Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5020

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
21-006825-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank met uitzondering van de straf en met aanvullende overwegingen ten aanzien van hetgeen ter zitting in hoger beroep is aangevoerd. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006825-18

Uitspraak d.d.: 30 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 december 2018 met parketnummer 16-659165-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

thans verblijvende in PI [locatie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft het aanvankelijk ingestelde hoger beroep nadien ingetrokken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. R.P. van der Graaf, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 3 december 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte veroordeeld voor het - kort gezegd - medeplegen van een plofkraak in Rheine (Duitsland) op 23 juni 2017, tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis met overneming van die gronden te worden bevestigd, met uitzondering van een bewijsoverweging van de rechtbank en behalve voor zover het betreft de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd en zal opnieuw recht worden gedaan.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De rechtbank heeft in haar vonnis onder "Wat uit de bewijsmiddelen blijkt" (op pagina 7 van het vonnis) het volgende overwogen: "Overigens stelt de rechtbank vast dat op de foto's die op 8 maart 2018 genomen zijn van onder meer het gelaat en het rechterbeen van verdachte wel degelijk littekens waar te nemen zijn. De rechtbank weegt daarbij mee dat dit past bij de bloedsporen aangetroffen op de bivakmuts en het stuk van de regenbroek en dat reeds 8 maanden zijn verstreken tot aan het nemen van de foto's en 9 maanden tot aan de beoordeling door een forensisch arts. Daarnaast is het van algemene bekendheid dat verwondingen in de loop van de tijd genezen."

Mede gelet op hetgeen de raadsman van verdachte ter terechtzitting van het hof op dit punt heeft aangevoerd neemt het hof deze bewijsoverweging niet mee in de bewijsconstructie voor het hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd. Voor de bewezenverklaring zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank heeft dit geen gevolgen. Ook zonder genoemde bewijsoverweging resteren voldoende wettige bewijsmiddelen op basis waarvan het hof de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 23 juni 2017 samen met anderen schuldig gemaakt aan een plofkraak. Daarbij is een geldbedrag van € 428.350,- buitgemaakt. Het gaat om een zeer ernstig feit met een grote maatschappelijke impact. Bij de ontploffing is aanzienlijke schade ontstaan aan twee geldautomaten en aan de gebouwen waarin deze automaten geplaatst waren. De schade reikt veel verder dan alleen de plofkraak zelf. Bij omwonenden en anderen die kennis van dit feit hebben genomen, zal de ontploffing en diefstal sterke gevoelens van onrust en angst hebben veroorzaakt. Daarnaast hebben dit soort plofkraken tot gevolg dat banken hun geldautomaten uit openbare ruimtes verwijderen, waardoor ook in bredere zin sprake is van maatschappelijke schade. Verdachte en zijn mededaders hebben puur uit winstbejag gehandeld. Daarbij hebben zij de ellende van andere mensen op de koop toe genomen en zich niets aangetrokken van de belangen van anderen.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 april 2020 blijkt dat hij meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor vermogens- en andersoortige delicten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het bewezenverklaarde feit te plegen.

Het hof constateert voorts dat verdachte, gelet op zijn proceshouding, geen enkele verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn betrokkenheid bij het bewezenverklaarde feit en de grote schade die daarbij is veroorzaakt.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep de oplegging van een gevangenisstraf van 36 maanden gevorderd in plaats van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 3 jaren. De vordering van de advocaat-generaal betekent in de praktijk dat deze enkele dagen korter zal uitvallen dan de door de rechtbank opgelegde straf. Gelet op hetgeen op dit punt ter zitting van het hof naar voren is gekomen ziet het hof aanleiding om de advocaat-generaal in zijn vordering te volgen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 63, 157 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier,

en op 30 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. W. Foppen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.