Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4896

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
18/00331
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2018:1095, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bouw van een aanleunwoning in 2010 leidt niet tot aftrek van specifieke zorgkosten door de afwezigheid van een medisch voorschrift dat wijst op een aanbouw wegens functiebeperking. Het bij de aanslagregeling voor 2006 eventueel opgewekte vertrouwen geldt niet voor de aanslag voor 2010 door de per 1 januari 2009 ingaande wijziging van de wettelijke voorwaarden van aftrek van aanpassingen van een woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-07-2020
FutD 2020-2002
V-N Vandaag 2020/1740
V-N 2020/44.18.2
NTFR 2020/2158
NLF 2020/1658 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer 18/00331

uitspraakdatum: 30 juni 2020

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 maart 2018, nummer LEE 15/2598, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een bedrag van nihil. Bij beschikking is de nog niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vastgesteld op € 9.392.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag gehandhaafd en de nog niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vastgesteld op nihil.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende toegekend en het griffierecht laten vergoeden.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

1.6.

Partijen hebben afgezien van hun recht op een mondelinge behandeling.

1.7.

Nadien heeft het Hof het vooronderzoek heropend en de Inspecteur schriftelijk informatie gevraagd. De reactie van de Inspecteur is aan belanghebbende gestuurd. Belanghebbende heeft daarop gereageerd. Van de door belanghebbende bij zijn reactie gevoegde conceptbrief van 18 mei 2016 heeft, blijkens de stukken van het geding, de Rechtbank op 1 juni 2016 de definitieve versie ontvangen, die inhoudelijk met de conceptbrief overeenkomt. De Rechtbank heeft de op 1 juni 2016 ontvangen brief tot het dossier gerekend. Het Hof heeft partijen bij brief van 25 mei 2020 medegedeeld dat partijen hebben laten weten dat zij hebben afgezien van het recht op een zitting en dat het Hof voornemens is uiterlijk 18 juli 2002 uitspraak te doen. Partijen hebben niet laten weten terug te komen van hun eerdere beslissing af te zien van het recht op een zitting. Evenmin hebben ze gereageerd op de aankondiging na voornoemde briefwisseling, dat het Hof uitspraak zal doen. Het Hof heeft vervolgens het vooronderzoek gesloten en heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft op grond van het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende woont samen met zijn echtgenote aan de [a-straat 1] in [Z] .

2.2.

In 2006 heeft belanghebbende achter zijn woning een ruimte (om)gebouwd. In dat jaar is belanghebbendes schoonmoeder, [A] , naar Nederland gekomen. Zij is afhankelijk van verzorging en krijgt van belanghebbende en zijn echtgenote mantelzorg. De ruimte is in fases verbouwd tot een aanleunwoning, waarvoor zowel in 2006, 2009 als in 2010 kosten zijn gemaakt.

2.3.

In het taxatierapport van 12 augustus 2014, dat de Inspecteur heeft laten opstellen, is een beschrijving opgenomen van de aanleunwoning naar de staat waarin het verkeerde in 2010. De beschrijving luidt:

“Houten dubbelwandig opstal, houten vloeren en het geheel voorzien van een geïsoleerd plat bitumen dak, waarin een lichtkoepel is geplaatst.

Het bouwwerk staat op een stenen bestrating in de achtertuin.

Aangesloten op alle nutsvoorzieningen.

Aan de achterzijde is aangebouwd een eenvoudige overkapping t.b.v. stalling van de scootmobiel.

Elektrische aansluiting en verlichting is aanwezig in de aanbouw.

Het chalet [Hof: de aanleunwoning] heeft een eigen entree en een afzonderlijke afsluitbare schuifdeur om uit de tuin te komen met de scootmobiel.

Opstal na verbouw geheel geschikt gemaakt voor bewoning. (…)

Indeling:

Woon/slaapkamer/open keukentje, doucheruimte en hangtoilet

Verwarming en warmwatervoorziening geschiedt middels eigen gas gestookte cv installatie.

Eigen meterkast, eigen TV satellietontvanger, huisje voorzien van Mechanische Ventilatie.

Inhoud:ca. 65m3”

2.4.

In 2006 was het inkomen uit werk en woning voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek van belanghebbende € 21.784 en van zijn echtgenote € 6.893. In dat jaar is rekening gehouden met een persoonsgebonden aftrek van € 82.898.

2.5.

In 2009 was het inkomen uit werk en woning voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek van belanghebbende € 40.939 en van zijn echtgenote € 7.540. In dat jaar is rekening gehouden met een persoonsgebonden aftrek van € 40.952.

2.6.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte in de IB/PVV voor 2010 onder de persoonsgebonden aftrek kosten van aanpassing van de woning en de aanleunwoning opgenomen tot een bedrag van € 22.542. Belanghebbende heeft facturen met betalingsbewijzen overgelegd van [B] BV ( [B] ) en [C] ( [C] ). Op de facturen van [B] is vermeld “diverse woning/chalet aanpassingen mevrouw [A] ” of “diverse aanpassingen woning/chalet mevrouw [A] ”. De factuur van [C] betreft arbeidsloon, stortingskosten en kosten van grind, compost en beplanting.

2.7.

In de brief van 5 april 2013 heeft [D] (hierna: [D] ) namens de Inspecteur een overzicht gegeven van de geaccepteerde persoonsgebonden aftrek en de verrekening daarvan met de inkomsten uit werk en woning in de jaren 2004 tot en met 2009. In de aanhef van deze brief heeft de Inspecteur het volgende opgemerkt:

“U hebt een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2009 (…). Over de te verlenen aftrek voor specifieke zorgkosten hebben we reeds uitvoering gesproken. Daarbij wordt een aftrek voor specifieke zorgkosten verleend van € 37.247. Dit bedrag is opgenomen in het bedrag PGA 2009 in onderstaande berekening.”

2.8.

Op de aanslag in de IB/PVV voor 2010 is vermeld: een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, een bedrag van € 45.518 als te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren en een bedrag van € 9.392 als nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek in volgende jaren.

3 Geschil

3.1.

Het beroep van belanghebbende is gericht tegen de hoogte van het bedrag dat de Inspecteur heeft vastgesteld in de beschikking nog in aanmerking te nemen persoonsgebonden aftrek. In geschil is of de Inspecteur de persoonsgebonden aftrek op het juiste bedrag heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of de Inspecteur terecht de kosten van de verbouwing van de aanleunwoning, de vervoerskosten en de kosten van genees- en heelkundige hulp van € 5.000 heeft geweigerd. Indien en voor zover de aftrek niet is toegestaan, is in geschil of de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden bij het niet toestaan van de aftrek van de verbouwingskosten en de kosten van geneeskundige hulp. Verder verzoekt belanghebbende om een vergoeding van de werkelijke proceskosten.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat hij recht heeft op de persoonsgebonden aftrek voor de in geschil zijnde kosten en dat hem een vergoeding van de werkelijke proceskosten toekomt.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en – indien van toepassing – een proceskostenvergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In hoger beroep ziet het geschil op de volgende posten die belanghebbende als persoonsgebonden aftrek in aanmerking wil nemen:

Belanghebbende Inspecteur

Aanpassing woning/aanleunwoning € 22.542 € 0

Vervoer € 1.296 € 360

Genees- en heelkundige hulp € 5.000 € 134

Totaal € 28.838 € 494

Aanpassingskosten woning/aanleunwoning

4.2.

Belanghebbende verzoekt om aftrek van de aanpassingskosten van de aanleunwoning. Hij is van mening dat hij aan alle voorwaarden voor aftrek van deze kosten als specifieke zorgkosten voldoet. Voor zover aftrek niet mogelijk zou zijn, beroept belanghebbende zich op het vertrouwensbeginsel. Volgens belanghebbende heeft de heer [E] (hierna: [E] ) bij het opleggen van de aanslag in de IB/PVV voor 2006 de aftrek beoordeeld en goedgekeurd en heeft [D] bij de beoordeling van de aanslag/het bezwaar in de IB/PVV voor 2009 eveneens de aftrek beoordeeld en goedgekeurd.

4.3.

De Inspecteur stelt dat de aanpassingskosten niet voor aftrek in aanmerking komen, omdat:

1. de kosten voor de aanleunwoning als mantelzorgwoning geen aftrekbare uitgaven zijn wegens ziekte of invaliditeit (HR 14 augustus 2015, nr. 14/05918, ECLI:NL:HR:2015:2166);

2. de kosten niet zijn gemaakt op medisch voorschrift (artikel 6.17, tweede lid, onder a Wet IB 2001);

3. de kosten leiden tot een waardevermeerdering van de woning (artikel 6.17, tweede lid, onder a Wet IB 2001);

4. de kosten niet drukken op belanghebbende, omdat een vergoeding uit de WMO mogelijk is;

5. de kosten niet bij belanghebbende in aftrek kunnen komen, omdat de schoonmoeder niet tot de kring van personen behoort, aangezien zij niet een bij belanghebbende inwonende zorgafhankelijke ouder is (artikel 6.16 Wet IB 2001 in verbinding met artikel 20 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001) en

6. de kosten onvoldoende zijn gespecificeerd, zodat niet duidelijk is waarop deze zien.

4.4.

Van een schending van het vertrouwensbeginsel is volgens de Inspecteur geen sprake. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de aangifte in de IB/PVV voor 2009 geen vragen gesteld over de aanpassingskosten van de aanleunwoning. Er is slechts na het bezwaarschrift tegen de aanslag in de IB/PVV voor 2009 een brief verstuurd over de verrekening van de persoonsgebonden aftrek in de jaren 2004 tot en met 2009. Uit het taxatierapport volgt, dat de aanpassingen pas in 2010 zijn aangebracht, zodat bij de aanslagregeling over voorgaande jaren geen vertrouwen kan zijn gewekt.

4.5.

Ingevolge artikel 6.17 Wet IB 2001 zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor andere hulpmiddelen. Als ander hulpmiddel wordt mede aangemerkt een middel dat een persoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn. Hiertoe worden gerekend aanpassingen van een woning of aanhorigheid daarvan, die vanwege een functiebeperking op medisch voorschrift zijn aangebracht, voor zover de aanpassingen niet leiden tot een waardevermeerdering van de woning of aanhorigheid daarvan, welke uitgaat boven tien procent van de op de belastingplichtige drukkende aanpassingskosten.

4.6.

De door belanghebbende overgelegde stukken bevatten geen beschrijving van de werkzaamheden die in de woning en de aanleunwoning zijn verricht, zodat niet vastgesteld kan worden, of sprake is van aanpassingen van een woning of aanhorigheid die zijn aangebracht vanwege een functiebeperking. Zelfs als de aanpassingen zijn aangebracht vanwege een functiebeperking, is aftrek niet mogelijk omdat belanghebbende geen medisch voorschrift heeft overgelegd. De door belanghebbende overgelegde stukken kunnen niet als medisch voorschrift worden geduid. Ook de omstandigheid dat belanghebbendes schoonmoeder slecht ter been is en daarom een woning op de begane grond zonder trappen nodig had, vormt geen grond voor aftrek van kosten voor de (ver)bouw van de aanleunwoning. Een woning voorziet naar haar aard in de huisvestingsbehoefte van haar bewoner. De kosten die verband houden met de verwerving en het aanhouden van een woning kunnen daarom niet gerekend worden tot de uitgaven wegens ziekte of invaliditeit. Dit geldt ook voor een mantelzorgwoning, waarnaartoe een persoon verhuist omdat hij in die mantelzorgwoning minder dan in zijn voormalige woning gehinderd wordt door aantasting van zijn lichaamsfuncties als gevolg van ziekte of invaliditeit, en ook voor een mantelzorgwoning waarnaartoe een persoon verhuist omdat anderen daar beter voor hem kunnen zorgen. De Inspecteur heeft daarom terecht de aftrek van de aanpassingskosten als specifieke zorgkosten geweigerd.

4.7.

Belanghebbende beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Het is aan belanghebbende aannemelijk te maken, dat bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt, dat de aftrek van de aanpassingskosten aan de woning en de aanleunwoning als persoonsgebonden aftrek in aanmerking kan worden genomen. Belanghebbende verwijst daarvoor naar de aanslagregeling van de IB/PVV voor 2006 door [E] en de aanslagregeling van de IB/PVV voor 2009 door [D] . Hij kan daarvan echter geen stukken overleggen, omdat deze stukken zijn gestolen bij een inbraak in zijn woning. Ter onderbouwing van deze stelling heeft belanghebbende een aangifte bij de politie overgelegd. De Inspecteur heeft evenmin stukken van de aanslagregeling van de IB/PVV voor 2006 en 2009 overgelegd, met uitzondering van de brief van 5 april 2013. In deze brief merkt de Inspecteur op dat al uitvoerig over de te verlenen aftrek voor specifieke zorgkosten is gesproken. De Inspecteur heeft er geen duidelijkheid over kunnen geven waar deze passage betrekking op heeft.

4.8.

Belanghebbende heeft geen schriftelijke bewijsstukken kunnen overleggen van het overleg dat hij met [E] heeft gehad over de persoonsgebonden aftrek in de aangifte in de IB/PVV voor 2006, omdat deze stukken zijn gestolen. Belanghebbende stelt nadrukkelijk en herhaaldelijk dat dit overleg wel heeft plaatsgevonden. Het Hof acht dit ook waarschijnlijk, gelet op het zeer hoge bedrag aan persoonsgebonden aftrek in de aangifte in de IB/PVV voor 2006 en de onder 2.7. geciteerde passage uit de brief van [D] . De Inspecteur heeft deze stellingen van belanghebbende onvoldoende weersproken, zodat het Hof aannemelijk acht dat voor het jaar 2006 na overleg met de Inspecteur de aftrek van de stichtingskosten van de aanleunwoning is toegestaan. Onbekend is wat de Inspecteur precies heeft beoordeeld en op welke gronden hij de aftrek van de kosten van de aanleunwoning heeft toegestaan. Voor zover de Inspecteur daarbij vertrouwen heeft gewekt, kan dit vertrouwen niet zien op wijziging van de wettelijke voorwaarden die gelden in latere belastingjaren. Vanaf 1 januari 2009 is aftrek van aanpassingen van een woning of een aanhorigheid daarvan slechts mogelijk, als deze vanwege een functiebeperking op medisch voorschrift zijn aangebracht. Nu deze eis voor het belastingjaar 2006 niet gold, heeft de Inspecteur op dit punt bij de aanslagregeling van de IB/PVV voor 2006 geen vertrouwen voor het onderhavige jaar kunnen wekken. Zoals hiervoor is overwogen, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de (ver)bouw van de aanleunwoning op medisch voorschrift is geschied, zodat aftrek van de kosten daarvan niet mogelijk is. Daaraan staat het eventueel bij de aanslagregeling van de IB/PVV voor 2006 gewekt vertrouwen niet in de weg.

4.9.

Belanghebbende stelt voorts dat de Inspecteur ook bij de aanslagregeling van de IB/PVV voor 2009 het vertrouwen heeft gewekt dat aftrek van de kosten voor de (ver)bouw van de aanleunwoning mogelijk is. Belanghebbende heeft voor dit jaar evenmin schriftelijke bewijsstukken kunnen overleggen van de inhoud van het overleg dat hij met [D] heeft gehad over de persoonsgebonden aftrek in de aangifte in de IB/PVV voor 2009, omdat deze stukken zijn gestolen. De Inspecteur stelt dat de aangifte voor het jaar 2009 niet is beoordeeld en dat er in dat jaar geen briefwisseling heeft plaatsgevonden, anders dan over het bezwaar tegen de aanslag in de IB/PVV voor 2009. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt, dat de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag in de IB/PVV voor 2009 inhoudelijk de persoonsgebonden aftrek heeft beoordeeld. De brief van 5 april 2013 heeft betrekking op de bezwaarfase. In de bezwaarfase heeft de Inspecteur enkel een toelichting gegeven op verrekening van de nog niet verrekende persoonsgebonden aftrek in de jaren 2004 tot en met 2009. De opmerking van de Inspecteur in zijn brief van 5 april 2013 is te algemeen om het in rechte te beschermen vertrouwen te kunnen wekken, dat de aftrek van de kosten van (ver)bouw in 2010 mogelijk is ook als niet voldaan wordt aan de wettelijke bepalingen. Hetzelfde geldt voor de voor de jaren 2009 tot en met 2013 in de vorm van negatieve voorlopige aanslagen in de IB/PVV uitbetaalde teruggaven wegens de aftrek van de (ver)bouwkosten van de aanleunwoning. Belanghebbende heeft evenmin met betrekking tot deze teruggaven aannemelijk gemaakt dat daaraan een inhoudelijke beoordeling van de Inspecteur is voorafgegaan, zodat ook dit beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Kosten van vervoer en kosten van genees- en heelkundige hulp

4.10.

De Rechtbank heeft het volgende overwogen over de aftrek van de vervoerskosten en de kosten van genees- en heelkundige hulp (waarbij met ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’ belanghebbende en de Inspecteur wordt bedoeld):

7.1. Eiser heeft toegelicht dat de genees- en heelkundige hulp waarvan hij de kosten tot een bedrag van € 5.000 in aanmerking wil nemen, medische hulp betreft die hij zelf in Duitsland heeft ontvangen. De opgevoerde vervoerkosten ten bedrage van € 1.296 zijn de kosten die hij heeft gemaakt om de hulpverleners te kunnen bezoeken.

7.2.

Verweerder heeft naar voren gebracht dat eiser ten aanzien van deze kosten alleen bankafschriften met geldopnamen heeft overgelegd. Dit acht verweerder niet voldoende om de kosten in aftrek te brengen omdat aan de hand van enkel geldopnamen niet beoordeeld kan worden of sprake is van specifieke zorgkosten.

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de geldopnamen zien op kosten die betrekking hebben op medische handelingen en tevens niet dat de reiskosten verband houden met deze gestelde medische handelingen. Eiser heeft weliswaar aangetoond dat hij in Duitsland bankopnames heeft gedaan, maar dat is onvoldoende voor de conclusie dat deze geldsommen zijn opgenomen om medische hulp contant te betalen, te meer omdat over de aard van de gestelde medische handelingen door eiser verder geen enkele toelichting is gegeven.

7.4.1.

Eiser stelt dat verweerder in een gesprek op 16 december 2014 de toezegging heeft gedaan dat een aftrek, ten bedrage van € 5.000, voor medische kosten gemaakt in Duitsland zou worden geaccepteerd. Eiser heeft deze gestelde toezegging weergegeven in zijn brief met dagtekening 23 december 2014, door verweerder ontvangen op 30 december 2014. Nu verweerder pas na vier maanden op eisers brief van 23 december 2014 heeft gereageerd, is bij eiser het vertrouwen gewekt dat hij de afspraken juist had vastgelegd.

7.4.2.

Bij brief van 10 april 2015, betreffende de vooraankondiging uitspraak op bezwaarschrift, heeft verweerder daarentegen gesteld dat hij bovengenoemde toezegging niet heeft gedaan.

7.4.3.

De rechtbank overweegt dat het op zichzelf wenselijk zou zijn geweest als verweerder eerder had gereageerd op eisers brief van 23 december 2014. De verlate reactie van verweerder betekent echter niet dat eiser, op wie in deze de bewijslast rust, aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder de gestelde toezegging heeft gedaan. Eiser is in deze bewijslast, gezien de gemotiveerde weerspreking in verweerders brief van 10 april 2015, niet geslaagd. Evenmin heeft eiser aan het enkele tijdsverloop tussen zijn brief van 23 december 2014 en de reactie van verweerder op die brief het vertrouwen kunnen ontlenen dat verweerder stilzwijgend akkoord is gegaan met de door eiser gestelde toezegging.

8. Het voorgaande betekent dat eiser niet is geslaagd in zijn bewijslast om aannemelijk te maken dat hij de uitgaven voor genees- en heelkundige hulp en daarmee verband houdende vervoerkosten, zoals deze in geschil zijn, heeft gedaan. Verweerder heeft deze kosten terecht niet in aanmerking genomen.

4.11

Het Hof kan zich verenigen met het oordeel van de Rechtbank en neemt daarom deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne.

4.12.

In zijn uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de persoonsgebonden aftrek berekend op € 1.404. De nog in volgende jaren in aanmerking te nemen persoonsgebonden aftrek is dan als volgt te berekenen.

Nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren € 45.518

Inkomen uit werk en woning (voor persoonsgebonden aftrek) € 37.598

Persoonsgebonden aftrek:

Af: Alimentatie € 464

Specifieke zorgkosten - 1.404

- - 1.868

Inkomen uit werk en woning - 35.730

Nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek in volgende jaren € 9.788

Bij de aanslag heeft de Inspecteur de nog niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vastgesteld op € 9.392. Bij zijn uitspraak op bezwaar heeft hij dit bedrag verminderd tot nihil, omdat hij de nog niet verrekende persoonsgebonden aftrek al volledig verrekend heeft met de aanslag in de IB/PVV voor 2011. Naar het oordeel van het Hof is de beschikking te laag vastgesteld en ten onrechte bij uitspraak op bezwaar verminderd, zodat het hoger beroep om die reden gegrond moet worden verklaard en het bedrag van de beschikking op € 9.788 moet worden vastgesteld. Daarbij houdt het Hof geen rekening met de verrekening van de nog niet verrekende persoonsgebonden aftrek met de aanslag in de IB/PVV voor 2011. De Inspecteur kan een beschikking waarin hij de nog niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek heeft vastgesteld, slechts verminderen op grond van artikel 6.2a, derde lid, van de Wet IB 2001 door de beschikking te herzien. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de werkelijke proceskosten. Naar het oordeel van het Hof zijn er geen bijzondere omstandigheden aanwezig die aanleiding geven af te wijken van het in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen tarief. Het Hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen grond dat de Inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975), en evenmin dat het door hem ingenomen standpunt in de daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden (HR 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802).

Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende in bezwaar of hoger beroep voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.312,50 voor de kosten in beroep (2,5 punten (beroepschrift, bijwonen zitting en bijwonen nadere zitting)  wegingsfactor 1  € 525).

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de immateriële schadevergoeding en het griffierecht,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– verklaart het bezwaar gegrond,

– handhaaft de aanslag,

– verhoogt het bij beschikking vastgestelde bedrag aan nog niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek tot een bedrag van € 9.788,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.312,50 en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2020.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 juli 2020

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.