Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5025

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
200.219.591/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest. Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2019:289 en 2019:7103. Rapportage van deskundigen geeft geen aanknopingspunt voor conclusie dat schade aan woning het gevolg is van aanleg en aanwezigheid van een kwelsloot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.219.591/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 162356)

arrest van 30 juni 2020

in de zaak van

1 [appellant1] ,

2. [appellant2],

beiden wonende te [A] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. G.P. Wempe, kantoorhoudend te Drachten,

tegen

1.Reiderwolde V.O.F.,

gevestigd te Oudeschans,

2. [geïntimeerde2],

wonend te [A] ,

3. [geïntimeerde3],

wonend te [B] ,

4. [geïntimeerde4],

wonend te [B] ,

5. Stichting Particulier Natuurbeheer Oost Groningen,

gevestigd te Vledderveen,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: Reiderwolde c.s.,

advocaat: mr. R.S. van der Spek, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 3 september 2019 hier over.

1.2

In het tussenarrest heeft het hof ir. [C] (geohydroloog), ir. [D] (geotechnicus) en ing. [E] (bouwkundige), allen verbonden aan Witteveen+Bos consulting engineers te Deventer, als deskundigen benoemd.

1.3

De deskundigen hebben hun rapport van 31 januari 2020 ter griffie aangeboden. Daarna hebben eerst [appellanten] c.s. een memorie na deskundigenbericht genomen, waarna Reiderwolde c.s. een antwoordmemorie hebben genomen.

1.4

Vervolgens hebben partijen arrest verzocht en heeft het hof arrest bepaald op de voorafgaand aan het hiervoor genoemde tussenarrest overgelegde gedingstukken, aangevuld met bovengenoemde stukken.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Aan de deskundigen zijn de volgende vragen voorgelegd met daarna steeds weergegeven hun in hoofdstuk 2 van het rapport samengevatte antwoord:

1. heeft de aanleg van de kwelsloot ter plaatse van de woning van [appellanten] c.s. een verlaging veroorzaakt van de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG), en zo ja hoeveel?

De vraag kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Gaat het om enkel het effect van de kwelsloot of het gecombineerd effect van de kwelsloot en peilverhoging in Reiderwolde tesamen? Wij hebben gekozen voor een worst-case benadering. Wij zijn bij beantwoording van deze vraag daarom uitgegaan van enkel het effect van de kwelsloot ten opzichte van de huidige situatie. Tesamen met een laag zomerpeil in de kwelsloot (NAP -2,90 m) vormt dit de worst case situatie voor de zettingsberekening (vraag 2). Het grondwatereffect is berekend ten opzichte van de huidige situatie (aanwezigheid Oldambtmeer en nieuwe peilen in natuurgebied Reiderwolde). In geval van de worst case situatie wordt sec door de aanleg van de kwelsloot de GLG ter plaatse van de woning verlaagd. Uit een geohydrologische worst case berekening volgt dat door de aanleg van de kwelsloot de GLG ter plaatse van de woning (voorkant/achterkant) aan de [a-straat] 20 met 28/32 tot maximaal 44/49 cm kan zijn gedaald. Het verhang van de GLG kan ter plaatse van [a-straat] 20 door de aanleg van de kwelsloot zijn toegenomen van 6 cm naar 10 tot maximaal 11 cm.

Opgemerkt wordt dat als gevolg van de peilopzet in Reiderwolde naar verwachting de GLG ter plaatse van de woning is gestegen. Het is aannemelijk dat de kwelsloot deze stijging (deels) heeft gecompenseerd. Indien gekeken wordt naar de peilopzet Reiderwolde en aanleg van de kwelsloot dan treedt er naar verwachting minder of geen verlaging op ter plaatse van de woning;

2. in geval van verlaging van de GLG, heeft dat een zetting van de ondergrond ter plaatse van de woning van [appellanten] c.s. veroorzaakt?

Nee niet significant, de extra verschilzetting tussen de funderingsstrook van de buitenmuur en eerste binnenmuur is in de orde van millimeters. Er is wel een extra integrale zetting van de woning die kleiner is dan 1 cm;

3. in geval van een door een verlaging van de GLG veroorzaakte zetting van de ondergrond, heeft dat de schade (in de vorm van scheurvorming) aan de woning van [appellanten] c.s. veroorzaakt?

Nee. Op basis van de geotechnische analyse volgt dat de verwachte extra zetting van de gehele woning ten gevolge van de aanleg van de kwelsloot minder dan 1 cm is en dat de verschilzetting tussen de funderingsstrook van de buitengevel en de binnenwanden hooguit enkele millimeters is en in de tijd na aanleg van de kwelsloot af zou nemen. Theoretisch is een negatief effect van de aanleg van de kwelsloot op de schade aan de woning niet volledig uit te sluiten maar gezien de omvang en progressie in de tijd van de schade is het onwaarschijnlijk dat de verlaging van de GLG veroorzaakt door de aanleg van de kwelsloot de hoofdoorzaak van de schade is;

4. is er ook een andere oorzaak mogelijk voor de scheurvorming in de woning van [appellanten] c.s., zoals bijvoorbeeld de in het verleden gepleegde verbouwing/uitbreiding van de woning?

Ja, op basis van het doorrekenen van verschillende ondergrond scenario’s in de geotechnische analyse is het aannemelijk dat het draagvermogen van de funderingsstrook van de buitenmuur onvoldoende is. De lasten op de hergebruikte fundering van de boerderij zullen waarschijnlijk hoger zijn dan de belastingen van de wand van de boerderij, onder andere omdat de woning een spouwmuur heeft. Aan de voorzijde en zijgevels zal dit tot zettingen leiden. Aan de achterzijde wordt dit versterkt door het ongunstige effect van de direct naastgelegen sloot (niet zijnde de kwelsloot). Wanneer het draagvermogen kritisch wordt kunnen er naast zettingen afschuif vervormingen optreden die het karakter hebben van een kruipvervormingen, dus bij constante belasting een toenemende vervorming. De vervorming volgt het preferente glijvlak richting de sloot en heeft dus ook een horizontale component. Aan de achterzijde van de woning is er momenteel sprake van significante vervorming en schade, hetgeen weer tot een ongunstige herverdeling van de belasting op de achterste funderingsstrook leidt. De progressie van de schade in de afgelopen 5,5 jaar bevestigen het beeld dat hierdoor de vervormingen versneld toenemen in plaats van afnamen in de tijd zoals bij een normaal zettingsproces;

5. in geval van schade als hiervoor sub c bedoeld, welke mogelijkheden voor herstel zijn er, en wat zijn daarvan (indicatief) de kosten?

Het is onwaarschijnlijk dat de verlaging van de GLG veroorzaakt door de aanleg van de kwelsloot de hoofdoorzaak van de schade is. Daarom zijn niet indicatief de kosten van herstel geraamd;

6. geeft het onderzoek overigens nog aanleiding tot het maken van opmerkingen, die in verband met de beslissing van dit geschil van belang zouden kunnen zijn?

Ja, de situatie vraagt om adequaat handelen. De sloot direct naast de achterzijde vormt een bedreiging voor de stabiliteit van de funderingsstrook voor de achtergevel. Het advies is de sloot te dempen met zand, eventueel kan een betonnen buis of drain worden geplaatst om de drainerende functie te blijven vervullen. Ook wordt geadviseerd de fundering en de scheefstand van het pand nader te onderzoeken. Daarna kan een monitorings-, inspectie en herstelplan worden opgesteld.

2.2

De deskundigen hebben hun antwoorden in de daarop volgens hoofdstukken 3 tot en met 5 met geohydrologische, geotechnische en bouwkundige analyses nader onderbouwd en toegelicht. Uit die onderbouwing en toelichting blijkt dat zij hun analyses mede baseren op meetgegevens en (effect) berekeningen als ook op een inspectie ter plaatse. De gebruikte gegevens zijn daarbij opgenomen in het rapport dan wel als bijlage daarbij gevoegd. Tot slot blijkt uit het rapport dat de deskundigen hun rapport nog (intern) hebben laten controleren door [F] MSc.

2.3

[appellanten] c.s. hebben zich in hun memorie na deskundigenbericht beperkt tot de enkele opmerking te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de metingen die ten grondslag liggen aan de uitgebrachte rapportage. Voor een toelichting op deze twijfel verwijzen zij naar een mailbericht van hun hand van 2 april 2020 waarin zij 6 vragen formuleren.

2.4

Voor zover de door [appellanten] c.s. geuite twijfel al als kritiek op het rapport van de deskundigen moet worden opgevat, geldt dat zij de analyses en de onderbouwing daarvoor en de daaruit door de deskundigen getrokken conclusies niet (voldoende) gemotiveerd hebben weersproken. De stelling dat deskundige [E] na diens bezoek aan de woning van [appellanten] c.s. het kantoor van Reiderwolde VOF zou hebben bezocht, is gemotiveerd door Reiderwolde c.s. weersproken en is verder niet onderbouwd. Er is daardoor geen reden te twijfelen aan de onpartijdigheid van deskundige [E] . Het hof neemt verder in aanmerking dat de deskundigheid van de deskundigen niet ter discussie staat, alsmede dat de deskundigen in hun rapport inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij tot hun conclusies zijn gekomen. De deskundigen zijn daarbij in het voordeel van [appellanten] c.s. uitgegaan van enkel het effect van de aanleg van de kwelsloot, waarbij zij de op dat effect mitigerende peilverhoging ter plaatse in beginsel buiten beschouwing hebben gelaten. Ook hebben de deskundigen hun rapport (intern) doen valideren door een derde.

2.5

Het hof oordeelt dan ook op grond van het deskundigenrapport, dat hij volgt en overneemt, dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de door [appellanten] c.s. gestelde schade aan hun woning in verband staat met de aanleg en de aanwezigheid van de kwelsloot.

2.6

De daarop gebaseerde vordering van [appellanten] c.s. is dan ook niet toewijsbaar. Dit brengt mee dat de grieven falen.

3 De slotsom

3.1

De grieven falen zodat het aangevallen vonnis van 19 april 2017 moet worden bekrachtigd.

3.2

[appellanten] c.s. zullen als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze instantie worden veroordeeld.

3.3

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Reiderwolde c.s. zullen worden vastgesteld op € 716,- voor griffierecht en € 3.222,- voor salaris advocaat

(3 punten x tarief II à € 1.074,-).

3.4

Zoals in het tussenarrest van 15 januari 2019 is bepaald, hebben [appellanten] c.s. en Reiderwolde c.s. elk de helft van het voorschot van € 12.100,- gedragen, ofwel elk € 6.050,-. In de begrotingsbeschikking van 13 maart 2020 is de aanspraak van de deskundigen op loon en schadeloosstelling ook vastgesteld op € 12.100,-. Het door Reiderwolde c.s. voorgeschoten bedrag zal dan ook door [appellanten] c.s. aan hen moet worden vergoed.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van

19 april 2017, voor zover aan hoger beroep onderworpen;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de proceskosten in hoger beroep en bepaalt deze kosten, voor zover tot nu toe aan de zijde van Koster gevallen, op € 716,- aan verschotten en op € 3.222,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

veroordeelt [appellanten] c.s. om de door Reiderwolde c.s. voorgeschoten kosten van de deskundigen groot € 6.050,- aan Reiderwolde c.s. te voldoen;

bepaalt dat [appellanten] c.s. belast blijven met de door hen voorgeschoten kosten van de deskundigen;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, J.H. Kuiper en B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

30 juni 2020.