Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5047

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
200.277.407/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhuurder vraagt in kort geding een veroordeling van een huurder wegens overlast. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, omdat geen sprake is van een totaal geëscaleerde situatie, zoals de verhuurder heeft gesteld. Het hof heeft dit vonnis overgenomen. Ook in hoger beroep is niet gebleken van concreet gevaar voor de veiligheid van omwonenden, zodat er geen aanleiding is voor de gevraagde spoedmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.277.407/01

(zaaknr. rechtbank Midden-Nederland 8351743)

arrest van 30 juni 2020

in de zaak van

de stichting Woningstichting Centrada,

die gevestigd is in Lelystad,

appellante,

bij de rechtbank: eiseres,

hierna: Centrada,

advocaat: mr. T. Mulder, die kantoor houdt in Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

die woont in [A] ,

geïntimeerde,

bij de rechtbank: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S.H.R. van Heeks, die kantoor houdt in Almere.

1 De procedure bij de rechtbank

1.1

Hoe de procedure bij de rechtbank is verlopen, blijkt uit het vonnis in kort geding van 20 maart 2020 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de kantonrechter).

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep (spoedappel) van 16 april 2020, waarin de grieven zijn opgenomen (met bijlagen);

- de memorie van antwoord (met één bijlage).

2.2

De laatste bijlage van [geïntimeerde] is de pleitnotitie van [geïntimeerde] bij de kantonrechter. Omdat Centrada dit gedingstuk al kende, is er geen reden om het buiten beschouwing te laten.

2.3

Partijen hebben arrest gevraagd en zij hebben daarvoor de stukken aan het hof gegeven. [geïntimeerde] heeft er ten onrechte mee volstaan een onvolledig procesdossier aan het hof te geven (pleitnotitie eerste aanleg plus bijlagen), zodat het hof zijn beslissing voor het overige zal baseren op de stukken die door Centrada zijn ingediend.

3 De feiten

3.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of [geïntimeerde] veroordeeld moet worden tot ontruiming van zijn huurwoning, zoals Centrada wil. Het hof zal de feiten die hij relevant acht voor de beslissing, zelf vaststellen.

3.2

[geïntimeerde] huurt de woning aan de [a-straat 1] in [A] van Centrada. Het betreft hier een appartement in een wooncomplex. De schriftelijke huurovereenkomst is ondertekend op 23 november 2015. Op die datum is de huur ingegaan, voor onbepaalde tijd. Bij de ondertekening van de huurovereenkomst heeft [geïntimeerde] het geldende huurreglement gekregen.

3.3

De buurvrouw van [geïntimeerde] is [B] (hierna: [B] ). Zij woont met haar partner en zoontje van drie jaar op het adres [a-straat 3] . Bij brief van

12 augustus 2019 heeft [B] zich bij Centrada beklaagd over overlast. Daarin schrijft [B] dat [geïntimeerde] bekend staat als pedofiel en dat zijn adres op sociale media regelmatig wordt gedeeld. [B] beschrijft drie incidenten uit de twee weken voorafgaand aan de brief, waarbij derden - die het volgens [B] kennelijk op [geïntimeerde] hebben gemunt - op ramen en deuren bonken, ook bij de woning van [B] . Volgens [B] kan haar zoontje niet vrijuit op het balkon spelen omdat zij bang is dat er ongepaste foto's van hem worden gemaakt. Verder meldt [B] dat de galerij aan de voorzijde meerdere malen is bekogeld met menselijke uitwerpselen en rauwe eieren.

3.4

[geïntimeerde] heeft zijn medewerking verleend aan het NPO-programma " [C] ". Dit programma is [in] 2020 op tv uitgezonden en de aflevering is na te kijken op internet. [geïntimeerde] wordt in de uitzending alleen bij zijn voornaam genoemd ( [geïntimeerde] ), maar hij is herkenbaar in beeld gebracht. In de uitzending is onder meer te zien dat [geïntimeerde] de [D] binnen gaat, volgens hem om een lezing te geven over "pedofilie en hoe het ervoor staat met de vrijheid van meningsuiting in Nederland". [geïntimeerde] verklaart in de uitzending onder meer dat hij zich aangetrokken voelt tot jongens van 4 tot 14 jaar. Seks daarmee acht [geïntimeerde] acceptabel "wanneer het binnen hun wensen en hun kunnen is". Verder zegt [geïntimeerde] dat hij het niet terecht vindt dat de Vereniging Martijn in 2014 door de Hoge Raad is verboden. Volgens [geïntimeerde] moeten we er (het hof begrijpt: in de Nederlandse samenleving) naar toe dat seks met kinderen niet iets heel vreemds is. Hiertoe wil [geïntimeerde] een politieke partij oprichten, genaamd [E] . Een gedeelte van het interview is opgenomen in de woning van [geïntimeerde] .

3.5

Naar aanleiding van de uitzending heeft nog dezelfde avond een klein groepje mensen geprotesteerd bij de woning van [geïntimeerde] . Volgens een woordvoerder van de politie is het opstootje in de kiem gesmoord en werd het daarna weer rustig in de straat (bijlage 4 bij de dagvaarding in eerste aanleg).

3.6

[geïntimeerde] is [in] 2020 aangehouden op verdenking van het bezit van kinderporno. Ten tijde van het bestreden vonnis was [geïntimeerde] gedetineerd.

3.7

Voor het weekend [in] 2020 was een demonstratie aangekondigd bij het wooncomplex waartoe het appartement van [geïntimeerde] behoort. De demonstratie is niet doorgegaan.

3.8

[B] heeft bij brief van 7 april 2020 aan Centrada laten weten dat zij vanwege de situatie met [geïntimeerde] (die op dat moment nog in voorlopige hechtenis zat) wil verhuizen en dat zij hoopt in overleg met Centrada een snelle oplossing te bereiken.

4 De beoordeling de grieven en de vordering in hoger beroep

4.1

In het in hoger beroep door Centrada bestreden vonnis van 20 maart 2020 heeft de kantonrechter de door Centrada gevorderde veroordeling tot ontruiming van de woning door [geïntimeerde] afgewezen en Centrada veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Centrada vordert in hoger beroep vernietiging van dat vonnis van de kantonrechter en het alsnog veroordelen van [geïntimeerde] tot ontruiming van de woning, met bijkomende veroordelingen. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

4.2

Centrada vreest voor nieuwe incidenten, te meer omdat [geïntimeerde] blijft bij zijn standpunt dat hij zich moet kunnen uitlaten zoals hij heeft gedaan. Haar huurders hebben er recht op geen hinder of overlast te ondervinden. Centrada wil daarom rust brengen in het complex door [geïntimeerde] te ontruimen. Hiermee heeft Centrada voldoende gesteld omtrent het spoedeisend belang, dat ook is vereist voor het treffen van een voorlopige voorziening in hoger beroep, maar of dat moet leiden tot de door haar gewenste voorziening zal hierna blijken.

4.3

Tegen het bestreden vonnis heeft Centrada twee grieven geformuleerd. De eerste grief houdt in dat de kantonrechter in zijn vonnis de feiten te summier heeft weergegeven. Bij bespreking hiervan heeft Centrada geen belang, omdat het hof hiervoor de feiten die hij relevant acht voor de beslissing, zelf heeft vastgesteld.

4.4

Met de tweede grief bestrijdt Centrada de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4 van het bestreden vonnis, op grond waarvan de kantonrechter de vordering heeft afgewezen. Deze overwegingen komen erop neer dat [geïntimeerde] zich onvoldoende bewust lijkt van zijn rechtsplicht om zich als huurder de redelijke belangen van omwonenden, zoals hun veiligheid, aan te trekken. Dat zou volgens de kantonrechter aanleiding kunnen geven tot de conclusie dat [geïntimeerde] in strijd handelt met zijn verplichtingen als huurder, op grond waarvan de huurovereenkomst in een bodemprocedure zou kunnen worden ontbonden. Vooruitlopend daarop zou in kort geding een vordering tot ontruiming toewijsbaar kunnen zijn, maar volgens de kantonrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat een dergelijke spoedmaatregel nodig is. Er is direct na de uitzending van " [C] " een spontane protestactie van een kleine groep mensen geweest. De oproep hiervoor kwam niet van een buurtbewoner en het is niet bekend in hoeverre buurtbewoners betrokken waren bij deze actie, die overigens niet tot incidenten heeft geleid. Centrada heeft melding gemaakt van de verhuiswens van één naaste buur van [geïntimeerde] , maar dat er ook bij andere omwonenden een verhuiswens zou leven, is niet concreet onderbouwd. Door Centrada is verwezen naar een

petitie onder buurtbewoners die 360 keer zou zijn ondertekend, maar die is niet in het geding gebracht. Al met al heeft Centrada volgens de kantonrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een totaal geëscaleerde situatie, zoals Centrada heeft gesteld, waarbij omwonenden onder psychische spanning staan en er concreet gevaar bestaat voor hun veiligheid. Er is daarom onvoldoende aanleiding om de verstrekkende gevolgen van een gedwongen ontruiming te rechtvaardigen, aldus tot zover de kantonrechter.

4.5

Anders dan Centrada, kan het hof de redenering van de kantonrechter in grote lijnen goed volgen. Terecht stelt de kantonrechter voorop dat het er in deze procedure niet om gaat wat [geïntimeerde] vindt of wat hij gezegd heeft, maar om de vraag of op dit moment sprake is van een situatie die om onmiddellijk ingrijpen in de huurovereenkomst vraagt. Daarvan is ook in hoger beroep onvoldoende gebleken. Er is één klacht uit augustus 2019 van [B] , zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.3. De feiten die daarin worden beschreven, zijn niet anders dan door de brief van [B] gestaafd. Maar zelfs als die feiten voor waar worden aangenomen, dan is er daarnaast alleen de protestactie [in] 2020, die niet heeft geleid tot de incidenten waarvoor Centrada zegt te vrezen en waarvoor zij haar huurders zegt te willen behoeden. Sinds die datum zijn er geen relevante ontwikkelingen geweest. De demonstratie die was aangekondigd [in] 2020 is niet doorgegaan. Of dit er mee te maken heeft dat [geïntimeerde] sinds 18 februari 2020 in detentie zit, zoals Centrada stelt, kan in het midden blijven. Feit is dat het [in] 2020 rustig is rond het complex waar [geïntimeerde] woont. De huiszoeking in de woning van [geïntimeerde] op grond van de verdenking van het bezit van kinderporno, maakt dit niet anders.

4.6

Centrada heeft in hoger beroep nogmaals gewezen op bijlage 5 bij de dagvaarding in eerste aanleg, waaruit volgens haar zou blijken dat een online petitie tegen [geïntimeerde] door 400 mensen is getekend. Deze bijlage, die een afdruk is van een webpagina, beslaat slechts één A4'tje waarin ervoor wordt gepleit dat Centrada [geïntimeerde] moet dwingen zijn woning te verlaten. Hierbij is vermeld dat de petitie door 400 personen is getekend. Uit niets blijkt dat deze petitie door andere huurders van woningen in het complex, andere omwonenden of buurtbewoners is gestart. Evenmin blijkt door wie de petitie online is ondertekend. Terecht heeft de kantonrechter daarom overwogen dat de stelling van Centrada dat 360 buurtbewoners een petitie tegen [geïntimeerde] zouden hebben ondertekend, niet met stukken is onderbouwd.

4.7

Onder de gegeven omstandigheden deelt het hof dan ook de conclusie van de kantonrechter dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De verhuiswens die [B] heeft geuit bij brief van 7 april 2020 aan Centrada is onvoldoende zwaarwegend om een andere beslissing te dragen. De vordering tot ontruiming is dan ook terecht afgewezen. De grieven falen en het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

4.8

Het hof zal Centrada als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat: 1 punt in tarief II).

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 20 maart 2020;

veroordeelt Centrada in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak vast op:

- € 332,- aan verschotten,

- € 1.074,- aan geliquideerd salaris van de advocaat,

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.W. Zandbergen en mr. J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 30 juni 2020.