Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5021

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
200.265.259
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding, in het hoger beroep in de civiele verbods¬procedure van het OM tegen Hells Angels Motorcycle Club en Hells Angels Motorcycle Club Holland. Belanghebbenden hebben het hof verzocht te bepalen dat verboden in APV’s en andere gemeentelijke regelingen ten aanzien van de Hells Angels onverbindend zijn en handhavend optreden op grond van deze verboden te verbieden, zolang er geen onherroepelijk verbod van de Hells Angels is uitgesproken. Het hof is van oordeel dat de verzochte voorlopige voorzieningen in deze procedure niet toewijsbaar zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.265.259

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 461530 en 461539)

beschikking van 30 juni 2020 in het incident ex artikel 223 Rv

in de zaak van:

1 de stichtingStichting IEHA,
gevestigd te Gouda,

2. [appellant2] (lid van Hells Angels-charter Gouda),

3. [appellant3] (lid van Hells Angels-charter Amsterdam),

4. [appellant4] (lid van Hells Angels-charter South East),

5. [appellant5] (lid van Hells Angels-charter Northcoast),

6. [appellant6] (lid van Hells Angels-charter Amsterdam),

7. [appellant7] (lid van Hells Angels-charter Amsterdam),

allen woonplaats kiezende te Amsterdam,

appellanten in hoger beroep en verzoekers in het incident,

in de procedure bij de rechtbank: belanghebbenden,

hierna gezamenlijk: de Stichting c.s.,

advocaten: mrs. G.G.J.A. Knoops, C.J. Knoops-Hamburger en R.S. van Es,

tegen:

het Openbaar Ministerie,

woonplaats kiezende te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep en in het incident,

in de procedure bij de rechtbank: verzoeker,

hierna: het OM,

voor wie optreedt de officier van justitie bij het Landelijk Parket, tevens (plaatsvervangend) advocaat-generaal bij het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden,

met als belanghebbenden in hoger beroep:

1 de buitenlandse corporatie Hells Angels Motorcycle Corporation,
gevestigd te Oakland, Californië, Verenigde Staten van Amerika,
advocaten: mrs. N.M.K. Damen en J. de Koning,

2. de buitenlandse corporatie Hells Angels Motorcycle Club,
zonder bekende vestigingsplaats,
niet verschenen,

3. de informele vereniging Hells Angels Motorcycle Club Holland,
zonder bekende vestigingsplaats,
niet verschenen,

in de procedure bij de rechtbank: verweersters,
hierna: HAM Corporation (nr. 1), HAMC (nr. 2) en HAMC Holland (nr. 3).

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

In de beschikking van het hof in het incident tot schorsing van 28 januari 2020 is beschreven hoe de procedure tot dan toe is verlopen. Het hof verwijst daarnaar.

1.2.

Het hof heeft hierna de volgende stukken ontvangen van partijen:

- het verweerschrift van het OM in de hoofdzaak (met bijlagen 26 en 27);

- de brief van mr. Knoops van 9 maart 2020 (met bijlage: expertiserapport);

- reactie van de Stichting c.s. op bijlage 26 van het OM;

- de brief van het OM van 1 mei 2020 (met bijlagen 28 tot en met 31);

- het incidentele verzoekschrift van de Stichting c.s. tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding (met bijlagen 1 tot en met 3);

- de brief van mr. Knoops van 29 mei 2020 (met bijlage 4 in het incident);

- de brief van mr. Knoops van 10 juni 2020 (verzoek om spoedbehandeling van het incident);

- het verweerschrift van het OM in het incident.

1.3.

Het hof heeft bepaald dat in het incident een beslissing op de stukken wordt gegeven.

2 De motivering van de beslissing in het incident

2.1.

Het hof heeft in de beschikking in het incident van 28 januari 2020 de schorsing bevolen van de werking van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 29 mei 2019. Bij die beschikking heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de werkzaamheid van HAMC, waarvan HAM Corporation onderdeel uitmaakt, in strijd is met de openbare orde als bedoeld in artikel 2:20 BW en HAMC Holland verboden verklaard en ontbonden. Door de beschikking van het hof is de werking van de - uitvoer bij voorraad verklaarde - beschikking van de rechtbank uitgesteld in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep.

2.2.

De Stichting c.s. hebben in hun incidentele verzoekschrift aangevoerd dat de politie een lid van de Hells Angels North West heeft bericht dat er handhavend zal worden opgetreden tegen zogenaamde OMG’s zoals de Hells Angels, op grond van veranderd landelijk beleid. Dit houdt in dat het voor leden van deze motorclubs is verboden om in het openbaar ‘colors’ te dragen. Daarbij is verwezen naar de volgende uitleg van het OM:
“Het landelijk parket heeft, in samenspraak met de Landsadvocaat en het WBOM, zich gebogen over het handhaven van de nog niet onherroepelijke civiele verboden, i.c. Hells Angels, Satudarah en No Surrender. Die clubs zijn bij uitspraken van de rechter, hetzij in eerste aanleg hetzij al in hoger beroep, verboden verklaard. Soms is die uitspraak bij voorraad uitvoerbaar verklaard en soms niet.

Mede op basis van de uitspraken in de civiel verbod procedures zelf, maar ook de uitspraken in voorlopige voorzieningen procedures (…) zijn het landelijk parket, de landsadvocaat en het WBOM tot de conclusie gekomen dat de uitvoerbaarheid bij voorraad geen rol speelt bij het nemen van bestuurlijke maatregelen.

Dat betekent dat vanaf heden geen onderscheid meer gemaakt wordt tussen wel of niet uitvoerbaar bij voorraad en dat op alle uitgesproken civiele verboden die nog niet onherroepelijk zijn, gehandhaafd kan worden. Handhaven vindt dan plaats op grond van de gewijzigde artikelen in de APV’s (verbod dragen van uitingen van bij rechterlijke uitspraak verboden organisatie) of, indien uitgevaardigd, op grond van een bevel ex artikel 172 lid 3 Gemeentewet. (…)”

De Stichting c.s. hebben geconstateerd dat veel APV’s inderdaad recentelijk zijn aangepast op dit punt, waarbij onder meer is verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 mei 2019. De Stichting c.s. wijzen erop dat na de beschikking van de rechtbank ook al handhavend is opgetreden tegen Hells Angels die zich herkenbaar in de openbare ruimte begaven en dat er clubhuizen zijn gesloten. De APV’s zijn niet aangepast naar aanleiding van de beschikking van het hof waarbij de tenuitvoerlegging van de rechtbankbeschikking is geschorst. Wel had de schorsing tot gevolg dat niet meer actief werd gehandhaafd, tot enkele weken geleden. Verschillende leden van de Hells Angels zijn recentelijk aangehouden wegens het dragen van colors. De Stichting c.s. achten het aannemelijk dat de recente communicatie van het OM over de nieuwe aanpak ertoe heeft geleid dat de politie weer handhavend is gaan optreden tegen het dragen van colors en andere uitingen van lidmaatschap door leden van de Hells Angels. Zij stellen zich op het standpunt dat de wijziging in het beleid van het OM in strijd is met het bepaalde in de beschikking van het hof en in strijd is met de wet, terwijl de genoemde APV’s onverbindend zijn te achten wegens strijd met hogere regelgeving waaronder artikel 11 EVRM.

2.3.

Op grond van het voorgaande verzoeken de Stichting c.s. het hof om bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv:

  1. te bepalen dat de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019 geen legitimatie vormt voor het opnemen van verboden ten aanzien van de Hells Angels in APV’s, op grond van de Gemeentewet of andere gemeentelijke regelingen, zolang er niet een onherroepelijk verbod jegens een van de belanghebbenden in deze procedure is uitgesproken;

  2. te bepalen dat de betreffende APV’s wegens strijd met hogere regelgeving onverbindend zijn jegens de Stichting c.s. zolang er niet een onherroepelijk verbod is uitgesproken;

  3. te bevelen dat niet handhavend kan worden opgetreden op grond van verboden ten aanzien van de Hells Angels, waaronder in elk geval begrepen verboden om middels clubkleding en logo’s herkenbaar te zijn als Hells Angel, in APV’s, op grond van de Gemeentewet of andere gemeentelijke regelingen, zolang er niet een onherroepelijk verbod jegens een van de belanghebbenden is uitgesproken;

  4. enige andere voorziening te treffen om te verzekeren dat de door het hof gelaste schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank wordt gerespecteerd;

  5. deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

  6. het OM te veroordelen in de kosten van dit incident.

2.4.

Het OM heeft verzocht de Stichting c.s. niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek tot voorlopige voorziening, dan wel het verzoek af te wijzen en de Stichting c.s. te veroordelen in de kosten van het incident. Het hof is van oordeel dat de voorlopige voorzieningen die de Stichting c.s. hebben verzocht in deze procedure inderdaad niet toewijsbaar zijn.

Het hof zal hierna uiteenzetten hoe het tot dat oordeel komt.

2.5.

Op grond van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen
dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Daarbij geldt de eis dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. De mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen voor de duur van het geding is in de wet opgenomen voor de dagvaardingsprocedure, maar kan in de verzoekschriftprocedure naar analogie worden toegepast.

2.6.

De verzoeken van de Stichting c.s. strekken ertoe te bepalen dat verboden in APV’s (Algemene Plaatselijke Verordeningen) en andere gemeentelijke regelingen op grond van de Gemeentewet ten aanzien van de Hells Angels onverbindend zijn en handhavend optreden op grond van deze verboden te verbieden, zolang er geen onherroepelijk verbod van de Hells Angels is uitgesproken. Op grond van artikel 147 Gemeentewet worden de gemeentelijke verordeningen waar het hier om gaat vastgesteld door de gemeenteraad. De handhavingsmaatregelen waarop wordt gedoeld, zijn gebaseerd op de openbare ordebevoegdheden van de burgemeester op grond van de Gemeentewet. Bij het vaststellen van de bedoelde verboden en het nemen van maatregelen met het oog op de openbare orde oefenen gemeenteraden en burgemeesters eigen wettelijke bevoegdheden uit. Zij maken daarbij hun eigen afwegingen ten aanzien van wat nodig is voor het bewaken van de openbare orde en veiligheid in hun gemeente. Dat zij daarbij betekenis hechten aan het oordeel van de rechtbank in de bestreden beschikking dat de activiteiten van de Hells Angels in strijd zijn met de openbare orde, maakt niet dat zij de beschikking van de rechtbank ten uitvoer leggen.

2.7.

De vraag of de bedoelde verboden in gemeentelijke verordeningen verbindend zijn en of door burgemeesters genomen of te nemen openbare ordemaatregelen tegen de Hells Angels rechtmatig zijn, ligt niet voor in deze procedure, waarin uitsluitend moet worden beoordeeld of HAMC Holland en HAMC bestaan en, zo ja, of hun werkzaamheid in strijd is met de openbare orde. Over de eerstgenoemde vraag kan het hof dus ook geen uitspraak doen bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van deze procedure. Dit geldt daarmee ook voor de vraag die in het verlengde daarvan ligt, of er handhavend mag worden opgetreden op basis van de bedoelde gemeentelijke verboden en maatregelen. Dat de verboden en maatregelen op gemeentelijk niveau onderdeel zijn van een landelijke integrale aanpak van OMG’s die door politie en justitie wordt ondersteund, maakt dit niet anders.

2.8.

Het hof wijst de incidentele verzoeken af en houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de eindbeschikking in de hoofdzaak.

2.9.

De mondelinge behandeling in de hoofdzaak is (nader) bepaald 7 oktober 2020.

In afwachting daarvan houdt het hof iedere verdere beslissing aan.

3 De beslissing

Het hof, beschikkende:


in het incident:

wijst de verzoeken van de Stichting c.s. af;

verder in het incident en in de hoofdzaak:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. Wattel, C.J.H.G. Bronzwaer en S.C.P. Giesen, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2020.