Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5095

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
19/00607 en 19/00658
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:1772, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:83
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Precariobelasting. Netbeheerder voor gas en elektriciteit. Overgangsregeling tot 1 januari 2022 indien op 10 februari 2016 een belastingverordening gold. Verordening 2016 is na die datum gepubliceerd in het elektronisch toegankelijke Gemeenteblad. Was ten tijde van het opleggen van de aanslagen daartoe een wettelijke grondslag aanwezig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-07-2020
NLF 2020/1589 met annotatie van Anneke Monsma
V-N Vandaag 2020/1810
FutD 2020-2147
Belastingblad 2020/341 met annotatie van J.K. Lanser
V-N 2020/41.1.4
NTFR 2020/2234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 19/00607 en 19/00658

uitspraakdatum: 30 juni 2020

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

en van

de heffingsambtenaar van de gemeente Veenendaal (hierna: de heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 april 2019, nummers UTR 17/4538 en UTR 18/261, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag met dagtekening 31 mei 2017 in de precariobelasting opgelegd van € 1.854.350,91 (hierna: de eerste aanslag).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank).

1.4.

Met dagtekening 31 december 2017 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende voor het jaar 2016 opnieuw een aanslag in de precariobelasting opgelegd van € 1.854.350,91 (hierna: de tweede aanslag).

1.5.

Belanghebbende heeft ook tegen de tweede aanslag een bezwaarschrift ingediend. De heffingsambtenaar heeft ter zake van de tweede aanslag ingestemd met rechtstreeks beroep.

1.6.

De Rechtbank heeft het beroep betreffende de eerste aanslag gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de eerste aanslag herroepen, de heffingsambtenaar opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht aan haar te vergoeden en het beroep betreffende de tweede aanslag ongegrond verklaard.

1.7.

Beide partijen hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld en tegen het hoger beroep van de wederpartij verweer gevoerd.

1.8.

Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben verklaard van dat recht geen gebruik te willen maken. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De raad van de gemeente Veenendaal heeft in de openbare vergadering van 29 oktober 2015 de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen 2016 (hierna: de Verordening) vastgesteld.

2.2.

In het lokale weekblad Veenendaalse Krant van 23 december 2015 is in de rubriek „Gemeentenieuws gemeente Veenendaal” meegedeeld dat de Verordening is vastgesteld en ter inzage ligt bij de gemeente.

2.3.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende als netbeheerder de eerste aanslag, gedagtekend 31 mei 2017, opgelegd ter zake van het hebben van 611.997 strekkende meter buizen, kabels, draden of leidingen, te weten 371.171 meter elektra en 240.826 meter gas, onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond.

2.4.

De Verordening is op 9 november 2017 gepubliceerd in het elektronisch toegankelijke Gemeenteblad.

2.5.

Met dagtekening 31 december 2017 heeft de heffingsambtenaar de tweede aanslag aan belanghebbende opgelegd. De tweede aanslag heeft betrekking op dezelfde belastbare feiten en is, afgezien van de dagtekening, gelijk aan de eerste aanslag.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of ten tijde van het opleggen van de aanslagen daartoe een wettelijke grondslag aanwezig was, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de heffingsambtenaar bevestigend wordt beantwoord.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de tweede aanslag, die door de Rechtbank in stand is gelaten, is gebaseerd op een verordening die op 10 februari 2016 niet gold en dat daarom de wettelijke bepaling van overgangsrecht - inhoudende dat gemeenten waarin op 10 februari 2016 een belastingverordening gold voor het heffen van precariobelasting voor openbare werken van algemeen nut, die belasting kunnen blijven heffen tot 1 januari 2022 - in het onderhavige geval niet van toepassing is. Het hoger beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de beide aanslagen.

3.3.

De heffingsambtenaar stelt dat de Verordening, op basis waarvan de eerste aanslag is opgelegd, geldig is bekend gemaakt, omdat de elektronische bekendmaking onmogelijk was. Subsidiair stelt hij dat met de tweede publicatie van de Verordening en het opnieuw opleggen van de aanslag, sprake is van wijziging of vervanging van het bestreden besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Hij concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en, naar het Hof begrijpt, tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Precariobelasting kan ingevolge het bepaalde in artikel 228, eerste lid, van de Gemeentewet worden geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Het tweede lid van evenvermeld artikel bepaalt sedert 1 juli 2017 dat geen belasting wordt geheven ter zake van de infrastructuur, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Drinkwaterwet, een net als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, een gastransportnet als bedoeld in artikel 39a van de Gaswet, of werken als bedoeld in artikel 38 van de Warmtewet.

4.2.

Artikel IV, eerste lid, van de Wet van 22 maart 2017 tot wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet en de Waterschapswet in verband met het beperken van de heffingsbevoegdheid van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut, (Stb. 2017, 157) bepaalt dat in afwijking van artikel 228, tweede lid, van de Gemeentewet gemeenten waarin op 10 februari 2016 een belastingverordening gold voor het heffen van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut, die belasting kunnen blijven heffen tot 1 januari 2022, tot ten hoogste het in die verordening vastgestelde tarief.

4.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 139, eerste lid, van de Gemeentewet verbinden besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt in het Gemeenteblad. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de uitgifte van het Gemeenteblad elektronisch geschiedt op een algemeen toegankelijke wijze, dat na de uitgifte het Gemeenteblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar blijft en dat, indien elektronische uitgifte geheel of gedeeltelijk onmogelijk is, het gemeentebestuur voorziet in een vervangende uitgave.

4.4.

De Verordening is vastgesteld op 29 oktober 2015 en op 9 november 2017 gepubliceerd in het elektronisch toegankelijke Gemeenteblad. Een eerdere publicatie overeenkomstig de zojuist weergegeven wettelijke bepalingen heeft niet plaatsgevonden. De mededeling in het lokale weekblad Veenendaalse Krant van 23 december 2015 dat de Verordening ter inzage ligt bij de gemeente kan, anders dan de heffingsambtenaar heeft gesteld, niet als zodanig gelden, aangezien in een zodanige terinzagelegging is voorzien voor bijlagen bij gemeentelijke besluiten, maar niet voor besluiten als een verordening zelf.

4.5.

De heffingsambtenaar heeft verder gesteld dat elektronische uitgifte van het Gemeenteblad niet mogelijk was, hetgeen hij afleidt uit de omstandigheid dat de Verordening niet is opgenomen in het digitale Gemeenteblad. Een nadere onderbouwing van die stelling heeft hij niet gegeven. Belanghebbende heeft betwist dat bekendmaking in het digitale Gemeenteblad onmogelijk was en heeft daartoe aangedragen dat de (algemene) verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2016 - welke eveneens bij raadsbesluit van 29 oktober 2015 is vastgesteld en in het lokale weekblad Veenendaalse Krant van 23 december 2015 is vermeld - wel in het elektronisch toegankelijke Gemeenteblad is gepubliceerd. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat digitale bekendmaking in het Gemeenteblad geheel of gedeeltelijk onmogelijk was.

4.6.

Aangezien de Verordening op grond van haar artikel 13, tweede lid, in werking treedt met ingang van de tweede dag na die van de bekendmaking, is zij, gelet op het voorgaande, op 11 november 2017 in werking getreden. Dit brengt mee dat zij op 10 februari 2016 niet gold in de zin van artikel IV, eerste lid, van de Wet van 22 maart 2017, dat de overgangsregeling geen toepassing kan vinden met betrekking tot de tweede aanslag, en dat die aanslag daarom, gelet op het bepaalde in artikel 228, tweede lid, van de Gemeentewet, geen wettelijke grondslag heeft. Het hoger beroep van belanghebbende is derhalve gegrond.

4.7.

De eerste aanslag is opgelegd op 31 mei 2017, voordat de Verordening in werking is getreden. Reeds daarom ontbeert ook deze aanslag een wettelijke grondslag. Zoals zojuist is overwogen, heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat digitale uitgave van het Gemeenteblad geheel of gedeeltelijk onmogelijk was. Het primaire standpunt van de heffingsambtenaar stuit daarop af.

4.8.

Voor zover de heffingsambtenaar met zijn subsidiaire standpunt heeft betoogd dat de tweede publicatie van de Verordening moet worden beschouwd als een wijziging of vervanging van het bestreden besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, ziet dit eraan voorbij dat dat artikel geen betrekking heeft op een zodanige publicatie. Voor zover dat standpunt betrekking heeft op het opnieuw opleggen van de aanslag, stuit dit erop af dat, zoals zojuist is geoordeeld, beide aanslagen een wettelijke grondslag ontberen.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende gegrond en het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

Nu het hoger beroep van belanghebbende gegrond is, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

5.2.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 525 (1 punt voor het hogerberoepschrift  wegingsfactor 1  € 525).

5.3.

De ongegrondheid van het hoger beroep van de heffingsambtenaar brengt mee dat het Hof de heffingsambtenaar zal veroordelen in de kosten van belanghebbende, vast te stellen op € 525 voor het verweerschrift.

5.4.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar en het beroep geen kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het Hof dat oordeel in stand zal laten.

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank betreffende de eerste aanslag,

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank betreffende de tweede aanslag,

– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar betreffende de tweede aanslag,

– vernietigt de tweede aanslag,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 525 in het hoger beroep van belanghebbende en tot een bedrag van € 525 in het hoger beroep van de heffingsambtenaar,

– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 338 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 519 in verband met het hoger beroep bij het Hof,

– bepaalt dat van de heffingsambtenaar op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 519.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 30 juni 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 juni 2020

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.