Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4936

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
200.261.706
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Woninghuur – vordering huisuitzetting wegens overlast. Bewijs van de (mate van) overlast. Het hof bepaalt een comparitie van partijen met het oog op de tenzij-bepaling in artikel 6:265 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.261.706

(zaaknummer kantonrechter Arnhem: 6552913)

arrest van 30 juni 2020

in de zaak van

de stichting

Stichting Volkshuisvesting Arnhem,

te Arnhem,

appellante, in eerste aanleg: eiseres,

hierna: SVA,

advocaat: mr. L. Vrakking,

tegen:

[geïntimeerde] ,

te [A] ,

geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E. Weijer.

1 Samenvatting van dit arrest

In dit arrest komt het hof over het bewijs dat SVA in eerste aanleg heeft geleverd tot een ander oordeel dan de kantonrechter. Het hof vindt namelijk bewezen dat [geïntimeerde] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichting om buren geen overlast aan te doen. Het hof wil op een zitting bekijken of partijen de zaak alsnog onderling kunnen regelen en informatie ontvangen met betrekking tot het beroep dat [geïntimeerde] doet op een bijzonder karakter of een geringe betekenis van haar tekortschieten.

2 De processtukken

2.1

De kantonrechter in Arnhem (rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) heeft vonnissen van 7 maart 2018, 7 november 2018 en 15 mei 2019 uitgesproken. Daarin staan ook de processtukken vermeld die in eerste aanleg zijn ingediend en waarvan het hof kopieën van partijen heeft ontvangen.

2.2

In hoger beroep zijn de volgende processtukken ingediend:

- de dagvaarding van 25 juni 2019,

- de memorie van grieven, met producties, en

- de memorie van antwoord eveneens met producties.

3 De uitgangspunten

3.1.

SVA verhuurt sinds november 2014 een flatwoning aan [geïntimeerde] . Enkele maanden later zijn mevrouw [B] en haar dochter in de woning daarboven komen wonen. Het hof zal hen hierna ‘de bovenbuurvrouw (en haar dochter)’ of ‘de bovenburen’ noemen.

3.2.

[geïntimeerde] en de bovenburen hebben over en weer bij elkaar, bij SVA en bij de politie geklaagd over overlast die door de ander werd veroorzaakt. Tussen SVA, [geïntimeerde] en de bovenbuurvrouw is sinds 2015 uitvoerig gepraat en geschreven over de overlastklachten. Een woonconsulent van SVA heeft geprobeerd om de zaak op te lossen, maar het conflict en de problemen bleven bestaan. Er deden zich verschillende incidenten voor waarbij [geïntimeerde] de bovenburen lastig viel, zoals door het omgooien van bloembakken, het verwijderen van fietsventielen, het gooien van een ei tegen de voordeur en het plaatsen van dozen op de auto.

3.3.

SVA heeft in brieven van 28 juni 2016 en 19 augustus 2016 van haar toenmalige advocaat (producties 9 en 10 bij dagvaarding in eerste aanleg) [geïntimeerde] aangezegd om de bovenbuurvrouw en haar dochter voortaan met rust te laten, waarbij zij heeft gedreigd met huisuitzetting (ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning) indien [geïntimeerde] zich daar niet aan zou houden. In de brief van 19 augustus 2016 van SVA staat dat SVA ná de brief van 28 juni 2016 te weten is gekomen dat [geïntimeerde] de bovenbuurvrouw bij allerlei hulpverleners en bij een begrafenisverzekeraar heeft aangemeld. De bovenbuurvrouw werd vervolgens (ongewenst) door die organisaties gebeld, en [geïntimeerde] heeft bekend dat zij zich daaraan schuldig had gemaakt, aldus deze brief, waarin SVA van [geïntimeerde] heeft geëist om een gedragsaanwijzing te bevestigen, bij gebreke waarvan SVA eveneens een ontruimingsprocedure zou starten.
heeft de brief van 19 augustus 2016 met de gedragsaanwijzing voor akkoord ondertekend en teruggestuurd.

3.4.

De bovenbuurvrouw van [geïntimeerde] had toen al bij de politie aangifte gedaan van stalking-gedrag van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is in een vonnis van 21 oktober 2016 van de politierechter wegens het plegen van belaging veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 80 uur, met een proeftijd van twee jaar. De politierechter kende daarbij ook een schadevergoeding aan de bovenbuurvrouw toe. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

4 Het geschil in eerste aanleg

4.1.

SVA heeft in eerste aanleg ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd met ontruiming van de woning. Zij stelt dat [geïntimeerde] de bovenburen overlast heeft aangedaan. In de dagvaarding in eerste aanleg staat verder dat [geïntimeerde] op 16 november 2017 de dochter van de bovenbuurvrouw heeft uitgescholden en geïntimideerd en dat zij op die dag bovendien hard tegen het plafond van haar woning (tevens de vloer van de bovenwoning) heeft gebonkt.
heeft ontkend dat zij na de strafrechtelijke veroordeling overlast heeft veroorzaakt.

4.2.

In het tussenvonnis van 7 november 2018 heeft de kantonrechter SVA gelegenheid gegeven om te bewijzen dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in haar verplichtingen als huurder door in strijd met de huurovereenkomst en de gedragsaanwijzing (dat is de aanzegging in de brief van 19 augustus 2016) overlast te veroorzaken aan omwonenden.
Hierna heeft SVA drie getuigen opgeroepen die verklaringen hebben afgelegd. [geïntimeerde] heeft geen getuigen laten horen.

4.3.

In het eindvonnis van 15 mei 2019 heeft de kantonrechter geoordeeld dat SVA niet was geslaagd in het bewijs. Zij heeft de vorderingen van SVA afgewezen en SVA veroordeeld in de proceskosten.

5 De standpunten in hoger beroep

5.1.

SVA heeft hoger beroep ingesteld tegen zowel het tussenvonnis van 7 november 2018 als het eindvonnis van 15 mei 2019. Zij heeft in haar memorie van grieven het standpunt ingenomen dat haar vorderingen al in het vonnis van 7 november 2017 toegewezen hadden moeten worden omdat er toen al voldoende bewijs van de overlast was geleverd. Volgens de toelichting op grief 1 was de overlast al bewezen door het strafvonnis, dat in kracht van gewijsde verkeert.
De kantonrechter had volgens de grief die tegen het eindvonnis is gericht in elk geval in het eindvonnis moeten vinden dat SVA dat bewijs had geleverd.

5.2.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep opnieuw niet tegengesproken dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de stalking die in het strafvonnis bewezen is verklaard en heeft volgehouden dat dit geen reden kan zijn om de huurovereenkomst te ontbinden. Volgens [geïntimeerde] is SVA gebonden aan de brief van 19 augustus 2016, waardoor zij zal moeten bewijzen dat [geïntimeerde] op 16 en/of 17 november 2017 overlast heeft veroorzaakt, zoals dat in de dagvaarding in eerste aanleg staat. Omdat SVA dat niet heeft bewezen heeft de kantonrechter de vorderingen terecht afgewezen, aldus [geïntimeerde] .

6 Het oordeel van het hof

6.1.

Of SVA daar in eerste aanleg ook al een beroep op heeft gedaan, kan in het midden blijven. SVA mocht namelijk in hoger beroep de grondslag van haar vordering aanpassen. Zij heeft in de memorie van grieven een beroep gedaan op meer gebeurtenissen dan alleen die van 16/17 november 2017: zij heeft zich tevens beroepen op de overlast van vóór de brief van 19 augustus 2016 en ook op overlast die [geïntimeerde] ná 16/17 november 2017 zou hebben veroorzaakt.

6.2.

SVA hoeft niet te bewijzen wat door [geïntimeerde] is erkend of niet tegengesproken. Dit geldt met name voor de stalking waarvoor de strafrechter [geïntimeerde] heeft veroordeeld en ook voor het veroorzaken van lawaai door met een stok tegen het plafond van haar woning te slaan, zoals [geïntimeerde] in eerste aanleg in § 2 van haar conclusie na enquête heeft erkend. [geïntimeerde] deed dit naar eigen zeggen omdat zij teveel last had van de geluiden uit de woning boven haar. Destijds lag daarin een betonnen vloer die voor dat geluid zorgde en SVA reageerde destijds niet goed op haar - terechte - klachten over de geluidsoverlast. De vloer is inmiddels vervangen.
Dit alles speelde zich vóór de brief van 19 augustus 2016 af. Het hof vindt, anders dan de kantonrechter, dat SVA heeft bewezen dat [geïntimeerde] ook na ondertekening van de brief de bovenburen overlast heeft aangedaan. Hieronder wordt uitgelegd waarom dat zo is.

bespreking van het bewijs

6.3.

Er is een getuigenverklaring van de bovenbuurvrouw waarin staat dat vanaf november 2017 er harde slagen klonken vanuit de woning van [geïntimeerde] , doordat [geïntimeerde] kennelijk telkens met een stok tegen het plafond van haar woning sloeg. Bij het proces-verbaal van het getuigenverhoor zit een door de bovenbuurvrouw gemaakt overzicht waarop ongeveer dertig data in de periode van 19 april 2018 tot en met 19 december 2018 staan met daarachter telkens het aantal slagen en de tijdstippen daarvan (variërend van 06.20 uur tot ongeveer middernacht). Eén van de keren dat [geïntimeerde] met een stok had geslagen, was toen politieagenten in de woning van de bovenbuurvrouw waren (nadat zij die dag met de politie had gebeld over het beledigen van haar dochter door [geïntimeerde] ). Eén politieagent zei toen: zo, dat gaat hard. In deze getuigenverklaring staat verder dat de bovenbuurvrouw de vloer voelde trillen door de stokslagen.

6.4.

Ook is er een getuigenverklaring van de dochter van de bovenbuurvrouw. Daarin bevestigt zij dat er ook na 2016 vaak met een stok tegen de vloer van de woning boven die van [geïntimeerde] werd geslagen. Het laatst zou dit zijn gebeurd een week vóór het getuigenverhoor, dat op 20 februari 2019 plaatsvond.

6.5.

Volgens [geïntimeerde] mag niet op de juistheid van de verklaringen van de bovenburen worden vertrouwd omdat zij belang hebben bij de uitkomst van de procedure. Hiermee is het hof het niet eens. De bovenburen hebben er weliswaar belang bij dat [geïntimeerde] niet meer onder hen woont, maar dat maakt hun verklaringen niet per definitie onbetrouwbaar. In dit verband vindt het hof de getuigenverklaring van de wijkagent [C] belangrijk. Hij heeft verklaard dat twee collega-politieagenten hem hebben verteld over stokslagen die zij hoorden toen zij in november 2017 in de woning van de bovenbuurvrouw waren en dat zij vonden dat er iets gebeurde dat echt niet kon. In zoverre komt de verklaring van [C] overeen met die van de bovenbuurvrouw die heeft verklaard over een bezoek van agenten en de stokslagen die toen werden gehoord en door die agenten opvallend hard werden gevonden.
De verklaring van de getuige [C] is op dit punt een zogenaamde de auditu verklaring omdat de verklaring weergeeft wat de getuige van anderen heeft gehoord, en niet wat hij zelf heeft meegemaakt. Dat neemt niet weg dat wat deze getuige van zijn collega’s heeft gehoord goed overeenkomt met wat door de bovenbuurvrouw is verklaard over stokslagen die tijdens het bezoek van politieagenten klonken. Dat [C] er belang bij heeft dat [geïntimeerde] haar huis wordt uitgezet, is niet gebleken. Zo ondersteunen de verklaringen van [C] en van de dochter van de bovenbuurvrouw die van de bovenbuurvrouw zelf.
Het hof vindt de verklaring van de bovenbuurvrouw bovendien betrouwbaar doordat het overzicht dat zij daarbij heeft verstrekt van de data en tijden waarop ze stokslagen hoorde gedetailleerd is. [geïntimeerde] kon daarom controleren of die data en tijden wel klopten en of zij, bijvoorbeeld, op die tijdstippen niet thuis was. Dat geldt ook voor de mails die SVA van de bovenbuurvrouw heeft overgelegd in hoger beroep. Daarin staat telkens nauwkeurig vermeld dat en wanneer stokslagen zijn gehoord. [geïntimeerde] is op die details niet concreet ingegaan.

6.6.

Ook de eerdere gebeurtenissen en constateringen dragen bij aan de geloofwaardigheid van de overlast, zoals de bovenbuurvrouw in haar getuigenverklaring heeft geschetst. In de periode voorafgaand aan de strafrechtelijke veroordeling en de gedragsaanwijzing is het uit de hand gelopen, dat erkent [geïntimeerde] zelf. [geïntimeerde] geeft toe dat haar emoties en wanhoop vaker zo hoog zijn opgelopen dat zij over de schreef ging. Dat leidde dan tot allerlei gedragingen waarvoor zij strafrechtelijk is veroordeeld. Er bestaat geen discussie over dat [geïntimeerde] in die periode vaak met een stok tegen haar plafond heeft geslagen/gebonsd. De vele beschadigingen aan haar plafond als gevolg daarvan zijn ook door anderen vastgesteld en ook daar maakt [geïntimeerde] op zichzelf geen discussiepunt van. De oorzaak van de oplopende emoties bij [geïntimeerde] , namelijk het conflict met de bovenburen over geluidsoverlast, is niet weggenomen door de veroordeling of de gedragsaanwijzing. [geïntimeerde] en de bovenburen leven nog elke dag met elkaar in hetzelfde gebouw terwijl het, ondanks allerlei pogingen en bemiddelingen over al die jaren, nog steeds niet is gelukt om ook maar in de buurt van een oplossing te komen. Het kan niet anders dan dat dit grote spanningen en emoties heeft opgeleverd, waartegen goede voornemens van [geïntimeerde] niet altijd bestand zijn gebleken. Dat het voorafgaand aan deze procedure nog regelmatig zo hoog bij [geïntimeerde] is opgelopen dat zij opnieuw met een stok tegen het plafond heeft geslagen, zoals weergegeven in het overzicht van de bovenbuurvrouw, is ook in dat licht en gelet op alles wat door de getuigen is verklaard, geloofwaardig.

het bewijs is geleverd

6.7.

Al met al vindt het hof daarom bewezen dat [geïntimeerde] ook na de ondertekening van de brief van 19 augustus 2016 de bovenburen heeft lastig gevallen. Het gaat daarbij niet alleen om stokslagen van 16/17 november 2017, maar om een groot aantal stokslagen, ook van ná die datum. Of er op 16 november 2017 één keer is geslagen of meermalen, is niet erg belangrijk. De discrepantie tussen de getuigenverklaring van de bovenbuurvrouw (die inhoudt dat er vier keer is geslagen) en een e-mailbericht van dezelfde buurvrouw waarin staat dat op die dag een stokslag klonk, tast de geloofwaardigheid van wat verder in de getuigenverklaring staat niet aan. Dat het gebonk een andere oorzaak had is niet aannemelijk, mede gelet op het feit dat vaststaat dat [geïntimeerde] ook al vóór 2017 herhaaldelijk met een stok tegen haar plafond heeft geslagen. De last die door die stokslagen aan de bovenbuurvrouw is aangedaan is, anders dan [geïntimeerde] vindt, niet van een futiele aard. De slagen moeten erg hard zijn geweest, omdat de vloer daardoor trilde, en het gaat om een excessief aantal keren gedurende een periode van jaren en op alle momenten van de dag en late avond, waardoor (zoals algemeen bekend is en zoals [geïntimeerde] zelf ook zal hebben ondervonden) buren ernstige gezondheidsklachten kunnen krijgen. [geïntimeerde] ging daarmee door nadat zij door SVA was gewaarschuwd voor de huisuitzetting.

moet het hof de huisuitzetting toewijzen?

6.8.

Of [geïntimeerde] zich ook schuldig is blijven maken aan ander intimiderend gedrag, zoals het uitschelden van de dochter van de bovenbuurvrouw, laat het hof vooralsnog in het midden. Ook laat het hof in het midden of SVA de huurrelatie met [geïntimeerde] mag beëindigen. Dit hangt immers af van een afweging van alle belangen die bij die huurbeëindiging zijn betrokken en van de gevolgen van een huisuitzetting.

6.9.

Volgens [geïntimeerde] is een regeling mogelijk. Zij biedt aan dat zij verhuist. SVA heeft niet inhoudelijk op dit aanbod gereageerd. Het hof ziet aanleiding om dit aanbod op een zitting te bespreken. Bovendien zal die zitting worden gebruikt om vragen te stellen met het oog op de vraag of de tekortkomingen van [geïntimeerde] door een bijzondere aard of geringe betekenis onvoldoende zijn om te kunnen dienen als basis voor de gevorderde huisuitzetting.
Verdergaande beslissingen moeten daarop wachten.

7 De beslissing

Voordat het hof verder beslist, bepaalt het het volgende:

Er zal een zitting worden gehouden. Hiervoor wijst het hof uit zijn midden de raadsheer
H.E. de Boer aan. Hij zal op de zitting vragen stellen over de gevolgen van een eventuele huisuitzetting en zal samen met de partijen bekijken of zij het conflict onderling kunnen oplossen, bijvoorbeeld door een vrijwillige verhuizing van [geïntimeerde] mogelijk te maken.
Het is nodig dat [geïntimeerde] zelf op de zitting verschijnt, dat SVA zich daar laat vertegenwoordigen door iemand die namens SVA informatie mag geven en een regeling mag treffen en dat elk van de beide partijen haar eigen advocaat laat komen.

Mr. De Boer zal de datum en tijd van de comparitie vaststellen nadat partijen via hun advocaten hebben kunnen opgeven wanneer zij en hun cliënten al afspraken hebben staan. De zaak wordt daarom op de rolzitting van 28 juli 2020 gezet, waar de advocaten de opgave van verhinderingen kunnen doen over de maanden augustus 2020 tot en met november 2020.

Indien een partij op de zitting nog een proceshandeling wil ondernemen, moet zij uiterlijk veertien dagen daarvóór schriftelijk via haar advocaat aan de andere partij en de griffier van het hof precies laten weten wat zij op de zitting wil doen. Wanneer bij het hof schriftelijke stukken wil indienen, moet zij ervoor zorgen dat die stukken veertien dagen vóór de zitting bij de tegenpartij en de griffier zijn bezorgd.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, Th.C.M. Willemse en K.Mans en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2020.