Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4928

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
21-000022-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is in eerste aanleg wegens ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ onder meer veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van twee vrijheidsbeperkende maatregelen.

Het hof veroordeelt verdachte wegens hetzelfde misdrijf tot gevangenisstraf en legt aan de verdachte daarnaast onder meer de maatregel van TBS met verpleging, alsmede de maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking op. Nadat verdachte in 2015 al eens onherroepelijk was veroordeeld wegens zware mishandeling met voorbedachten raad, gepleegd jegens zijn ex-echtgenote, heeft hij in de onderhavige zaak haar via Facebook onder andere met de dood bedreigd. Hij is, ondanks zijn veroordeling in eerste aanleg in deze zaak, met deze bedreigingen doorgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000022-20

Uitspraak d.d.: 29 juni 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 19 december 2019 met parketnummer
18-930037-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 21-001066-16, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van tachtig (80) dagen, met aftrek van voorarrest, tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, gemaximeerd tot vier jaren, en tot toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de door dit gerechtshof bij arrest van 14 december 2017 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde gevangenisstraf. De advocaat-generaal heeft ten slotte toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd, met toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr. C.G. Peerik, alsmede van hetgeen door het slachtoffer [benadeelde partij] en haar advocaat, mr. M.M.P.M. Lousberg naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte wegens ‘bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht’ veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met een aantal bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft ook twee vrijheidsbeperkende maatregelen aan verdachte opgelegd, te weten een locatieverbod en een contactverbod en zij heeft die maatregelen dadelijk uitvoerbaar verklaard. De rechtbank heeft de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Ten slotte heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van een door dit gerechtshof bij arrest van 14 december 2017 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

verdachte op of omstreeks 11 maart 2019, in elk geval in of omstreeks maand maart 2019, te Meppel, (althans) in de gemeente Meppel, in ieder geval in Nederland, [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op facebook (een) bericht(en) geplaatst met daarin (onder meer) de tekst(en):

" [benadeelde partij] is niet meer te beschermen of te helpen Hadden jullie haar maar moeten stoppen in haar leugens nu zal ik haar voorgoed moeten stoppen !" en/of

"Dan snap je nu ook dat ik [benadeelde partij] Van haar leven zal beroven En niemand die mij daar nog in gaat stoppen" en/of

"Waardoor ik genoodzaakt ben om voor mij rechte op te komen En jou naar het hiernamaal te verbannen !" en/of

"Bij deze jou laatst waarschuwing. Stoppem met leugend te vertellen over mij! Stop met mij kinderen geestelijke en lichamelijk te mishandelen Mij naam zuiveren internet 2013 Naam rectificeren Waardoor Omgang met mij kinderen weer mogelijk word Al mij geld en goeder terug geven Bij het niet nakomen Zal jij gestopt worden Dat doe ik persoonlijk Geloof mij er is geen plek op deze aardkloof of steen waar jij onder kan kruipen Uiteindelijk Zal ik hou vinden en vernietigen Als stuk vuil dat jij werkelijk ben De kinderen kunnen beter een dode moeder hebben dan zo een hoer als jou Ik was mij handen in onschuld! Die gaan sterven groeten jullie!",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof overweegt ten aanzien van de vraag welk strafbaar feit aan de verdachte ten laste wordt gelegd het volgende.

In eerste aanleg heeft de officier van justitie zich, bij requisitoir, op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde moet worden gekwalificeerd als een gekwalificeerde bedreiging als bedoeld in artikel 285, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft zich hier toen niet over uitgelaten en de rechtbank volgde de officier van justitie niet – kort gezegd – omdat de strafverzwarende omstandigheid niet expliciet in de tenlastelegging was opgenomen, terwijl onder de tenlastelegging slechts artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht was vermeld.

Hoewel de officier van justitie in zijn appelschriftuur stelt dat het feit wel als ‘schriftelijke’ bedreiging kan worden gekwalificeerd, nu – zakelijk weergegeven – door de vermelding daarvan bij requisitoir is voldaan aan de mogelijkheid die artikel 312 van het Wetboek van Strafvordering biedt, heeft de advocaat-generaal hieraan bij de behandeling ter zitting geen woorden gewijd. De verdediging heeft evenmin verweer gevoerd op c.q. een standpunt ingenomen ten aanzien van deze juridische vraag.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, nu in de tenlastelegging op geen enkele wijze gewag wordt gemaakt van de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in het tweede lid van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht en als wettelijk voorschrift waarbij het feit strafbaar is gesteld (expliciet) artikel 285, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht is vermeld, de tenlastelegging in die zin beperkt moeten worden opgevat dat daarmee slechts is gedoeld op de 'eenvoudige'/ongekwalificeerde bedreiging. De mondelinge aanvulling van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 312 van het Wetboek van Strafvordering, zijnde een wijziging c.q. uitbreiding van de grondslag van het onderzoek ter terechtzitting, dient plaats te vinden voorafgaand aan het requisitoir. Een (terloopse) opmerking dienaangaande gedurende het requisitoir c.q. in de appelschriftuur volstaat hiertoe niet.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

verdachte in de maand maart 2019, in Nederland, [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op facebook berichten geplaatst met daarin (onder meer) de tekst:

" [benadeelde partij] is niet meer te beschermen of te helpen Hadden jullie haar maar moeten stoppen in haar leugens! nu zal ik haar voorgoed moeten stoppen !" en

"Waardoor ik genoodzaakt ben om voor mij rechte op te komen En jou naar het hiernamaals te verbannen !" en

"Bij deze jou laatst waarschuwing. Stoppen met leugens te vertellen over mij! Stop met mij kinderen geestelijke en lichamelijk te mishandelen Mij Naam zuiveren internet 2013 Naam rectificeren Waardoor Omgang met mij kinderen weer mogelijk word Al mij geld en goeder terug geven Bij het niet nakomen Zal jij gestopt worden Dat doe ik persoonlijk Geloof mij er is geen plek op deze aardkloof of steen waar jij onder kan kruipen Uiteindelijk Zal ik hou vinden en vernietigen Als stuk vuil dat jij werkelijk ben De kinderen kunnen beter een dode moeder hebben dan zo een hoer als jou Ik was mij handen in onschuld! Die gaan sterven groeten jullie!".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

In het kader van een eerdere strafzaak is verdachte in 2017 pro justitia onderzocht door psychiater A.W.M.M. Stevens en door klinisch psycholoog M. Kemink. Zij stelden beiden bij verdachte een persoonlijkheidsstoornis en een aanpassingsstoornis vast, maar zagen geen verband tussen stoornis en het destijds tenlastegelegde.

In een trajectconsult d.d. 19 april 2019 in de onderhavige zaak stelt T.S. van der Veer, psychiater, onder meer over verdachte: “Persoonlijkheidsproblematiek lijkt een dominante rol te spelen met zowel aspecten van DSM-5 cluster B als C-aspecten (trekken van narcistisch, antisociaal en obsessief gedrag). Betrokkene getuigt van een beperkt probleembesef en niet van inzicht. Hij volhardt in zijn slachtofferpositie, toont geen empathie en geeft aan niet voornemens te zijn om een ander perspectief op de situatie te willen onderzoeken. Ook op andere gebieden komt rigiditeit in denken naar voren.” Van der Veer adviseert ambulant multidisciplinair onderzoek.

Verdachte heeft geweigerd medewerking te verlenen aan dit multidisciplinair onderzoek.

In zijn rapport van 19 juni 2019 adviseert dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus verdachte te laten observeren in het Pieter Baan Centrum. Vanwege de weigering aan het onderzoek mee te werken, kan Van Os geen advies geven aangaande de toerekeningsvatbaarheid en evenmin kan hij een risicoprognose geven.

In haar rapport van 23 juli 2019 stelt D. Breuker, forensisch psycholoog onder meer: “Op basis van een dubbelvoudig Pro Justitia onderzoek (2017) zijn bij betrokkene diagnoses vastgesteld waarvoor tot nu toe geen behandeling heeft plaatsgevonden. Gezien de eerdere veroordeling (in hoger beroep) en het feit dat er nu sprake lijkt van een geweldsrecidive (bedreiging van zijn ex), dit bezien in combinatie met het huidige toestandsbeeld bestaande uit zichtbaar emotionele uitspattingen en een hoge mate van agitatie en woede jegens zijn ex-vrouw en het rechtssysteem, wordt vermoed dat de onbehandeld gebleven stoornissen nog steeds manifest zijn, dan wel op momenten van tegenslag weer aanzienlijk kunnen opflikkeren en op de voorgrond komen te staan. Een verband tussen diagnoses en het plegen van het ten laste gelegde feit zou aannemelijk kunnen zijn. Betrokkene geeft zelf ook aan dat hij zó onder druk is gezet waardoor hij zichzelf niet voldoende kan beheersen. Hij doet uitlatingen over het verlies van beheersing en controle, waardoor hij naar eigen zeggen het recht in eigen hand moet nemen, hij niet voor de consequenties in kan staan.” en “Behandeling lijkt wel noodzakelijk en zou naar inzien ondergetekende niet moeten worden gestopt als betrokkene hier niet aan wil meewerken of weerstand biedt.” Breuker stelt dat plaatsing in het Pieter Baan Centrum kan worden overwogen voor een update van het eerdere Pro Justitia onderzoek.

Ten slotte adviseert ook Reclassering Nederland in haar rapport van 30 september 2019 observatie in het Pieter Baan Centrum. Reclasseringswerker C. Grau stelt onder meer: “Betrokkene toont geen empathie en kan zich niet verplaatsen in de positie van aangevers. Hij is obsessief bezig met de gebeurtenissen uit zijn verleden en zijn strijd en kan op geen enkel moment met enige afstand naar zijn eigen gedrag kijken.” en “[verdachte] is niet gemotiveerd voor gedragsverandering. Betrokkene heeft geen ziekte-inzicht of probleeminzicht en geeft aan niet mee te gaan werken aan een reclasseringstoezicht.

Hoewel de deskundigen op grond van hun onderzoek niet (kunnen) komen tot een advies aangaande de toerekenbaarheid van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, ziet het hof in het voorgaande alsmede in de omstandigheid dat de in 2017 gediagnostiseerde persoonlijkheidsproblematiek niet alleen onbehandeld is gebleven en thans nog aanwezig is, maar ook in het feit dat deze problematiek de verdachte in toenemende mate parten lijkt te spelen, aanleiding om het bewezen verklaarde de verdachte in verminderde mate toe te rekenen.

Verdachte is derhalve strafbaar, zij het in verminderde mate, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich via berichten die hij op Facebook plaatste direct gericht tot zijn ex-echtgenote [benadeelde partij] . Hij heeft haar in die berichten rechtstreeks met de dood bedreigd. Op zichzelf bezien heeft hij daarmee reeds inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij] en heeft hij bij haar gevoelens van angst en onzekerheid teweeg gebracht. De intensiteit van de dreiging die van de bewezenverklaarde bedreigingen uitgaat wordt echter nog groter wanneer daarbij betrokken dat verdachte in het verleden niet alleen eerder dreigend is geweest jegens [benadeelde partij] , maar ook dat hij haar in 2015 met voorbedachten raad zwaar heeft mishandeld. De omstandigheid dat hij voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld (tot onder meer een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf) heeft hem er klaarblijkelijk niet van weerhouden [benadeelde partij] opnieuw slachtoffer te maken van zijn onverwerkte frustraties. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is gezien de ernst van de bedreiging en de omstandigheden waaronder die plaatsvond dan ook dan ook passend en geboden.

Motivering van de maatregel terbeschikkingstelling

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte, naast een gevangenisstraf voor de duur van tachtig dagen, met aftrek van voorarrest, de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de totale duur van deze maatregel in tijd gemaximeerd dient te zijn op een periode van vier jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn ter zitting overgelegde pleitnota bepleit dat aan de voorwaarden voor oplegging van TBS niet is voldaan en dat het ook niet zinvol is om TBS op te leggen. Ten aanzien van de voorwaarden voor TBS heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat bij verdachte door deskundigen geen ontoerekeningsvatbaarheid is vastgesteld, zodat geen TBS kan worden opgelegd. Daar komt bij dat het dossier geen aanknopingspunten biedt dat aan het gevaar-vereiste van artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. Ten slotte gaat het in deze zaak om een relatief gering feit.

Oordeel van het hof

Allereerst stelt het hof vast dat het onderhavige delict staat genoemd in artikel 37a, lid 1, Wetboek van Strafrecht. Bij de bepaling van de op te leggen maatregel heeft het hof acht geslagen op hetgeen hiervoor is overwogen, onder meer de onder het kopje “Strafbaarheid van de verdachte” genoemde psychiatrische en psychologische rapportages en het daar genoemde reclasseringsrapport. Er is naar het oordeel van het hof sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van het delict.

Het hof heeft daarnaast ook acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte niet alleen volhardt in zijn laakbare, dreigende en gevaarzettende gedrag jegens [benadeelde partij] , maar ook op de omstandigheid dat verdachte blijkens het aanvullend proces-verbaal d.d. 10 juni 20201, ook nu hij opnieuw als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek is verwikkeld waarin hij nota bene door de rechtbank is veroordeeld, blijkt door te gaan met het plaatsen van allerlei berichten op Facebook. En ook daarbij laat hij het niet na dreigend te zijn naar (o.a.) [benadeelde partij] .

Het hof ziet daarin een verwezenlijking van het door de reclassering in haar rapport van 30 september 2019 gesignaleerde herhalingsgevaar, terwijl daar tegenover staat dat verdachte iedere vorm van behandeling, hulpverlening of andere bijstand met een steeds groter wordende vastberadenheid op afstand houdt. Niet alleen blijft daarmee de reeds in 2017 vastgestelde persoonlijkheidsproblematiek onbehandeld, maar tevens lijkt verdachte zich steeds grimmiger vast te bijten in het door hem beleefde onrecht.

Het hof acht, ter beperking van het recidivegevaar, een behandeling noodzakelijk. De psychische problematiek van verdachte is structureel van aard en beïnvloedt op ingrijpende wijze zijn gedrag. Verdachte heeft geen ziektebesef of -inzicht en is niet bereid hulp te accepteren. Een behandeling dient zich te richten op het stabiliseren van verdachtes psychisch functioneren en – daarmee – reductie van het in hem schuilende gevaar.

Daarnaast is een gestructureerde setting noodzakelijk, die tegemoet komt aan de blijvende beperkingen van verdachte. Mogelijk kan psychotherapeutische interventie bijdragen aan toenemend inzicht bij verdachte. Stabilisering, toename van inzicht en het opstellen van een adequaat risicomanagement zijn noodzakelijk om het herhalingsgevaar terug te brengen. Een dergelijke behandeling zal niet onder voorwaarden kunnen plaatsvinden. Vanwege de verwachte duur van de behandeling en de houding van verdachte ten opzichte van deelname aan welke vorm van behandeling dan ook, is langdurige klinische behandeling met externe structurering en ondersteuning aangewezen.

Het hof is gelet op de inhoud van bovengenoemde rapportages, de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, en de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de overige over hem opgemaakte rapportages, van oordeel dat de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege passend en geboden is. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen vereist het opleggen van deze maatregel. Bij dit oordeel neemt het hof (uiteraard)(mede) in aanmerking dat verdachte, zoals hiervoor reeds vermeld, eerder (in 2015) heeft laten zien bereid en in staat te zijn zijn heftige dreigementen in dito daden om te zetten. Dat het in de toekomst ‘slechts’ bij woorden zal blijven, is naar het oordeel van het hof volstrekt niet aannemelijk geworden.

Het hof realiseert zich dat het een verstrekkende en ingrijpende maatregel betreft, maar ziet mede gelet op het ontbreken van ziekte-inzicht en behandelmotivatie bij verdachte geen mogelijkheid om de noodzakelijke behandeling in een ander kader te realiseren.

Het hof overweegt dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Blijkens de psychiatrische en psychologische rapportage bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Voorts betreft het door verdachte begane feit het misdrijf omschreven in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist bovendien dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd, aangezien de noodzakelijke langdurige behandeling, zoals hiervoor is uiteengezet, niet in een ander kader kan worden gerealiseerd.

Het hof overweegt dat de totale duur van de maatregel gemaximeerd is, nu het hof oordeelt dat gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd géén sprake is van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Dit brengt met zich dat de termijn van de terbeschikkingstelling in beginsel geldt voor de tijd van twee jaar, te rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd onherroepelijk is geworden. De termijn van de terbeschikkingstelling kan, behoudens het bepaalde in artikel 38e of artikel 38j, door de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, telkens hetzij met een jaar hetzij met twee jaar worden verlengd, indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging eist. Tot slot zal de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een periode van vier jaar niet te boven gaan.

Motivering van de maatregel langdurig toezicht ex artikel 38z Wetboek van Strafrecht

Het hof ziet voorts ambtshalve aanleiding om - naast de maatregel van tbs met verpleging - tevens een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na afloop van de tbs-maatregel onder toezicht te stellen indien dat in verband met alsdan bestaande risico's noodzakelijk is.

Ook in dit verband heeft het hof acht geslagen op het hierboven reeds aangehaalde rapporten. Hieruit komt onder meer naar voren dat de psychische problematiek van betrokkene structureel van aard is, dat verdachte geen ziektebesef of -inzicht heeft en dat de kans op recidive groot is. Dit leidt tot een te verwachten langdurige behandelduur en een ongunstige behandelprognose. Structurele verbetering van het toestandsbeeld valt immers onder de huidige omstandigheden niet zonder meer te verwachten, hoewel een afname van de gedrevenheid en een toename van rust valt te voorzien, waardoor op gedragsmatig niveau meer evenwicht wordt bereikt, tenminste, als de behandel context hiertoe de mogelijkheid biedt.

De door het hof op te leggen gemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling zal na ommekomst van ten hoogste vier jaren van rechtswege eindigen. De mogelijk vereiste langduriger behandeling van verdachte kan dan niet meer plaatsvinden in het kader van een dergelijke maatregel. Toekomstige risico's ten aanzien van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen kunnen dus op die manier niet ondervangen worden.

Gelet hierop acht het hof het noodzakelijk om de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. De noodzaak van monitoring van verdachte gedurende een langere periode na zijn ter beschikkingstelling acht het hof zeer waarschijnlijk. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan verdachte opgelegde ter beschikkingstelling plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.500,00 ter vergoeding van immateriële schade. Daarnaast vordert zij vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten volgens het geldende liquidatietarief. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank overwoog ten aanzien van deze vordering het volgende: “De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst, onzekerheid, schrik en machteloosheid vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW.

Uit hetgeen de benadeelde partij heeft aangevoerd, blijkt onvoldoende dat het bewezen verklaarde feit heeft geleid tot ernstige psychische schade of een aantasting in de persoon op andere wijze, zoals hiervoor is bedoeld. Ook uit de door de benadeelde partij overgelegde schriftelijke verklaring van de weerbaarheidscoach kan onvoldoende worden afgeleid dat daarvan sprake is. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat verdachte en aangeefster al geruime tijd een conflict hebben en dat onbekend is in hoeverre de door aangeefster gestelde schade een gevolg is van de bedreiging waar het in deze zaak om gaat.” Deze beslissing is juist en is goed gemotiveerd.

Het hof overweegt verder dat de omstandigheid, zoals door de advocaat van de benadeelde partij is aangevoerd, dat het conflict tussen de benadeelde en verdachte een eenzijdig conflict is dat komt van de zijde van verdachte dit niet anders maakt. Want ook wanneer sprake is van een eenzijdig conflict dat geruime tijd heeft geduurd, is onbekend in hoeverre de door de benadeelde gestelde schade een gevolg is van de onderhavige bedreiging. Een nadere onderbouwing van de gestelde schade, anders dan de schriftelijke verklaring van de weerbaarheidscoach is ook in hoger beroep achterwege gelaten. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij alsnog te laten aantonen dat zij ten gevolge van het bewezen verklaarde feit ernstige psychische schade heeft geleden of op een andere wijze in de persoon is aangetast, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 16 februari 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Vast staat dat dit vonnis bij arrest van dit gerechtshof d.d. 14 december 2017 is vernietigd en dat in die strafzaak door het hof onder meer een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd. Het voorwaardelijke deel van die straf bedroeg tien maanden. De vordering tot tenuitvoerlegging is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Nu vast staat dat voor alle betrokkenen duidelijk is dat de beslissing waarvan de tenuitvoerlegging is gevorderd onherroepelijk is vernietigd, terwijl in diezelfde strafzaak inmiddels een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, houdt het hof het ervoor dat de tenuitvoerlegging is gevorderd van de door het hof bij arrest van 14 december 2017 opgelegde voorwaardelijke straf.

Hoewel het bewezenverklaarde feit is gepleegd voor het einde van de bij ’s hofs arrest bepaalde proeftijd, zal het hof thans, gelet op de op te leggen straf en maatregel de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

Gevangenneming

De advocaat-generaal heeft de gevangenneming van verdachte gevorderd.

Het hof veroordeelt verdachte in onderhavig arrest voor een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, een feit waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, terwijl ook ernstige bezwaren bestaan. Er is, gelet op hetgeen dienaangaande hiervoor is overwogen sprake van herhalingsgevaar.

Het hof zal om bovenstaande redenen de gevangenneming van verdachte bevelen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14h, 14i, 14j, 37a, 37b, 38v, 38w, 38z en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 (tachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren zich niet zal ophouden in de gemeente Meppel en het gebied in een cirkel van vijf kilometer rondom de gemeentegrens van die gemeente. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat deze opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] , thans wonende [woonadres] te [woonplaats] . Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat deze opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Nederland, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 december 2017 onder parketnummer 21-001066-16, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 29 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. W.Foppen en mr. A. Meester voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL0100-2020138783-2, d.d. 10 juni 2020 in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar.