Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4991

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
PIJ P20/0136
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke beëindiging maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel). Formulering algemene voorwaarde. Ontvankelijkheid vordering tot verlenging. Criterium voor beoordeling vordering tot verlenging. Verlenging na de lopende proeftijd. Heropening onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/4
FJR 2021/38.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PIJ P20/0136

Beslissing d.d. 25 juni 2020

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[jeugdige] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

ingeschreven op het adres […] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2020, houdende verlenging van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de maatregel) met een termijn van een jaar en een aanvulling van de bijzondere voorwaarden.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

 het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

 de beslissing waarvan beroep;

 de akte van beroep van de betrokkene van 16 april 2020;

 de aanvullende informatie van de reclassering van 8 juni 2020;

 het e-mailbericht van de raadsman aan het hof met als bijlage een brief van [moeder minderjarige] van 10 juni 2020.

Het hof heeft ter zitting van 11 juni 2020 gehoord de jeugdige, bijgestaan door zijn raadsman mr. B.J. de Bruijn, advocaat te ’s-Gravenhage en de advocaat generaal

mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit. Het hof heeft tevens ter zitting als deskundige gehoord

S. Emmerich, reclasseringswerker.

Overwegingen:

Het standpunt van deskundige Emmerich ter zitting van 11 juni 2020

Een verlenging van de maatregel met een jaar is nodig om de jeugdige beter te leren kennen. Hoewel de reclassering dacht de jeugdige goed te kennen, hebben de ontwikkelingen van de afgelopen periode duidelijk gemaakt dat er onvoldoende zicht is op zijn belevingswereld. De contacten van de jeugdige met minderjarigen zijn zorgelijk. Het is eveneens zeer zorgelijk dat de jeugdige de reclassering niet heeft geïnformeerd over deze contacten, te meer nu de reclassering hem daarvoor meermalen de gelegenheid heeft gegeven. Het verhaal dat de jeugdige uiteindelijk tegenover de reclassering heeft verteld blijkt – gezien de resultaten van het (politie)onderzoek – niet te kloppen. Bij verlenging van de maatregel zal moeten worden onderzocht wat de precieze motivatie is van de jeugdige voor zijn contacten met minderjarigen. Daarover bestaat tot nu toe onvoldoende duidelijkheid.

Het standpunt van de jeugdige en zijn raadsman

Wat betreft de omvang van het hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep gericht is tegen de beslissing tot verlenging. De jeugdige heeft aangegeven zich – naast de beslissing tot verlenging – ook niet te kunnen vinden in de beslissing van de rechtbank voor zover het de aanvulling van de voorwaarden betreft.

De jeugdige en zijn raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de beslissing waarvan beroep dient te worden vernietigd en de vordering tot verlenging dient te worden afgewezen. De zorgen van de reclassering zijn niet terecht. Hoewel de jeugdige contact heeft gehad met minderjarigen en hierover niet open is geweest, is er geen sprake van een nieuw strafbaar feit. De jeugdige heeft aangegeven vanaf het begin geen goede werkrelatie met de reclassering te hebben gehad en het gevoel te hebben dat hij niet over alles open kon zijn naar de reclassering zonder hierop direct een negatieve reactie van de reclassering te krijgen. De kritische houding van de reclassering ten opzichte van de jeugdige roept vragen op, te meer nu [moeder minderjarige] in haar brief aan het hof heeft aangegeven dat er niets is voorgevallen tussen haar minderjarige zoon en de jeugdige. Een verlenging van de maatregel is alles overziend niet gerechtvaardigd. Daarnaast is een eventuele verlenging niet in het belang van de jeugdige. Een verlenging belet de jeugdige in zijn werk als vrachtwagenchauffeur, alsmede in zijn doorgroeimogelijkheden naar internationaal vrachtwagenchauffeur.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Wat betreft de omvang van het hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat hoger beroep tegen wijziging dan wel aanvulling van de voorwaarden niet mogelijk is, gelet op artikel 6:6:37, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hoger beroep ziet derhalve enkel op de beslissing tot verlenging van de maatregel.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing waarvan beroep. Bij de jeugdige is nog steeds sprake van een stoornis en van een recidiverisico. Daarnaast is verlenging van de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de jeugdige. De verlenging is aangewezen, gelet op alle omstandigheden van het geval. De signalen dat de jeugdige contacten heeft met minderjarigen zijn uiterst zorgelijk. Zorgelijk is voorts dat de jeugdige geen openheid heeft gegeven aan de reclassering over deze contacten en het gedrag van de jeugdige grote overeenkomsten vertoont met zijn gedrag in aanloop naar de indexdelicten. Nu het recidiverisico hoog is, dient ingezet te worden op beveiliging van de maatschappij. Verlenging van de maatregel is derhalve aangewezen.

Het oordeel van het hof

Wettelijk kader

Artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht (Sr) luidt onder andere:

1. Aan de verdachte bij wie ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen worden opgelegd, indien
(…)
b. de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist, en
c. de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Artikel 77ta Sr luidt:

1. Indien de maatregel voorwaardelijk eindigt als bedoeld in artikel 77s, zevende lid, en artikel 77t, tweede lid, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat:
a. de veroordeelde zich ten tijde van de voorwaardelijke beëindiging niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
b. de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en medewerking verleent aan het toezicht door de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet dan wel van een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 14c, zesde lid.
2. Een jaar nadat de maatregel voorwaardelijk is geëindigd als bedoeld in het bepaalde in de artikelen 6:2:22, tweede lid, en 6:6:31, van het Wetboek van Strafvordering eindigt de maatregel van rechtswege onvoorwaardelijk, tenzij de voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 77tb. In de gevallen waarin de voorwaardelijke beëindiging is verlengd, eindigt de maatregel onvoorwaardelijk nadat de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging is bereikt.

Het hof overweegt dat een aantal verwijzingen in de huidige tekst van dit wetsartikel niet meer juist is. Op 1 januari 2020 zijn de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2017, 82) en de Invoeringswet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2019, 504) (hierna gezamenlijk: Wet USB) in werking getreden. Door de Wet USB zijn onder andere de artikelen 77t en 77tb Sr vervallen. Artikel 77s, zevende lid, Sr bevat geen regels meer voor de voorwaardelijke beëindiging van de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in inrichting voor jeugdigen. Gelet op de inhoud van deze bepalingen zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de Wet USB gaat het hof er van uit dat nu volgende verwijzingen zijn beoogd:

- artikel 77s, zevende lid, Sr: artikel 6:2:22, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv);

- artikel 77t Sr: 6:6:31 Sv;

- artikel 77tb Sr: 6:6:32 Sv.

Artikel 6:2:22 luidt onder andere:

1. De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eindigt voorwaardelijk na twee jaar, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 6:6:31 (…)

2. De termijn van de maatregel loopt niet:

(…)

c. wanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd als bedoeld in het eerste lid en artikel 6:6:31.

Artikel 6:6:31 luidt onder andere:

1. De rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, kan op vordering van het openbaar ministerie de termijn, bedoeld in artikel 6:2:22, eerste lid, telkens met ten hoogste twee jaren verlengen (…) Artikel 6:6:11 is van overeenkomstige toepassing.
2. Verlenging van de termijn van de maatregel is slechts mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. In de gevallen waarin de maatregel is verlengd, eindigt de maatregel voorwaardelijk een jaar voordat de maximale duur van de maatregel wordt bereikt. De rechter geeft in de beslissing tot verlenging van de maatregel aan wanneer de maatregel, behoudens verdere verlenging, onvoorwaardelijk eindigt. Artikel 6:2:22, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing (…)
3. De verlenging is slechts mogelijk, indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Artikel 77s, eerste lid, onder b en c, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:6:32 luidt onder andere:

1. De voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan door de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie, worden verlengd. De rechter bepaalt de duur van de verlenging.
2. De totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel bedraagt ten hoogste twee jaar. De termijn van de voorwaardelijke beëindiging loopt niet wanneer de veroordeelde zich langer dan een week onttrekt aan het toezicht.
3. Tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel kan de in het eerste lid bedoelde rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde:
a. bijzondere voorwaarden stellen die het gedrag van de veroordeelde betreffen;
(…)

Artikel 6:6:37, eerste lid, aanhef en onder b, en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering luiden als volgt:

1. De volgende beslissingen worden bij beschikking genomen, nadat de veroordeelde en indien deze minderjarig is, ook degenen die het gezag over hem uitoefenen, zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen:
(…)
b. de beslissing tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
(…)
3. Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen binnen veertien dagen na de beslissingen bedoeld in het eerste lid beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De artikelen 6:6:15 tot en met 6:6:17 zijn van overeenkomstige toepassing.

Omvang van het beroep

Het hof stelt vast dat de bestreden uitspraak van de rechtbank van 9 april 2020 twee beslissingen bevat. Ten eerste verlengt de rechtbank op grond van artikel 6:6:32, eerste lid, Sv de duur van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Ten tweede vult de rechtbank op grond van artikel 6:6:32, derde lid, onder a, Sv de bijzondere voorwaarden aan die de rechtbank eerder had gesteld bij beslissing van 21 maart 2019. Het beroep tegen de beslissing van 9 april 2020 is onbeperkt ingesteld. Op de zitting zijn tegen beide onderdelen van de beslissing bezwaren naar voren gebracht.

Naar het oordeel van het hof is het niet mogelijk beroep in te stellen tegen de enkele beslissing tot het stellen van bijzondere voorwaarden, waaronder ook het aanvullen en wijzigen van dergelijke voorwaarden dient te worden begrepen. In het onderhavige geval kan het stellen van bijzondere voorwaarden echter wel aan het hof worden voorgelegd omdat deze beslissing onderdeel uitmaakt van de beslissing tot verlenging van de duur van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Volgens het recht zoals dat gold voor 1 januari 2020 maakte artikel 502, tweede lid, Sv (oud) het mogelijk tegen een beslissing als bedoeld in artikel 77tb Sv (oud; thans 6:6:32 Sv) in beroep te komen bij het gerechtshof in het ressort waarin de rechtbank is gelegen die de beslissing heeft genomen. Deze mogelijkheid zag zowel op de beslissing tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel, als de beslissing tot aanvulling van bijzondere voorwaarden, als de beslissing tot terugplaatsing van een jeugdige in een inrichting na overtreding van een voorwaarde.

Volgens de tekst van artikel 6:6:37, eerste lid, onder b, en derde lid, Sv staat op dit moment slechts beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen de beslissing tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Wanneer het wetsvoorstel voor de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (thans EK 2019-2020, 34356, A) in werking zou treden, zou tevens beroep mogelijk worden tegen een beslissing tot terugplaatsing van een jeugdige in een inrichting na overtreding van een voorwaarde. De beslissing tot het stellen van voorwaarden wordt echter in artikel 6:6:37 Sv niet genoemd.

Hoewel in de memorie van toelichting bij de Wet USB wordt gesteld dat artikel 6:6:37 Sv zonder inhoudelijke wijzigingen is overgenomen uit oude wettelijke regeling (TK 2014-2015, 34086, nr. 3, blz. 110), is het hof van oordeel dat de duidelijke wettekst doorslaggevend moet zijn en dat geen beroep openstaat tegen de zelfstandige beslissing tot het stellen van bijzondere voorwaarden. Het hof vindt steun voor dit oordeel in het gegeven dat de Spoedreparatiewet op dit punt niet voorziet in een aanvulling van artikel 6:6:37 Sv. Verder wordt ook elders in hoofdstuk 6 van het Wetboek van Strafvordering geen beroep opengesteld tegen de enkele beslissing tot het wijzigen van voorwaarden. Gewezen kan worden op artikel 6:6:19 jo. 6:6:22 Sv en 6:6:10, eerste lid, onder g, jo. 6:6:15 Sv.

Dit neemt echter niet weg dat in het onderhavige geval de beslissing van de rechtbank tot het aanvullen van voorwaarden is gegeven in dezelfde uitspraak als de beslissing tot verlenging van de duur van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Deze laatste beslissing kan wel aan het oordeel van het hof worden onderworpen. Tussen een voorwaardelijke beëindiging en de daaraan te verbinden voorwaarden bestaat verder een duidelijk verband. Daarnaast leidt het hof uit de ambtshalve bevoegdheid van de rechter tot het stellen van voorwaarden (artikel 6:6:32, derde lid, Sv) af dat de wetgever heeft beoogd de rechter de vrijheid te geven de voorwaarden te stellen of te wijzigen in zaken die om andere reden aan hem zijn voorgelegd.

Het hof acht de jeugdige dan ook in volle omvang ontvankelijk in het beroep.

Ontvankelijkheid van de vordering

De rechtbank heeft over de ontvankelijkheid van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de duur van de voorwaardelijke beëindiging overwogen, dat het openbaar ministerie de vordering tot verlenging één dag te laat heeft ingediend. De rechtbank toetst daarbij aan de termijn zoals genoemd in artikel 6:6:11, eerste lid, Sv. De rechtbank heeft aan deze termijnoverschrijding echter geen gevolg verbonden, omdat de rechtbank krachtens artikel 6:6:32, eerste lid, Sv ook ambtshalve over kan gaan tot een verlenging van de voorwaardelijke beëdiging van een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Het hof overweegt dat artikel 6:6:32, eerste lid, Sv niet artikel 6:6:11 Sv van overeenkomstige toepassing verklaart. Ook overigens is deze bepaling, die ziet op de procedure tot verlenging van de maatregel, niet van toepassing. Omdat de maatregel voorwaardelijk is geëindigd loopt de termijn van de maatregel immers niet (artikel 6:2:22, tweede lid, onder c, Sv; zie ook Hoge Raad 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2297).

De wet geeft geen expliciete termijn waarbinnen de vordering tot verlenging moet worden ingediend. Artikel 77ta, tweede lid, Sr houdt echter in dat de maatregel van rechtswege eindigt na afloop van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging. Dit brengt met zich mee dat een vordering van de officier van justitie tot verlenging van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging, alleen dan ontvankelijk is als deze wordt ingediend voor het einde van de lopende termijn.

Het hof stelt vast dat de lopende termijn eindigde op 23 maart 2020 en dat de vordering tot verlenging van de termijn is ingediend op 13 maart 2020. Dit betekent dat de vordering ontvankelijk is.

Verlenging na afloop van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging

Het hof stelt verder vast dat de beslissing van de rechtbank tot verlenging van de duur van de voorwaardelijke beëindiging dateert van 9 april 2020 en dus is gegeven na afloop van de lopende termijn van de voorwaardelijke beëindiging.

In de rechtspraak van de Hoge Raad is verschillende keren overwogen dat een beslissing tot verlenging van de proeftijd verbonden aan een voorwaardelijke straf alleen gedurende de proeftijd gegeven kan worden. Zie Hoge Raad 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4445 en Hoge Raad 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2903. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of dezelfde regel geldt in het onderhavige geval, waarin het gaat om een “proeftijd” die van rechtswege is verbonden aan de tenuitvoerlegging van een maatregel.

Deze vraag is niet besproken op de zitting. Gelet op het belang van deze beslissing voor de uitkomst van de zaak, acht het hof het aangewezen het onderzoek te heropenen en de zaak wederom op zitting te behandelen.

Op die zitting kunnen dan desgewenst ook de overigens al ingenomen standpunten van partijen worden aangepast aan het volgende.

Geldende algemene voorwaarden

Het hof hecht er aan het volgende te verduidelijken. De rechtbank heeft in haar beslissing van 21 maart 2019 de voorwaarden genoemd die van rechtswege zijn verbonden aan de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Zij stelde onder andere dat:

b. de jeugdige zich zal gedragen naar de aanwijzingen van een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1, onder de Jeugdwet dan wel, indien de veroordeelde de leeftijd van achttien jaar reeds heeft bereikt, een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling of bijzondere reclasseringsambtenaar, ook indien deze aanwijzingen een vorm van intensieve begeleiding inhouden.

Zoals hiervoor aangehaald, luidt artikel 77ta, eerste lid, onder b, Sr echter anders. De jeugdige dient zich te houden aan de voorwaarde zoals die in de wet is geformuleerd.

De gronden voor de verlenging van de termijn

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de duur van de voorwaardelijke beëindiging dient te worden verlengd. Daarbij heeft zij verwezen naar de wettelijke criteria voor de verlenging van de maatregel, genoemd in artikel 6:6:31, derde lid, Sv jo. artikel 77s, eerste lid, onder b en c, Sr.

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, is in de onderhavige zaak echter niet de verlenging van de maatregel aan de orde. Deze maatregel is voorwaardelijk geëindigd. Het gaat hier om de verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel.

Aan de parlementaire geschiedenis van de wetten waarbij het stelsel van voorwaardelijke beëindiging is ingevoerd, kan het volgende worden ontleend.

Met dit wetsvoorstel voorstel wordt voorzien in een verplichte vorm van nazorg voor jeugdigen die krachtens een jeugddetentie of Pij-maatregel in een justitiële jeugdinrichting hebben verbleven (…) Ten aanzien van de jeugdigen die met nazorg in aanraking kwamen – hetzij in de vorm van begeleiding, hetzij in de vorm van een scholings- en trainingsprogramma – wordt vastgesteld dat de resultaten van de inspanningen van de inrichtingen, na een half jaar het best beklijven.

Het bieden van goede begeleiding bij terugkeer in de maatschappij na afloop van een strafrechtelijke interventie is mede bepalend voor het welslagen daarvan.

(Memorie van Toelichting, TK 2008-2009, 31915, nr. 3, blz. 23)

Deze leden vragen welke sancties mogelijk zijn ten aanzien van de jeugdige die zich na een pij-maatregel niet aan de voorwaarden houdt. Hiertoe is voorzien in de mogelijkheid van terugplaatsing in de inrichting. Een dergelijke terugplaatsing biedt naar onze stellige overtuiging een «voldoende stok achter deur» om te voorkomen dat de jeugdige zich niet aan de in het verband van de nazorg te stellen voorwaarden zal houden. Dit kan worden vergeleken met de voorwaardelijke jeugddetentie. Daar geldt dat, slechts indien de jeugdige zich niet aan de voorwaarden houdt, hij de jeugddetentie zal ondergaan. Andere sancties, waarnaar deze leden vragen, hebben wij in dit verband dan ook niet overwogen. Wij benadrukken daarbij dat aan een terugplaatsing ook iets vooraf gaat. Voordat

daartoe wordt besloten, zal de rechter beslissen over een verlenging van de verplichte begeleiding (…) De rechter kan daarbij ook de voorwaarden aanpassen of wijzigingen doorvoeren in de begeleiding. Uiteindelijk kan de rechter de begeleiding tot in totaal twee jaren laten duren. Eerst daarna komt de terugplaatsing in beeld. Het is ook om deze reden dat wij hebben aangegeven dat een terugplaatsing het minst wenselijke scenario is: de verplichte begeleiding komt ten einde kennelijk zonder dat deze het gewenste effect heeft gesorteerd. Tegelijkertijd moeten wij erkennen dat de justitiële bemoeienis, zeker waar het jeugdigen betreft, eindig is.

(Nota naar aanleiding van het verslag, TK 2008-2009, 31915, nr. 8, blz. 29 en 30)

Deze leden constateerden tenslotte terecht dat een terugplaatsing wegens het niet naleven van de gestelde voorwaarden is beperkt tot maximaal twee keer. Zij vroegen naar de mogelijkheden indien de jeugdige zich voor een derde keer niet aan de voorwaarden houdt. Bij de beantwoording van deze vraag stel ik graag voorop dat niet alleen door middel van een terugplaatsing op niet-naleving van voorwaarden behoeft te worden gereageerd. In de met de artikel 77tb Sr voorziene procedure kan de rechter ook de voorwaarden aanpassen en de periode van de voorwaardelijke beëindiging verlengen. (…) Niet elke overtreding van voorwaarden behoeft dus tot een terugplaatsing aanleiding te geven.

(Nota naar aanleiding van het verslag, TK 2008-2009, 33008, nr. 6, blz. 4)

Het hof leidt uit deze passages af dat het stelsel van voorwaardelijke beëindiging is ingevoerd om te voorzien in een periode van nazorg aansluitend aan het verblijf van de jeugdige in een inrichting. Deze periode staat in het teken van een goede terugkeer van de jeugdige in de maatschappij, om op deze wijze de resultaten zeker te stellen van de behandeling en resocialisatie die heeft plaatsgevonden onder de vigeur van de maatregel. De instrumenten van terugplaatsing in de inrichting, stellen van bijzondere voorwaarden en verlenging van de duur van de voorwaardelijke beëindiging staan ten dienste van dit doel. Onder andere vormen zij een dwingend kader om de jeugdige tot medewerking aan het nazorgtraject te bewegen en in zoverre zijn zij dan sancties op een gebrek aan medewerking.

Bij de beoordeling of de duur van de voorwaardelijke beëindiging dient te worden verlengd, dient de rechter het voorgaande in zijn afweging te betrekken. Aspecten die ook bij de verlenging van de maatregel een rol spelen, zoals recidivegevaar en het belang van de ontwikkeling van de jeugdige, zijn daarbij van belang, maar niet noodzakelijkerwijs bepalend.

Beslissing

Het hof:

Heropent het onderzoek met voormeld doel en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, doch voor niet meer dan drie maanden.

Beveelt de oproeping van de terbeschikkinggestelde tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsman.

Aldus gedaan door

mr. M. Keppels als voorzitter,

mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. M.E. van Wees als raadsheren,

en drs. I. Troost en drs. D.M.L. Versteijnen als raden,

in tegenwoordigheid van mr. F.A.A.M. van der Veen als griffier,

en op 25 juni 2020 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.