Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5023

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
200.190.088/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest na tussenarrest van 5 maart 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:2003).

Huurrecht woonruimte. Verhuurder niet geslaagd in bewijsopdrachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.190.088/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3887845)

arrest van 30 juni 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

Houkes Bewindvoerders B.V.,

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over
[B] en [C] ,
kantoorhoudende te Emmen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg waren [B] en [C] eisers in conventie en verweerders in reconventie,
hierna: de bewindvoerder respectievelijk [B] en [C],

advocaat: mr. C.C.N. Brens-Cats, kantoorhoudend te Emmen.


Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 7 mei 2019 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Na het tussenarrest zijn op 10 oktober 2019 en 24 januari 2020 getuigenverhoren gehouden, vastgelegd in processen-verbaal. Na de getuigenverhoren heeft [appellant] een memorie na enquête genomen en de bewindvoerder een antwoord memorie. Vervolgens hebben partijen aanvullend gefourneerd voor arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 Verdere beoordeling

2.1

In het tussenarrest is [appellant] opgedragen te bewijzen dat
- hij telefonisch een koopovereenkomst met [C] heeft gesloten, waarbij is overeengekomen

dat hij het bankstel, de koelkast en de wasmachine voor € 200,- koopt en dat ter

uitvoering van die koopovereenkomst € 200,- in contanten is betaald;

- hij de stofzuiger, de friteuse en de huishoudtrap (met een gezamenlijke waarde van € 50,-)

aan [B] c.s. heeft teruggegeven.

Verder is aan hem het tegenbewijs opgedragen tegen het voorshandse oordeel dat [C] over

de gereedschapskist beschikte, dat de gereedschapskist daardoor ook ten tijde van de

ontruiming in de woning aanwezig moet zijn geweest en dat de

waarde van de gereedschapskist met het gereedschap ten tijde van de ontruiming kan worden geschat met als uitgangspunt het gefactureerde bedrag van € 1.725,50.

2.2

Ter uitvoering van de aan hem verstrekte bewijsopdrachten heeft [appellant] in enquête als getuigen doen horen:
- zichzelf,
- [D] , zijn echtgenote, en
- [E] , zijn (oudste) zoon.

In contra-enquête heeft de bewindvoerder als getuigen doen horen:
- [C] ,
- [B] ,
- [F] ,
- [G] .

2.3

[appellant] heeft geconcludeerd dat hij is geslaagd in het leveren van het bewijs van de koopovereenkomst. Ten aanzien van de teruggave van de stofzuiger, friteuse en de huishoudtrap heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Terzake het door hem te leveren tegenbewijs heeft hij geconcludeerd dat voldoende is komen vast te staan dat tijdens de ontruiming in de woning geen gereedschapskist aanwezig was.

2.4

De bewindvoerder heeft geconcludeerd dat [appellant] niet is geslaagd in de beide bewijsopdrachten en dat hij ook het tegenbewijs niet heeft geleverd.

de koopovereenkomst

2.5

[appellant] heeft, samengevat, verklaard dat nadat [C] was vertrokken de spullen uit de bungalow moesten. [appellant] bemiddelde voor de nieuwe huurder, [G] . Die had belangstelling voor het bankstel, de koelkast en de wasmachine. [appellant] heeft telefonisch contact opgenomen met [C] en gevraagd wat hij voor die spullen wilde hebben. [C] noemde een bedrag van € 200,- en dat is het geworden. De andere spullen zijn door [H] namens [C] opgehaald. Toen hij de spullen kwam halen heeft [appellant] hem € 200,- gegeven, dat [F] hem later heeft terugbetaald.
De getuigen [D] en [E] hebben niet uit eigen wetenschap kunnen verklaren over de overeenkomst. [E] heeft nog wel verklaard dat hij weet dat de nieuwe huurder wat zou overnemen en dat hem te binnen schiet dat daar 200 of 250 euro in contanten voor aan [C] is betaald. Maar hoe of wat zou worden overgenomen weet hij niet en ook niet waarom hem te binnenschiet dat daar 200 of 250 euro voor is betaald aan [C] .

2.6

De verklaring van [appellant] betreft een verklaring van een partijgetuige. Die verklaring levert daarom geen bewijs op in zijn voordeel, tenzij die verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs (art. 164 lid 2 Rv). Hiervan is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, NJ 1997/592 (Taams/Boudeling)).
Naar het oordeel van het hof is dergelijk aanvullend bewijs niet voorhanden.

2.7

Weliswaar heeft [C] tijdens de comparitie in hoger beroep verklaard dat [appellant] hem had gebeld, had gezegd dat hij het wel voor 200 euro wilde kopen, dat hij daar maar beter mee in kon stemmen omdat hij anders helemaal niks zou krijgen en dat hij daar toen mondeling mee heeft ingestemd, maar [C] heeft toen ook verklaard dat [H] toen hij de spullen kwam ophalen, heeft geweigerd om een overeenkomst te tekenen en ook geen geld heeft aangenomen. Uit die verklaring blijkt dus niet dat [appellant] ter uitvoering van een overeenkomst € 200,- heeft betaald.

2.8

Verder heeft [C] als getuige slechts bevestigd dat is gesproken over een nieuwe huurder die alles voor 200 euro wilde overnemen. Volgens zijn verklaring was hij het daar niet mee eens. [G] , de nieuwe huurder, heeft verklaard dat hij tegen [appellant] heeft gezegd dat hij de spulletjes wilde overnemen voor 200 euro en dat hij die aan [appellant] heeft betaald, maar hij heeft niet kunnen verklaren of dat bedrag ook is betaald aan [C] . De verklaringen van getuigen die door de bewindvoerder zijn gehoord bieden dus geen ondersteuning voor de stelling van [appellant] dat hij een overeenkomst had gesloten waar ook uitvoering aan is gegeven.

Dat geldt ook voor de schriftelijke verklaring van [H] die niet als getuige is gehoord. Volgens [H] heeft [appellant] tegen hem, toen hij de spullen kwam halen, wel gezegd dat was afgesproken dat de hele boedel voor 200 euro zou worden overgenomen, maar heeft hij, [H] , daar niet voor heeft getekend en heeft hij ook geen geld ontvangen.

2.9

Het bewijs dat € 200,- is betaald is derhalve niet geleverd.

de teruggave van de stofzuiger, friteuse en huishoudtrap

2.10

Geen van de aan de zijde van [appellant] gehoorde getuigen heeft kunnen verklaren dat de stofzuiger, friteuse en huishoudtrap aan [H] zijn meegegeven toen hij de spullen van [C] kwam ophalen.
Volgens [appellant] zijn wel alle spullen van [C] door [H] meegenomen, maar hij heeft er geen concrete herinnering aan of ook de stofzuiger, friteuse en huishoudtrap zijn meegegeven. Ook [D] en [E] , die beiden bij de ontruiming aanwezig waren, hebben verklaard er geen herinnering aan te hebben of die spullen zijn meegegeven aan [H] .
Daarmee is ook dit bewijs niet geleverd.

de gereedschapskist

2.11

Het hof merkt ter verduidelijking op dat het door [appellant] te leveren tegenbewijs erop ziet tegenbewijs te leveren tegen de voorshands aangenomen feiten dat [C] de beschikking had verkregen over een gereedschapskist met gereedschappen waarvoor een factuur van € 1.725,50 was afgegeven en dat die kist met gereedschap zich nog in woning bevond nadat [C] die na zijn zelfmoordpoging per ambulance, dus zonder inboedel mee te kunnen nemen, had verlaten. Daarbij staat vast dat [appellant] bij zijn ontruiming van de woning aan [C] geen gereedschapskist met gereedschap heeft (terug)gegeven.
Het in de opdracht opgenomen “ten tijde van de ontruiming” dient dus ruim opgevat te worden, in die zin dat het erom gaat of de kist met gereedschap zich nog in de woning bevond nadat [C] die had verlaten en [appellant] daar weer de beschikking over had verkregen. Uit de getuigenverhoren en de conclusies na enquête leidt het hof af dat partijen de (tegen)bewijsopdracht ook in die ruime zin hebben begrepen.

2.12

De verklaringen van de door [appellant] gehoorde getuigen hebben zich beperkt tot de aanwezigheid van een gereedschapskist in de woning.
heeft verklaard dat hij die gereedschapskist nooit heeft gezien en dat hij die daarom niet aan [H] heeft afgegeven. [D] heeft verklaard dat zij geen herinnering heeft aan een gereedschapskist. [E] heeft verklaard zich niet te herinneren dat er een gereedschapskist en gereedschappen waren. Hij heeft daarbij opgemerkt dat als er een gereedschapskist zou zijn geweest, hij die zeker opmerkt zou hebben, omdat hij graag met gereedschap bezig is.

2.13

Geen van die getuigen heeft echter verklaard of [C] ook heeft beschikt over een gereedschapskist met gereedschap en zo ja of hij al voordat hij de woning verliet, die aan een derde heeft gegeven. [appellant] heeft alleen het vermoeden geuit dat de factuur van

10 januari 2013 –de bon volgens welke “Restyle [G] ” aan [C] gereedschap ter waarde van € 1.725,50 heeft gegeven als betaling voor door [C] verrichte werkzaamheden- “fake” is, maar dat vermoeden is verder op geen enkele wijze gestaafd.

2.14

Daar staat tegenover dat [F] , een neef van [G] , in de contra-enquête heeft verklaard dat de handtekening op de bon van 10 januari 2013 van hem is en dat hij dat gereedschap daadwerkelijk aan [C] heeft gegeven als tegenprestatie, omdat die hem geregeld had geholpen. Volgens de verklaring van [G] ging het om gereedschap dat hij zelf niet meer nodig had, omdat hij zijn activiteiten van “restylen en detailen” ging beperken tot alleen “detailen” (autopoetsen). Zijn boekhouder had hem, [G] , geadviseerd om het gereedschap aan [C] te geven door middel van een factuur met daarop vermeld de boekwaarde van het gereedschap. De nieuwwaarde van het gereedschap was volgens [G] in 2011 € 8.000,- á € 9.000,- geweest en de boekwaarde daarvan was toen zeker nog € 1.450,- excl. btw.
Die verklaring versterkt de voorshandse aanname dat [C] de beschikking heeft gehad over een gereedschapskast met gereedschap waarvoor een factuur van € 1.725,50 (incl. btw) is opgesteld. Het versterkt daarmee ook de aanname dat dit gereedschap zich ten tijde van de ontruiming in de woning bevond (opgevat in de zin als in rov. 2.11 toegelicht).
Eveneens onderbouwt die verklaring dat de waarde van de kist met gereedschap kan worden geschat op het bedrag van de factuur, dus op een bedrag van € 1.725,50.

2.15

Tegenover die nadere versterking bieden de verklaringen van [appellant] , [D] en [E] dat zij in de woning geen gereedschapskist en gereedschappen hebben gezien, onvoldoende tegenwicht en ontzenuwen zij laatst vermelde voorshandse aanname daarom niet. Daarbij geldt dat de verklaringen van deze getuigen ook met de nodige behoedzaamheid betracht dienen te worden, omdat het verklaringen betreft van een partij bij de zaak ( [appellant] ) en diens naaste verwanten (echtgenote en zoon).
Ook het tegenbewijs is derhalve niet geleverd.

3 De slotsom

3.1

[appellant] is op geen van de onderdelen geslaagd in het leveren van het aan hem opgedragen (tegen)bewijs. In het falen in die (tegen)bewijslevering ligt besloten dat de grieven, voor zover niet al ingetrokken (de grieven 2 en 3), falen.

Het bestreden vonnis van de kantonrechter te Assen van 15 maart 2016 zal worden bekrachtigd.

3.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Die kosten aan de zijde van de bewindvoerder zullen worden vastgesteld op € 314,- aan griffierecht, € 167,04 aan exploten oproepingen getuigen [G] en [F] –de oproepingen per exploot van de niet verschenen getuige [H] en de direct betrokkenen [C] en [B] acht het hof onnodig gemaakt- en € 2.277,- aan salaris advocaat (3 punten x tarief I).
Voor zover de bewindvoerder in hoger beroep ook heeft gevorderd [appellant] te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg geldt dat de bewindvoerder geen grief (in incidenteel hoger beroep) heeft gericht tegen de compensatie van die kosten, zodat ook in dat opzicht het bestreden vonnis in stand blijft.

3.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Assen van 15 maart 2016;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de bewindvoerder vastgesteld op € 481,04 voor verschotten en op € 2.277,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.H. de Witte, J.H. Kuiper en O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

30 juni 2020.