Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4926

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
200.275.759
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 350 lid 3, aanhef en onder c Fw.

Sollicitatieplicht. Boedelachterstand.

Laatste kans om met verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling die regeling tot een goed einde te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.275.759

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/19/152 R)

arrest van 29 juni 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante, hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. L.N. Huizenga.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 7 mei 2019 is, op verzoek van [appellante] , de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 12 maart 2020 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellante] , op een door de rechter-commissaris ondersteund verzoek van de bewindvoerder, [B] , tussentijds beëindigd. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 18 maart 2020 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 12 maart 2020. [appellante] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, de brief met bijlagen van 27 mei 2020 van mr. Huizenga, de brief met bijlagen van 11 juni 2020 van de bewindvoerder en het faxbericht met bijlagen van 17 juni 2020 van mr. Huizenga.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juni 2020. Hierbij is [appellante] verschenen, bijgestaan door mr. Huizenga, die het woord heeft gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Als tolk voor [appellante] is [C] opgetreden. Verder zijn verschenen de bewindvoerder en de beschermingsbewindvoerder,
[D] .
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellante] is [in] 1966 geboren in Turkije. In 1988 is zij in Nederland komen wonen. In 2001 is een zoon van haar overleden. [appellante] woont samen met haar voormalige echtgenoot. Zij heeft eerder een wettelijk schuldsaneringstraject gevolgd. Die regeling is tussentijds beëindigd. Bij e-mail van 24 juni 2019 heeft de bewindvoerder [appellante] meegedeeld dat de rechter-commissaris haar geen ontheffing van de sollicitatieplicht heeft verleend. Meermaals, waaronder op 1 juli 2019, heeft de bewindvoerder [appellante] erop gewezen dat zij bij gebreke van een door de rechter-commissaris verleende ontheffing een volledige sollicitatieplicht heeft.
De beschermingsbewindvoerder heeft [appellante] op 26 februari 2020 aangemeld bij JobHulpMaatje Utrecht.

3.2

Aan [appellante] is per 13 december 1999 een volledige WAO-uitkering toegekend. op psychische gronden. Nadien heeft het UWV die uitkering per 22 augustus 2005 ingetrokken. In juni 2018 heeft [appellante] bij het UWV aangegeven dat zij vanaf 22 augustus 2005 (datum intrekking WAO) nooit hersteld is geweest en het UWV om een heronderzoek gevraagd.
Bij besluit van 12 december 2019 heeft het UWV [appellante] meegedeeld dat zij geen WAO-uitkering krijgt, omdat, kort gezegd, volgens de verzekeringsarts geen sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 22 augustus 2005.
3.3 De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds beëindigd, omdat [appellante] zich onvoldoende heeft gehouden aan de uit die regeling voortvloeiende sollicitatieplicht en zij een boedelachterstand van € 1.142 heeft laten ontstaan.
Ten aanzien van de sollicitatieplicht heeft de rechtbank overwogen dat [appellante]

i. haar gestelde arbeidsongeschiktheid niet heeft bevestigd door medische en/of keuringsrapporten,

ii. gedurende de laatste 20 jaar geen enkel initiatief heeft genomen om haar (werk)situatie te verbeteren en zich pas zeer recent heeft aangemeld voor rouwverwerkingstherapie en hulp bij het solliciteren,

iii. ondanks haar lange verblijf in Nederland de taal niet spreekt en

iv. ook ter zitting geen blijk heeft gegeven van enig voornemen om de schuldsaneringsregeling alsnog tot een goed einde te willen brengen.

3.4

Het hof oordeelt als volgt. De wettelijke schuldsaneringsregeling kent een aantal verplichtingen voor de schuldenaar, waaronder de inspanningsverplichting om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Deze verplichting houdt onder meer in dat van [appellante] mag worden verlangd dat zij gedurende de periode van de schuldsaneringsregeling waarin zij geen of onvoldoende betaalde werkzaamheden verricht gemiddeld vier maal per maand schriftelijk solliciteert.

3.5

Niet in debat is dat [appellante] vanaf het begin van de regeling niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Zij heeft immers verzuimd vier maal per maand schriftelijk of per e-mail op bestaande vacatures te solliciteren.
Dat [appellante] naar zij heeft gesteld, pas in een later stadium, namelijk vanaf het besluit van het UWV op 12 december 2019, duidelijk is geworden wat van haar ten aanzien van deze verplichting precies werd verwacht (en daar inmiddels ook uitvoering aan geeft), is naar het oordeel van het hof op goede gronden weersproken door de bewindvoerder. Mede in aanmerking genomen het in het verleden door [appellante] gevolgde schuldsaneringstraject, kan zij zich met alle haar aangereikte informatie bij gelegenheid van de toelatingszitting, het huisbezoek van de bewindvoerder en de door deze aan haar gestuurde correspondentie, niet verschuilen achter onbekendheid of onwetendheid met de voor haar geldende regels op het punt van de sollicitatieplicht. Gelet hierop levert de tekortkoming in de sollicitatieplicht op zichzelf voldoende grond op om de regeling van [appellante] tussentijds te beëindigen, zoals de rechtbank ook heeft gedaan.

3.6

Het hof ziet echter aanleiding [appellante] een laatste kans te bieden om haar regeling voort te zetten, zij het dat ter compensatie van de door haar begane tekortkomingen in de nakoming van haar sollicitatieplicht de looptijd van die regeling met 12 maanden zal worden verlengd, dus tot 7 mei 2023. Bij deze beslissing neemt het hof het volgende in aanmerking.

Zij het laat, heeft [appellante] ingezien dat zij naast het voor haar ingestelde beschermingsbewind meer hulp nodig heeft om de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, in het bijzonder de sollicitatieplicht, na te komen.
heeft inmiddels hulp gezocht en gevonden bij JobHulpMaatje, die haar zal ondersteunen bij het solliciteren. Ter overbrugging van de afstand tot de arbeidsmarkt gaat zij drie uur per week als vrijwilligster in de catering van een verzorgingstehuis werken, met (volgens [appellante] ) uitzicht op een (vaste) baan in de schoonmaak van dat tehuis.
Daarnaast heeft [appellante] stappen gezet om haar psychische situatie te verbeteren: zij heeft op frequente basis gesprekken met een praktijkondersteuner van haar huisarts en staat nu ook onder behandeling van een (Turks sprekende) psycholoog.
Deze ontwikkelingen tonen aan dat [appellante] stappen heeft gezet om te proberen de schuldsanering tot een goed einde te brengen en bieden ook betere waarborgen voor de nakoming van haar verplichtingen in de schuldsaneringsregeling. Daarom zal zij in de gelegenheid worden gesteld die regeling alsnog tot een goed einde te brengen.

3.7

Wat betreft de overige door [appellante] in acht te nemen verplichtingen van de schuldsaneringsregeling merkt het hof het volgende op.
Van de door de rechtbank aan de eindafrekening van Essent gerelateerde boedelachterstand is in hoger beroep niet gebleken. Uitgaande van de juistheid van de ter zitting verstrekte nadere informatie van de zijde van [appellante] - kort gezegd stelt zij dat de vordering van Essent was voldaan vóór datum van haar toelating tot de schuldsaneringsregeling - is er sprake van een misverstand en deelt het hof het standpunt van de bewindvoerder dat in dat geval van een boedelachterstand geen sprake is.
Dit laatste gaat ook op voor de tijdens de schuldsaneringsregeling ontstane schuld aan de belastingdienst (teruggevorderde huurtoeslag over 2019 in verband met een bij [appellante] inwonende meerderjarige dochter). Hiervoor geldt in de eerste plaats dat volgens de ter zitting gegeven toelichting van de bewindvoerder de belastingdienst haar heeft bericht dat deze schuld niet bij [appellante] zal worden geïnd en in de tweede plaats dat volgens de beschermingsbewindvoerder een bedrag is gereserveerd dat volgende maand toereikend zal zijn om die vordering te voldoen, mocht dat (toch) op enig moment gevraagd worden.

3.8

Het hof houdt [appellante] voor dat zij zich gedurende de resterende looptijd van de regeling stipt zal moeten houden aan alle uit de regeling voortvloeiende verplichtingen, in het bijzonder de sollicitatieplicht (inclusief de eis om daarvan schriftelijke bewijzen over te leggen) en informatieplicht. Hierbij gaat het hof ervan uit dat [appellante] van de thans aan haar geboden hulp gebruik zal blijven maken en dat zij waar nodig andere begeleiding/hulp bij de nakoming van haar verplichtingen zal inroepen.

3.9

Het hof zal in overeenstemming met het voorgaande beslissen als hierna te melden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 12 maart 2020 en, opnieuw recht doende:

bepaalt dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellante] wordt voortgezet en verlengt daartoe de looptijd met twaalf maanden, tot 7 mei 2023.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, L. Janse en C.J.H.G. Bronzwaer, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Janse, en op 29 juni 2020 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.