Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5051

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
21-005399-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt de beslissing van de rechtbank, met aanvullende overwegingen gelet op hetgeen ter zitting in hoger beroep is aangevoerd en de per 1 januari 2020 gedeeltelijk in werking getreden Wet USB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005399-19

Uitspraak d.d.: 30 juni 2020

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 4 oktober 2019 met parketnummer 16-659165-18 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

thans uit anderen hoofde verblijvende in PI [locatie] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, ertoe strekkende dat het hof het ontnemingsvonnis van de rechtbank bevestigt. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman,

mr. R.P. van der Graaf, naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

De rechtbank heeft bij beslissing van 4 oktober 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is dat voordeel, alsmede de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op een bedrag van € 107.087,50.

De verweren die de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht behoeven - gelet op hetgeen de rechtbank daarover in haar beslissing reeds heeft opgenomen - geen afzonderlijke bespreking meer. Voor wat betreft de door de raadsman gestelde onduidelijkheid omtrent het buitgemaakte bedrag uit de geldautomaten wijst het hof volledigheidshalve op (onder meer) een tweetal documenten die deel uitmaken van het dossier. Het betreft in de eerste plaats een "notitie" d.d. 28 juni 2017 waaruit blijkt dat de plaatsvervangend filiaalleider het aanvankelijk in de aangifte genoemde bedrag later heeft gecorrigeerd (blz. 2252 in ordner 6 van het Dossier met nummer [dossiernummer] ). Daarnaast is er een e-mail d.d. 17 juli 2017 waaruit blijkt welke bedragen zich ten tijde van de plofkraak in de automaten bevonden en welke bedragen daarop in mindering zijn gebracht (blz. 2041 van ordner 5 van het Dossier met nummer [dossiernummer] ). Het hof ziet geen aanleiding om aan het in deze stukken genoemde bedrag van € 428.350,- te twijfelen.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist. Gelet op de wijziging van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) per 1 januari 2020 zal het hof de beslissing van de rechtbank aanvullen.

Het hof zal de beslissing dan ook met overneming en aanvulling van de gronden bevestigen.

Het hof overweegt, in aanvulling op de beslissing van de rechtbank, als volgt.

Artikel 36e, lid 11 Sr is gewijzigd bij de op 1 januari 2020 gedeeltelijk in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82 (Wet USB)). Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur van de gijzeling wordt voor elke volle 25 euro van het opgelegde bedrag maximaal één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste drie jaren.

Het voorgaande brengt mee dat het hof, gelet op de hoogte van het bedrag dat betrokkene aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te betalen, de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd bepaalt op ten hoogste drie jaren.

BESLISSING

Het hof:

Stelt het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 107.087,50 (honderdzevenduizend zevenentachtig euro en vijftig cent).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 107.087,50 (honderdzevenduizend zevenentachtig euro en vijftig cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 3 jaren.

Bevestigt de beslissing waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier,

en op 30 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.