Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:5019

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
21-006973-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank met uitzondering van de straf en met aanvullende overwegingen ten aanzien van hetgeen ter zitting in hoger beroep is aangevoerd. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en wijst toe de vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006973-18

Uitspraak d.d.: 30 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 december 2018 met parketnummer 16-707112-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, alsmede toewijzing van de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig de beslissing van de rechtbank. Voorts vordert de advocaat-generaal een beslissing omtrent het beslag conform de vordering van de officier van justitie. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. M.J. Lamers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 3 december 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het medeplegen van een plofkraak op 25 juli 2017 in Wesel (Duitsland) en medeplegen van opzetheling van een Audi Rs6 en kentekenplaten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft verder de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] - hoofdelijk - toegewezen tot het bedrag van € 16.030,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2017 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen heeft de rechtbank beslist dat deze aan verdachte dienen te worden teruggegeven.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Gelet op hetgeen verdachte in hoger beroep heeft verklaard en door de verdediging is aangevoerd zal het hof de gronden van het vonnis aanvullen.

Het hof zal het vonnis daarom met aanvulling van de gronden bevestigen, behalve voor zover het betreft de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Aanvulling van gronden

In hoger beroep heeft verdachte onder meer – kort weergegeven – de volgende verklaring afgelegd:

“Ik heb alleen de Rs6 gereden. Ik was door iemand gevraagd die ik via via kende. Ik wist niet precies wat ik ging doen, ik wist alleen dat ik de auto ergens naartoe moest rijden. Ik ben naar de grens gereden. Daar is de auto overgepakt door anderen. Ik ben toen weer bij de grens gaan staan. Ik heb teruggereden als afleidingsmanoeuvre. In Utrecht op de rotonde ben ik gecrasht.

Ik ben ook in de Audi Rs6 van Utrecht naar Duitsland gereden. De anderen zijn voor mij uit gereden in een eerlijke auto. Ik heb op een industrieterrein de eerlijke auto overgepakt en zij hebben de andere auto gepakt. Het was een industrieterrein over de grens in de buurt van Wesel, bij een afslag. Daar heb ik de andere auto weer overgepakt. Ik ben vol gas naar Nederland gereden als afleidingsmanoeuvre.

Ik heb mijn telefoon steeds bij me gehad, een iPhone. Het industrieterrein waar ik met de auto stond kan nooit ver geweest zijn van de plaats van de plofkraak.

Ik heb spullen aangepakt. Misschien zat de bivakmuts binnenstebuiten en is mijn DNA er op die manier opgekomen.”

Het hof overweegt als volgt.

Het hof acht de verklaring van verdachte – voor het eerst in hoger beroep afgelegd – volstrekt ongeloofwaardig. Opvallend is immers dat de iPhone, waarvan verdachte aangeeft dat hij die steeds bij zich heeft gehad, nog om 03:04 uur een telefoonmast aan de Berliner Tor Platz in Wesel aanstraalt, evenals overigens de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte] . Deze mast bevindt zich in het centrum van Wesel, zeer nabij de Friedrichstrasse waar om 03:07 uur de plofkraak heeft plaatsgevonden1. Deze bevindingen zijn niet te verenigen met de verklaring van verdachte dat hij "op een industrieterrein over de grens in de buurt van Wesel, bij een afslag" heeft staan wachten om weer van auto te wisselen.

Van belang is ook dat het DNA van verdachte niet alleen aan de binnenzijde van een bivakmuts die in de kofferbak van de Audi lag is aangetroffen, maar ook op een regenbroek, waarbij het om een DNA-hoofdprofiel ging.

In aanvulling op hetgeen de rechtbank omtrent het DNA-bewijs heeft overwogen neemt het hof ook in aanmerking dat in de kofferbak van de Audi een paar handschoenen is aangetroffen waarvan het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van verdachte2. Gelet op het feit dat het hier DNA-hoofdprofielen van verdachte betreft zijn de bevindingen niet te verenigen met de verklaring van verdachte dat hij alleen maar wat spullen van zijn medeverdachten heeft aangepakt. Mede in het licht van de overige bewijsmiddelen zoals die in het vonnis staan opgenomen, acht het hof het door verdachte aangevoerde alternatieve scenario, erop neerkomende dat hij slechts de Audi zou hebben bestuurd op de heenweg richting Duitsland tot een industrieterrein in de buurt van Wesel, en op de terugweg van dit industrieterrein richting Utrecht, ongeloofwaardig en niet aannemelijk geworden.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 25 juli 2017 samen met anderen schuldig gemaakt aan een plofkraak. Bij de ontploffing is aanzienlijke schade ontstaan aan de geldautomaat, het gebouw en de goederen in het gebouw waar de geldautomaat was geplaatst. De schade reikt veel verder dan alleen de plofkraak zelf. Dit soort plofkraken hebben tot gevolg dat banken hun geldautomaten uit openbare ruimtes verwijderen, waardoor ook in bredere zin sprake is van maatschappelijke schade. Bij omwonenden en anderen die kennis van deze feiten hebben genomen, zal de ontploffing en diefstal sterke gevoelens van onrust en angst hebben veroorzaakt. Verdachte en zijn mededaders hebben puur uit winstbejag gehandeld. Daarbij hebben zij de ellende van andere mensen op de koop toegenomen en zich niets aangetrokken van de belangen van anderen.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 april 2020 blijkt dat hij meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor vermogens- en andersoortige delicten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de hier bewezenverklaarde feiten te plegen.

Het hof constateert voorts dat verdachte, gelet op zijn proceshouding, geen enkele verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn betrokkenheid bij het bewezenverklaarde feit en de grote schade die daarbij is veroorzaakt.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep de oplegging van een gevangenisstraf van 36 maanden gevorderd in plaats van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 3 jaren. De vordering van de advocaat-generaal betekent in de praktijk dat deze enkele dagen korter zal uitvallen dan de door de rechtbank opgelegde straf. Gelet op hetgeen op dit punt ter zitting van het hof naar voren is gekomen ziet het hof aanleiding om de advocaat-generaal in zijn vordering te volgen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 157, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

2093542, 2093561 (gsm’s Nokia), 2093555 (zonnebril Versace), 2093573 (gsm

Blackberry), 2093580 (diverse bonnetjes) en 2093584, 2093590 (gsm’s iPhone),

2093622, 2093637, 2093644 (betaalkaarten en bonnetjes));

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 16.030,00 (zestienduizend dertig euro) ter zake van materiele schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 16.030,00 (zestienduizend dertig euro) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 115 (honderdvijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 juli 2017.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier,

en op 30 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. W. Foppen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 zie pagina 2465 e.v. van ordner 7, opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal genummerd 2017241531, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 5050.

2 Pagina's 3164, 3170 en 3171 van ordner 8 van het onder 1. genoemde proces-verbaal