Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4986

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
09-02-2021
Zaaknummer
200.277.164
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

1:265b BW, uithuisplaatsing. Tussenbeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.277.164

(zaaknummer rechtbank Overijssel 242844)

beschikking van 30 juni 2020

inzake

[verzoekster] ,

[verzoeker] ,

beiden wonende te [A] ,

verzoekers in hoger beroep,

gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. T. Şeker te Enschede,

en

de gecertificeerde instelling,

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Hengelo (O),

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de stichting.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de pleegouders] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Waar gaat het over

1.1

Deze zaak gaat over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , de kinderen van de ouders. [de minderjarige1] is 2 jaar, [de minderjarige2] 1 jaar. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De kinderen staan onder toezicht van de stichting. De kinderen zijn op 15 maart 2019 in een pleeggezin geplaatst. Van 4 augustus 2019 tot 23 oktober 2019 hebben de ouders samen met de kinderen bij [B] gewoond. Zij hebben daar meegedaan aan een onderzoek (CSI-traject/Crisis Systeem Interventie). Daarna hebben de kinderen weer bij de ouders thuis gewoond. Op 26 november 2019 zijn de kinderen weer in het pleeggezin gaan wonen.

1.2

De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, die gold tot 15 maart 2020, verlengd tot 15 maart 2021 (beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 2 maart 2020, schriftelijk uitgewerkt op 20 maart 2020).

2 De rechtszaak bij het hof

2.1

De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. De stichting wil dat de beslissing in stand blijft.

2.2

In het dossier zitten de volgende stukken:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 8 april 2020;

- het verweerschrift in hoger beroep met producties.

2.3

De zitting bij het hof was op 28 mei 2020. Op deze zitting is ook de zaak behandeld met zaaknummer 200.273.609 waarbij de ouders hoger beroep hebben ingesteld bij dit hof tegen de beschikking van de kinderrechter die is uitgesproken op 9 december 2019 zaaknummer 239804, waarbij machtiging is verleend om de kinderen uit huis te plaatsen tot 15 maart 2020.

De ouders zijn samen met hun advocaat naar de zitting gekomen. Namens de stichting is [C] gekomen. De pleegouders hebben wel een uitnodiging voor de zitting gekregen, maar zijn niet gekomen. Bij brieven van 12 februari 2020 en van 19 mei 2020 in de zaak met zaaknummer 200.273.609 heeft de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) geschreven dat hij niet bij de zitting aanwezig zal zijn.

3 De feiten

3.1

De kinderrechter heeft op 15 maart 2019 de kinderen onder toezicht gesteld van de stichting tot 15 maart 2020. Ook heeft de kinderrechter aan de stichting machtiging verleend om de kinderen uit huis te plaatsen in een pleeggezin tot 26 april 2019. Op 23 april 2019 heeft de kinderrechter een machtiging verleend voor de plaatsing in een pleeggezin tot 15 september 2019.

3.2

Op 4 augustus 2019 zijn de ouders samen met de kinderen opgenomen binnen het CSI-traject (Crisis Systeem Interventie) van [B] . Dit traject is op 23 oktober 2019 afgesloten.

Een deel van die tijd van dit traject hebben de kinderen bij de ouders thuis gewoond, waarbij [B] toezicht hield.

3.3

De kinderen zijn op 26 november 2019 geplaatst in hetzelfde pleeggezin als waar de zij voor de gezinsopname bij [B] verbleven. Op 9 december 2019 heeft de kinderrechter de stichting toestemming gegeven om de kinderen tot 15 maart 2020 in het pleeggezin te laten blijven. De ouders hebben daartegen hoger beroep ingesteld. Dit is de procedure met zaaknummer 200.273.609. Het hof heeft vandaag in een beschikking geoordeeld dat de beslissing van de kinderrechter juist was.

4 Waar het nu over gaat

Op 2 maart 2020 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 15 maart 2021 en de stichting toestemming gegeven om de kinderen nog tot 15 maart 2021 in het pleeggezin te laten blijven. De ouders zijn het met die uithuisplaatsing niet eens.

Zij verzoeken het hof de GI de opdracht te geven de kinderen thuis terug te plaatsen, zo nodig na onderzoek door de raad.

5 De redenen voor de beslissing

Wat staat er in de wet

5.1

De rechter kan de stichting een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen als dat nodig is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen. Dit staat in artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW).

In artikel 1:265c lid 2 BW staat dat de kinderrechter op verzoek van de stichting, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen.

5.2

Het hof vindt dat er niet voldoende informatie beschikbaar is om nu een goede beslissing te kunnen geven. In augustus 2018 woonden de kinderen nog bij de ouders. Na een melding heeft [D] de kinderen toen onderzocht. [de minderjarige2] had ribbreuken, een breuk in haar schedel en blauwe plekken. Ook [de minderjarige1] had blauwe plekken. Het is niet duidelijk hoe deze breuken en blauwe plekken bij de kinderen zijn ontstaan. Het was de vraag of de kinderen wel veilig bij de ouders thuis konden wonen. Om dat te onderzoeken zijn de kinderen op 15 maart 2019 in het pleeggezin gaan wonen

Daarna is er veel gebeurd. Er is onderzoek gedaan door [B] . De ouders hebben eerst samen met de kinderen in een huis van [B] gewoond. Daarna hebben zij samen met de kinderen weer thuis gewoond met begeleiding van [B] . [B] heeft een rapport gemaakt van het onderzoek (eindrapportage van 23 oktober 2019). In dat rapport staat dat de ouders niet goed genoeg kunnen aansluiten bij de kinderen en dat de ouders er niet altijd zijn voor de kinderen als zij hen nodig hebben. De ouders zijn het niet eens met deze conclusies. Volgens de ouders hebben de verschillende begeleiders tijdens het verblijf van de ouders bij [B] niet gezegd dat zij het niet goed deden. De ouders hebben alle tips van de begeleiders opgevolgd en goed naar hen geluisterd. Zij hadden telkens te maken met andere begeleiders. Iedere begeleider had zijn eigen mening over het opvoeden van de kinderen en hun tips waren verschillend en soms tegenstrijdig. Hierdoor werd het traject bij [B] zeer onduidelijk en verwarrend voor de ouders. De moeder heeft tijdens de zitting verklaard dat dit in een evaluatie bij [B] is besproken en dat er in het team is gezegd dat de begeleiders één lijn moesten trekken en niet de eigen mening moesten opdringen. Hier is niets mee gedaan volgens de moeder.

Het hof stelt vast dat tijdens het traject van [B] niet is gekeken naar het netwerk van de ouders (familie en vrienden) die de ouders zouden kunnen helpen bij de verzorging en opvoeding van de kinderen wanneer zij eventueel weer thuis wonen. Volgens de stichting zijn de kinderen gehecht aan de pleegmoeder. Daarom zou het niet goed zijn voor de kinderen om weer terug te gaan naar de ouders. De moeder heeft aangegeven dat de kinderen ook aan de ouders gehecht zijn omdat de ouders hen tijdens het traject bij [B] hebben verzorgd.

Het hof heeft gehoord wat de ouders naar voren hebben gebracht en vindt dat er nog te veel onduidelijkheden zijn. De beslissing die nu genomen moet worden heeft grote gevolgen. Wanneer blijkt dat de kinderen nu niet bij de ouders kunnen wonen, ook niet met hulp en/of begeleiding, is de kans groot dat dit in de toekomst ook niet meer zal lukken. Dan zullen de kinderen verder opgroeien in het pleeggezin. Daarom wil het hof nog meer duidelijkheid of de ouders wel of niet in staat zijn de kinderen te verzorgen en op te voeden en of de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de kinderen.

5.3

Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden. Het hof zal de raad verzoeken een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van de ouders om de kinderen, op termijn, weer zelf op te voeden. Daarbij is het de bedoeling dat de raad onderzoekt of de ouders voldoende kunnen aansluiten bij de kinderen, of de ouders zich opvoedvaardigheden eigen kunnen maken, wat er eventueel nodig is om de kinderen weer bij de ouders te laten wonen en welke rol familie en vrienden of andere begeleiding daarin kunnen spelen. Ook kan de raad aandacht besteden aan de vraag of de kinderen inmiddels zo lang in het pleeggezin verblijven dat het misschien om die reden niet meer in hun belang is naar de ouders terug te keren.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

alvorens verder te beslissen:

verzoekt de raad een nader onderzoek te (doen) instellen als hiervoor onder 5.3 omschreven en daarover uiterlijk op 15 december 2020 te rapporteren;

bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor partijen, de raad en stichting zullen worden opgeroepen;

bepaalt dat het onderzoek door de raad zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. R.A. Eskes;

bepaalt dat de raad zich voor vragen of opmerkingen betreffende het onderzoek zal kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris;

bepaalt dat partijen hun inlichtingen en verzoeken dienen te richten aan de raadsheer-commissaris.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Eskes, A. Smeeïng-van Hees en J.H. Lieber, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 30 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.