van [aangever 2] en [aangever 3] , die beiden concreet en specifiek over het moment in de wapenkamer verklaren en over de op dat moment gedane bedreigingen van [aangever 1] en henzelf.

Het hof is van oordeel dat met name op basis van de verklaringen van [aangever 2] en [aangever 3] kan worden vastgesteld dat er sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Uit die verklaringen blijkt immers dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] tegelijkertijd samen handelden en beiden een uitvoerende rol hadden. Beiden hebben bedreigende woorden geuit tegen dezelfde personen in dezelfde setting.

Naar het oordeel van het hof past dit ook binnen de context van de verklaringen: aangevers hadden immers ‘geklikt’ over wangedrag binnen de mortiergroep en verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] waren daar niet blij mee. Dat er door anderen dan aangevers geen belastende verklaringen zijn afgelegd over de bedreigingen, doet aan het voorgaande oordeel niet af.

In het bijzonder overweegt het hof nog dat het hierna volgende oordeel dat er niet voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het medeplegen van de bedreiging met het wapen en/of het mes, niets afdoet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van aangevers en de bruikbaarheid voor het bewijs daarvan op het onderdeel van de verbale bedreigingen.

Vrijspraak van de bedreiging met het wapen

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich (als medepleger) schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met een wapen in de wapenkamer, nu niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte 2] een wapen op (een van) de aangevers heeft gericht. Het hof overweegt daartoe dat de belastende verklaringen op dit punt niet voldoende consistent zijn. Zo heeft [aangever 1] zelf niet verklaard dat [medeverdachte 2] hem heeft bedreigd met een wapen, terwijl [aangever 2] en [aangever 3] dit wel verklaren. [aangever 1] heeft enkel in zijn algemeenheid verklaard dat er een wapen op hem is gericht. [aangever 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] het wapen ook op hem richtte, maar die verklaring wordt niet op enige wijze ondersteund.

Voorts wordt er verschillend verklaard over het soort wapen waar het om zou gaan. Zo heeft [aangever 2] verklaard dat het om een Minimi of Diemaco ging en spreekt [aangever 3] over een Colt C7. Nu niet kan worden vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte 2] één van de aangevers heeft bedreigd met een wapen, kan van het medeplegen daarvan door verdachte ook geen sprake zijn. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Vrijspraak van de bedreiging met het mes

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met een mes van aangever [aangever 3] en/of [aangever 2] . Het hof overweegt daartoe dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld wat er nu precies wel of niet is gebeurd. Op onderdelen kan in de verklaringen van aangevers over en weer steun worden gevonden voor het tonen van een mes door verdachte. Zo hebben [aangever 3] en [aangever 2] -kort gezegd- los van elkaar verklaard dat zij door verdachte na het incident in de wapenkamer zijn bedreigd met een mes. Zij hebben echter beiden niet gezien dat dit ook bij de ander gebeurde. Daarnaast zijn er naar het oordeel van het hof op dit punt te veel onduidelijkheden in en verschillen tussen de verklaringen van aangevers. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 februari 2013 tot en met 8 juni 2013, althans de periode van 1 mei 2013 tot en met 8 juni 2013, in/op de Oranjekazerne te Schaarsbergen, gemeente Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

aan die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] (telkens) opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen 'ik kom je kapot maken' en/of 'ik maak je kapot' en/of 'ik wacht je bij de poort op' en/of 'ik kom je moeder opzoeken' en/of 'ik weet waar je woont' en/of 'wij pakken jou als je gaat lullen' en/of 'als jij naar de kapitein gaat, wacht ik je vrijdag buiten de poort op en steek ik je kapot. En denk maar niet dat dit een geintje is' en/of 'ik schiet je dood' en/of 'je krijgt kankerklappen', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

en/of

aan die [aangever 3] en/of [aangever 2] een mes te tonen/voor te houden en/of daarbij dreigend de woorden toe te voegen 'ik steek je voor je flikker als je nog één keer over ons lult tegen iemand anders. En denk niet dat ik een geintje maak' en/of 'ik zoek jou bij de poort wel op' en/of 'ik steek je kapot als je ermee naar de kapitein gaat' en/of 'ik steek je voor je flikker', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

en/of

op die [aangever 1] en/of [aangever 3] een (ongeladen) wapen re richten, althans een wapen te pakken en/of daarbij dreigend de woorden toe te voegen 'ik maak je dood' en/of 'ik maak jou kapot' en/of 'ik zoek je thuis op', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur.

De raadsvrouw heeft verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zij heeft daartoe onder meer gewezen op het gegeven dat verdachte als gevolg van deze strafzaak een jaar geschorst is geweest, een uitzending heeft misgelopen en wordt beperkt in vervolgstappen in zijn carrière.

Het hof overweegt het volgende.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte, die korporaal was, heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van drie soldaten. Samen met een collega, eveneens een korporaal, heeft hij hen verbaal op een niet mis te verstane wijze bedreigd. Het hof neemt verdachte zijn handelen zeer kwalijk nu hij als meerdere van aangevers ook nog een voorbeeldfunctie had. Desondanks een mindere bedreigen, getuigt van militair onwaardig gedrag. Dergelijke feiten zorgen bovendien voor gevoelens van angst onveiligheid bij de slachtoffers van de bedreigingen. Uit de slachtofferverklaringen van de aangevers zoals die zijn afgelegd op de verschillende zittingen is ook gebleken dat de slachtoffers veel last hebben gehad van wat hen door verdachte is aangedaan.

Deze zaak vormde aanvankelijk onderdeel van een veel groter en langduriger onderzoek binnen de Luchtmobiele Brigade van de Landmacht, waarin een variatie en veelvoud aan incidenten werd onderzocht. Er was sprake van (politieke) bemoeienis met deze zaak en er was - en is - sprake van veel media-aandacht. De gevolgen van deze strafzaak, en alles daaromheen, hebben zijn weerslag hebben gehad op verdachte, zowel op zijn persoon als op zijn loopbaan binnen Defensie. Het hof houdt daarmee, en ook met het tijdsverloop sinds het plegen van het feit, rekening.

Het hof overweegt dat dit echter niet maakt dat deze zaak zonder strafrechtelijke gevolgen kan blijven. De hiervoor genoemde omstandigheden en het feit dat verdachte van een aantal substantiële onderdelen van de tenlastegelegde feiten wordt vrijgesproken maken echter wel dat het hof de door het openbaar ministerie geëiste straf zal matigen.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat in dit geval een taakstraf van 60 uur passend is. Het hof zal deze taakstraf aan verdachte opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.187,20, bestaande uit € 5.000,00 aan immateriële schade en € 187,20 aan reiskosten. Tevens is de wettelijke rente gevorderd. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering en heeft ter terechtzitting volledige toewijzing van de vordering gevraagd, in hoofdelijke zin.

De advocaten-generaal hebben toewijzing van de gehele vordering, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Tevens hebben zij gevorderd dat de betalingsverplichting hoofdelijk wordt opgelegd.

De raadsvrouw heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, primair wegens het beroep op vrijspraak en subsidiair wegens een gebrek aan en causaal verband tussen het tenlastegelegde en de gestelde psychische schade bij de benadeelde partij.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij kampt met grote psychische problemen. Het hof acht het aannemelijk dat het bewezenverklaarde op het ontstaan of verergeren daarvan op enige wijze van invloed is geweest. Er kan echter niet zonder meer worden vastgesteld hoe groot die invloed is geweest en wat dan de precieze schade is die daardoor is ontstaan. Gelet op de aard en ernst van de psychische problemen zoals uit de stukken en uit wat er is behandeld ter terechtzitting, naar voren is gekomen, is dit naar het oordeel van het hof een complex vraagstuk. Een en ander klemt temeer nu in het Schaarsbergendossier sprake is van meerdere verdachten en meerdere, verschillende stafbare feiten gedurende een langere periode. Gebruik maken van de schattingsbevoegdheid zou naar het oordeel van het hof in dit geval geen recht doen aan de aard en de omvang van de vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van de onder 2 tenlastegelegde bedreiging met het mes van

[aangever 1] (derde alinea).

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

Verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. R.H. Koning, voorzitter,

mr. A.J. Smit en commandeur (LD) (tit.) mr. G. Souer, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Jochems, griffier,

en op 9 juli 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.