Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4961

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
200.269.488
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek NIFP i.h.k.v. gezagsbeëindiging, onduidelijkheid over opvoedingsperspectief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.269.488 en 200.273.763

(zaaknummer rechtbank Overijssel 231191)

beschikking van 30 juni 2020

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep in de zaak 200.269.488

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.M.M. Mikkers te Heeze,

en

[verzoekster] ,

wonende te [B] ,

verzoekster in de zaak 200.237.763

verder te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. C.W. Dirkzwager te Utrecht, thans mr. M. Rotgans te Utrecht,

en

raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Breda,

verweerder in hoger beroep in beide zaken,

verder te noemen: de raad,

als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te Tilburg,

verder te noemen: de GI,

als informanten zijn aangemerkt:

[de pleegouders] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de voormalig pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 23 augustus 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure van de zaak met zaaknummer 200.269.488 blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift van de vader met productie, ingekomen op 15 november 2019;

  • -

    een journaalbericht van mr. Rotgans van 14 mei 2020 met productie;

  • -

    een journaalbericht van mr. Mikkers van 26 mei 2020.

2.2

Het verloop van de procedure van de zaak met zaaknummer 200.273.763 blijkt uit het beroepschrift van de moeder, aanvankelijk ingekomen bij het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch op 22 november 2019, na doorzending ingekomen bij het hof op 24 januari 2020.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 28 mei 2020 plaatsgevonden. Beide zaken zijn gevoegd behandeld. In verband met het coronavirus heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden door middel van een telefonische (beeld)verbinding (telehoren). Via een telefonische beeldverbinding waren mr. Mikkers en mr. Rotgans aanwezig. Via een telefonische geluidsverbinding waren aanwezig:

  • -

    de vader;

  • -

    de moeder;

  • -

    [C] en [D] van het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming namens de GI;

  • -

    [E] namens de raad, en

  • -

    de voormalig pleegouders.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2013 in [F] . Op 19 december 2017 is in het gezagsregister aangetekend dat de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] zijn belast. Daarvóór oefende de moeder van rechtswege alleen het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

[de minderjarige] stond van 6 augustus 2014 tot 19 augustus 2015 onder toezicht van Bureau Jeugdzorg. Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Limburg van 6 augustus 2014 is een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van drie maanden, op grond waarvan [de minderjarige] drie maanden in een pleeggezin heeft verbleven.

3.3

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 27 oktober 2017 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Deze ondertoezichtstelling is verlengd bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s‑Hertogenbosch van 26 oktober 2018, tot 27 oktober 2019.

3.4

Bij voormelde beschikking van 27 oktober 2017 is ook een machtiging tot plaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van zes maanden. Deze machtiging is vervolgens steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s‑Hertogenbosch van 26 oktober 2018, tot 27 oktober 2019.

3.5

[de minderjarige] verbleef sinds 21 juli 2017 bij de voormalig pleegouders, in eerste instantie met instemming van de moeder en vervolgens op grond van de machtiging tot uithuisplaatsing. Bij beschikkingen van 3 en 14 februari 2020 – gewezen ná de bestreden beschikking – heeft de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, de GI (voorlopig) vervangende toestemming verleend tot het brengen van wijziging in het verblijf van [de minderjarige] naar een voorziening voor verblijf jeugdzorg.

3.6

Sinds 3 februari 2020 verblijft [de minderjarige] in een gezinshuis.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de – gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de raad het gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd, de GI tot voogd over [de minderjarige] benoemd, de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn zelfstandig verzoek betreffende de zorg- en contactregeling en het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De vader is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking (de zaak met zaaknummer 200.269.488). De grieven zien op de beëindiging van het gezag.

De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te gelasten dat het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) een onderzoek zal verrichten ten aanzien van de opvoedingsvaardigheden en pedagogische capaciteiten van de vader.

4.3

De moeder is zelfstandig met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking (de zaak met zaaknummer 200.273.763). De grieven zien op de beëindiging van het gezag en op een onderzoek als bedoeld in artikel 810a lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

De moeder verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad af te wijzen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van een zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

5.4

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder meer overwogen dat aan het belang van [de minderjarige] om duidelijkheid te krijgen over zijn toekomstperspectief en zekerheid over de voortzetting van de huidige opvoedingssituatie een zwaardere betekenis wordt toegekend dan aan het belang van de ouders om met het gezag belast te blijven. Nadien zijn de omstandigheden echter gewijzigd. Het verblijf van [de minderjarige] bij de voormalig pleegouders is op 3 februari 2020 beëindigd en [de minderjarige] verblijft sindsdien in een gezinshuis. De voormalig pleegouders hebben hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing, waarop nog geen eindbeslissing is gegeven. Nu gelet op de gewijzigde omstandigheden onduidelijkheid is ontstaan over het opvoedingsperspectief van [de minderjarige] , acht het hof van belang dat opnieuw wordt gekeken naar de mogelijke rol van (een van) de ouders bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Beide ouders stellen dat zij zich – mede door het beëindigen van hun relatie – in positieve zin hebben ontwikkeld en wensen de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen.

5.5

Het hof acht zich gelet op het voorgaande op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen over de beëindiging van het gezag van de ouders over [de minderjarige] . Het hof is van oordeel dat het belang van [de minderjarige] zich niet tegen een onderzoek verzet gelet op de door de omstandigheden al aanwezige onzekerheid en onduidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. Gelet op de relatief korte duur van zijn verblijf in het gezinshuis doet daaraan niet af dat [de minderjarige] – zoals namens de GI is aangevoerd – tot volwassenheid in dat gezinshuis zou kunnen blijven.

5.6

Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden en het NIFP verzoeken om een onafhankelijk deskundige voor te dragen voor het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 810a lid 2 Rv. Het hof is voornemens de deskundige te vragen een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen met inachtneming van de volgende vragen:

  1. Wat zijn de specifieke pedagogische en affectieve behoeften van [de minderjarige] ?

  2. Wat zijn de affectieve en pedagogische vaardigheden van de vader en de moeder in relatie tot de opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] ?

  3. In hoeverre is (terug)plaatsing van [de minderjarige] (op korte of lange termijn) bij de vader en/of de moeder in het belang van [de minderjarige] en wat zijn de (contra)indicaties voor een dergelijke (terug)plaatsing?

  4. Is er vanuit gedragsdeskundig oogpunt aanleiding een beëindiging van het gezag van de ouders te adviseren? Wat is hiervoor uw motivatie?

  5. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [de minderjarige] en/of bij eventueel te nemen beslissingen?

5.7

Het hof zal het NIFP vragen om binnen een termijn van drie weken na dagtekening van deze beschikking een deskundige voor te stellen, eventuele nadere of andere vragen te formuleren, indien dit in de ogen van het NIFP dan wel de voorgestelde deskundige (meer) aangewezen is voor het onderzoek dan het hof voor ogen staat. Indien voor toewijzen van het onderzoek meer of andere informatie nodig is dan uit deze beschikking blijkt, kan het NIFP het hof schriftelijk om nadere gegevens (uit het dossier) vragen alvorens een deskundige voor te stellen en nadere of andere vragen te formuleren. Indien het NIFP eerst nadere informatie nodig heeft, kunnen partijen kenbaar maken of en welke bezwaren bestaan tegen de verstrekking van deze aanvullende gegevens.

5.8

Het bericht van het NIFP zal door het hof worden doorgezonden aan partijen. Zij kunnen daarop binnen twee weken laten weten of de door het hof voorgestelde vragen in hun visie nog aanvulling behoeven, wat hun zienswijze is ten aanzien van de eventuele aanvulling van het NIFP op dat punt en of bezwaar bestaat tegen de benoeming van de deskundige die door het NIFP wordt voorgedragen.

5.9

Het aan de deskundige toekomende bedrag zal, zoals bepaald in artikel 810a lid 3 Rv, overeenkomstig de daarvoor geldende regels ten laste van ’s Rijks kas door de griffier aan de deskundige worden betaald. Het hof tekent hierbij aan dat het NIFP of de voorgestelde deskundige de kosten van het onderzoek vooraf dient te begroten en het hof daarvan een bevestiging dient te sturen, alvorens het onderzoek te starten.

5.10

Het hof zal bij nader te geven tussenbeschikking overgaan tot benoeming van een deskundige en zal iedere verdere beslissing aanhouden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

alvorens verder te beslissen:

verzoekt het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), in de persoon van [G] ,

postadres:

Postbus 870,

8000 AW Zwolle

bezoekadres:

Schuurmanstraat 2

8011 KP Zwolle

telefoon: 088-0710600

e-mail: NIFPNoordOostNederland@dji.minjus.nl,

om een onafhankelijk deskundige voor te dragen voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de hiervoor in rechtsoverweging 5.6 vermelde vragen;

verzoekt het NIFP het hof te berichten als bedoeld in rechtsoverweging 5.7, en, indien een deskundige wordt voorgesteld, een begroting van de kosten te verstrekken als bedoeld in rechtsoverweging 5.9, en wel uiterlijk op 21 juli 2020;

stelt partijen in de gelegenheid om te reageren op hiervoor bedoelde informatie van het NIFP als bedoeld in rechtsoverweging 5.8 en wel uiterlijk op 4 augustus 2020;

bepaalt dat het NIFP, de voorgedragen deskundige(n) en partijen zich – door tussenkomst van de griffie – met vragen en opmerkingen kunnen wenden tot mr. J.U.M. van der Werff, die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris;

draagt de griffier op een afschrift van deze beschikking te doen komen aan het NIFP;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.H.H.A. Moes en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 30 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.