Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4889

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
21-000032-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:6609, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte voor medeplegen van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg en openlijke geweldpleging tot een taakstraf van 60 uur (met aftrek van voorarrest).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000032-18

Uitspraak d.d.: 29 juni 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 21 december 2017 met parketnummer 05-038087-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.A.B.H.M. Willemse, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Gelderland (locatie Zutphen) heeft verdachte van de gehele tenlastelegging vrijgesproken.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1 primair:
hij op of omstreeks 15 januari 2017 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel,

te weten een fractuur/breuk in (een deel van) een of meer nekwervel(s) (processus uncinatus), heeft toegebracht,

door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal,

met kracht tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam te stompen en/of te slaan

en/of door die [slachtoffer 1] (met kracht) bij de hals/nek vast te pakken en vast te houden en/of door die [slachtoffer 1] (achterover) op de grond te stoten en/of te duwen en/of te laten vallen en/of ten gevolge van het stompen en/of slaan die [slachtoffer 1] (achterover) op de grond is gevallen;

1 subsidiair:
hij op of omstreeks 15 januari 2017 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal,

met kracht tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam te stompen en/of te slaan

en/of door die [slachtoffer 1] (met kracht) bij de hals/nek vast te pakken en vast te houden en/of door die [slachtoffer 1] (achterover) op de grond te stoten en/of te duwen en/of te laten vallen en/of ten gevolge van het stompen en/of slaan die [slachtoffer 1] (achterover) op de grond is gevallen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel,

te weten een fractuur/breuk in (een deel van) een of meer nekwervel(s) (processus uncinatus) en/of een gebroken neus en/of een gebroken jukbeen ten gevolge heeft gehad;

2 primair:
hij op of omstreeks 15 januari 2017 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,

openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [adres]

in elk geval op of aan een openbare weg,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit:

- het (met kracht) vastpakken en/of -houden van/bij de keel en/of hals van die [slachtoffer 2] , en/of

- het meermalen, althans eenmaal, stompen en/of slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] ;

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 15 januari 2017 te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door:

- die [slachtoffer 2] (met kracht) bij de keel en/of hals vast te pakken en/of vast te houden, en/of

- die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of het lichaam te stompen en/of slaan.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde

De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich allebei op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde feit.

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat het opzet van verdachte was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft hij de verschillende voor verdachte belastende verklaringen bestreden. De raadsman concludeert dat de rechtbank verdachte op juiste gronden heeft vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van de onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde feiten worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Op basis van de in het dossier opgenomen bewijsmiddelen komt het hof tot de volgende reconstructie en wordt het volgende overwogen.

Op 15 januari 2017 is rond sluitingstijd van café [cafe] te Ulft (omstreeks 3.30 uur à 4.00 uur) buiten op straat een vechtpartij ontstaan, waarbij met name verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] enerzijds en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] anderzijds betrokken waren.

[slachtoffer 2] (blz. 12 en blz. 21) heeft verklaard dat het geweld is ontstaan nadat medeverdachte [medeverdachte] buiten op straat tegen hem begon te schelden: “Kankerrooie”. Er is toen over en weer geschreeuwd en gescholden waarna medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer 2] (bij de keel) heeft vastgepakt. Er was toen inmiddels een langere jongen bij hen gaan staan, te weten de jongen met de opvallende hakenkruis-tatoeage (het hof begrijpt uit het dossier dat dit verdachte betreft met wie medeverdachte [medeverdachte] samen in het café was geweest). Vervolgens ontstond er duw- en trekwerk tussen medeverdachte [medeverdachte] en [slachtoffer 2] , waarna zij allebei ten val zijn gekomen. Toen zij op de grond lagen, werd [slachtoffer 2] verschillende keren geslagen, vermoedelijk door de langere jongen. [slachtoffer 2] heeft verder verklaard dat hij toen heeft gezien dat [slachtoffer 1] in gevecht is geraakt met verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , waarbij het gevecht zich verplaatste in de richting van de Chinees.

Aangever [slachtoffer 1] (blz. 5) heeft verklaard dat zijn vriend [slachtoffer 2] woorden kreeg met twee mannen, dat [slachtoffer 2] door één van hen bij de keel werd gegrepen en dat hij er naartoe liep om de ruzie te sussen. Daarop werd [slachtoffer 1] aangevallen door beide mannen en door hen allebei geslagen op zijn lichaam en gezicht. Tijdens het vechten kwam [slachtoffer 1] achterover ten val, welke val hem enorm veel pijn deed. Later herkent hij de mannen van foto’s op Facebook als [verdachte] (verdachte) en [medeverdachte] .

Getuige [getuige 1] (blz. 24) heeft het hiervoor omschreven duw- en trekwerk ook gezien. Hij zag dat een persoon [slachtoffer 2] bij de keel greep. Daarna gingen anderen zich ermee bemoeien, waarbij er volgens [getuige 1] over en weer werd geslagen. Daarna zag getuige [getuige 1] dat de persoon die [slachtoffer 2] bij de keel had gegrepen [slachtoffer 1] een klap gaf op zijn rechteroog, waardoor [slachtoffer 1] naar achteren viel en op zijn rug en zijn hoofd op de grond belandde. [getuige 1] dacht dat [slachtoffer 1] hierdoor even buiten bewustzijn was. Nadat [slachtoffer 1] weer was opgestaan, zei hij dat hij erg veel last had van zijn nek. De persoon waarover [getuige 1] sprak, had rode haren.

Getuige [getuige 2] (blz. 31) had geen alcohol gedronken omdat hij de ‘bob’ was. Hij stond op één meter afstand van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , die een woordenwisseling hadden met twee jongens met rood haar. Ook [getuige 2] zag dat [slachtoffer 2] bij de keel werd vastgepakt en dat meerdere jongens zich ermee begonnen te bemoeien. [slachtoffer 1] probeerde de jongens uit elkaar te halen, waarna hij door één van de jongens echt hard en gericht op zijn gezicht werd geslagen. Hierdoor viel [slachtoffer 1] achterover op straat. Volgens [getuige 2] was [slachtoffer 1] hierdoor even buiten westen. Daarna zei [slachtoffer 1] meteen dat hij last van zijn nek had. Overigens heeft getuige [getuige 2] ook gezien dat [slachtoffer 1] in het steegje naast de Chinees met beide jongens had gevochten. Daarbij werd [slachtoffer 1] door beide jongens hard geslagen. Ook [slachtoffer 1] had geslagen.

Getuige [getuige 3] (blz. 34) heeft eveneens de geweldplegingen gezien waarbij iemand “he rooie” riep en vervolgens [slachtoffer 2] naar de keel greep.

Medeverdachte [medeverdachte] (blz. 55) heeft verklaard dat hij degene is geweest die “he rooie” heeft geroepen tegen een jongen en dat hij even later met hem aan het duwen en het trekken was, waarna omstanders zich er tegenaan gingen bemoeien. Daarna kwamen ze in het steegje terecht waar hij zelf een harde klap heeft gekregen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verder verklaard dat hij de jongen met rood haar een flinke duw heeft gegeven en om zich heen heeft geslagen om zich te beschermen.

Verdachte (blz. 71) heeft verklaard dat hij met medeverdachte [medeverdachte] uit was geweest bij [cafe] , dat hij buiten hoorde dat [medeverdachte] “he rooie” tegen iemand zei en dat er een ruzie ontstond. Verdachte heeft zich toen tussen [medeverdachte] en die rooie jongen gewurmd. Hij heeft verklaard dat hij toen met zijn rechterarm met kracht zijwaarts heeft bewogen om die roodharige jongen van [medeverdachte] af te duwen. Hierdoor raakte die jongen uit balans en kwam ten val.

Bovengenoemde verklaringen werden (relatief) kort na het incident door de politie opgenomen. Daarbij valt op dat de getuigen die tot de vriendenkring van aangever [slachtoffer 1] behoren ook verklaren over [slachtoffer 1] rol in het geheel. Zo heeft [getuige 1] verklaard dat [slachtoffer 1] erg kwaad en opgefokt was en heeft [getuige 2] verklaard dat [slachtoffer 1] één van de jongens geslagen heeft. Die verklaring past bij de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] die heeft verklaard dat hij van een jongen met blond haar en een wit T-shirt een harde klap had gekregen en de volgende dag hoorde dat hij [slachtoffer 1] heette.

Op 18 april 2019 werden nog twee getuigen gehoord over de tenlastegelegde geweldsincidenten, te weten [getuige 4] en [getuige 5] . Daarvan is door de politie een aanvullend proces-verbaal opgemaakt. [getuige 4] heeft verklaard dat hij, toen hij [cafe] verliet, in het steegje (het hof begrijpt: naast de Chinees) drie jongens op iemand zag inslaan. De mishandelde jongen kon geen kant op en werd geslagen door de jongen met de hakenkruistattoo (verdachte) en door een lange man met een klein baardje.

[getuige 5] heeft verklaard dat zij zag dat een man op [slachtoffer 1] insloeg, meerdere keren met gebalde vuisten. De andere man was op [slachtoffer 1] aan het intrappen. [getuige 5] had de mannen daarvoor al binnen in [cafe] gezien. De man die op [slachtoffer 1] insloeg, had rossig, blond haar, de andere had eveneens rossig haar. Later zag zij een foto van deze man en dat hij een tattoo van een hakenkruis op zijn borst zou hebben.

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gezamenlijk [slachtoffer 1] hebben mishandeld en dat [slachtoffer 1] ten gevolge van dat geweld is komen te vallen. Uit de verschillende medische stukken die zich in het dossier bevinden, leidt het hof af dat hij daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ook ten aanzien van de tenlastegelegde openlijke geweldpleging ten aanzien van [slachtoffer 2] is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dit feit hebben gepleegd.

Het hof is voorts van oordeel dat het - anders dan de rechtbank heeft overwogen - voor een bewezenverklaring van de feiten niet relevant is in welke volgorde verdachte en medeverdachte [medeverdachte] met aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in gevecht zijn gekomen en wie waarmee is begonnen. De verklaringen van aangevers worden op essentiële onderdelen ondersteund door meerdere getuigenverklaringen en overigens ook deels door de eigen verklaringen van verdachten, zoals afgelegd ten overstaan van de politie. Dat verklaringen niet (geheel) op elkaar aansluiten of deels tegenstrijdig zijn of dat anderen ook geweld hebben gepleegd, hoeft aan een bewezenverklaring niet in de weg te staan.

Ook de overweging van de rechtbank dat de verklaringen van getuigen niet als geheel onafhankelijk zijn aan te merken, omdat de gehoorde getuigen vrienden van aangevers zijn, volgt het hof niet. Die omstandigheid is in zijn algemeenheid zonder meer niet voldoende om de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring in twijfel te trekken. In deze zaak werden de getuigen afzonderlijk en relatief kort na het incident gehoord en hebben de getuigen ook niet een volstrekt gelijkluidende verklaring afgelegd. Bovendien heeft een aantal van hen ook verklaard over de rol van aangever(s) en hun aandeel in de geweldshandelingen. Het hof acht de hiervoor genoemde getuigenverklaringen derhalve betrouwbaar en zal deze ook voor het bewijs bezigen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 subsidiair:
hij op of omstreeks15januari2017teUlft,gemeenteOudeIJsselstreek,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal,

met kracht tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam te stompen en/of te slaan

en/of door die [slachtoffer 1] (met kracht) bij de hals/nek vast te pakken en vast te houden en/of door die [slachtoffer 1] (achterover) op de grond te stoten en/of te duwen en/of te laten vallen en/of ten gevolge waarvan het stompen en/of slaan die [slachtoffer 1] (achterover) op de grond is gevallen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel,

te weten een fractuur/breuk in (een deel van) een of meer nekwervel(s) (processus uncinatus) en/of een gebroken neus en/of een gebroken jukbeen ten gevolge heeft gehad;

2 primair:
hij op of omstreeks15januari2017teUlft,gemeenteOudeIJsselstreek,

openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [adres]

in elk geval op of aan een openbare weg,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit:

- het (met kracht) vastpakken en/of -houden van/bij de keel en/of hals van die [slachtoffer 2] , en/of

- het meermalen, althans eenmaal, stompen en/of slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Beroep op noodweer

Standpunt van de verdediging

Subsidiair heeft de verdediging een beroep op noodweer gedaan ten aanzien van de tenlastegelegde feiten. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte eerst medeverdachte [medeverdachte] heeft willen beschermen tegen een aanval door (vermoedelijk) [slachtoffer 2] . Dit heeft verdachte gedaan door hem van de medeverdachte [medeverdachte] af te duwen. Vervolgens werd verdachte zelf verschillende keren hard op zijn achterhoofd geslagen en heeft hij zich tegen deze aanval verdedigd door met kracht zijn ellebogen naar achteren te bewegen. Als gevolg daarvan kwam de jongen die verdachte sloeg ten val. Volgens de raadsman was in beide situaties sprake van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door een ander. Als gevolg daarvan moet verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat voor aanvaarding van een beroep op noodweer is vereist dat een feit wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Zoals het hof reeds hiervoor heeft overwogen, is er op 15 januari 2017 te Ulft een vechtpartij ontstaan, waarbij met name verdachte en medeverdachte [medeverdachte] enerzijds en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] anderzijds betrokken waren. Het hof stelt vast dat deze vechtpartij is begonnen nadat medeverdachte [medeverdachte] een vervelende opmerking had gemaakt in de richting van [slachtoffer 2] . Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals deze hiervoor zijn weergegeven, komt niet duidelijk naar voren wie na deze opmerking van medeverdachte [medeverdachte] is begonnen met de aanval. Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze bewijsmiddelen derhalve niet dat verdachte zich heeft verdedigd tegen een aanval door een ander, zoals door de raadsman is betoogd. Het hof acht daarom niet aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Gelderland heeft de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van de hierna aan te geven duur, passend is.

Verdachte heeft zich in januari 2017 in Ulft samen met een ander schuldig gemaakt aan uitgaansgeweld waarbij het na flink alcoholgebruik na sluitingstijd op straat tot een confrontatie is gekomen met andere cafébezoekers. Er werd geprovoceerd, geschreeuwd en gescholden, geduwd en getrokken waarna omstanders zich ermee gingen bemoeien en waarna de confrontatie ontaardde in een forse vechtpartij. Toen het eenmaal uit de hand liep, hebben verdachte en zijn mededader zich niet onbetuigd gelaten en, zoals blijkt uit getuigenverklaringen, fors geweld gepleegd. Hierdoor heeft aangever [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit de slachtofferverklaring is duidelijk geworden welke ingrijpende gevolgen dit voor [slachtoffer 1] en zijn omgeving heeft gehad en nog steeds heeft.

Het is hoogst ergerlijk en kwalijk dat dit soort geweldsdelicten met grote regelmaat in het uitgaansleven voorkomen, met alle ellende van dien. Om die reden dient dit soort gedrag stevig te worden bestraft.

Het hof houdt er in het voordeel van verdachte rekening mee dat hij een kleiner aandeel heeft gehad in de tenlastegelegde feiten dan zijn medeverdachte [medeverdachte] . Vooral daarom zal het hof een lagere straf opleggen dan de straf die door het hof is opgelegd aan de medeverdachte [medeverdachte] .

In het voordeel van verdachte houdt het hof bij de strafoplegging rekening met de omstandigheid dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 mei 2020 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Het hof houdt verder in het voordeel van verdachte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Mede gelet op deze overschrijding is het hof van oordeel, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking genomen, dat volstaan kan worden met de oplegging van een taakstraf van 60 uur (met aftrek van voorarrest). Bij de oplegging van deze straf heeft het hof ook rekening gehouden met de omstandigheid dat werken voor verdachte vanwege zijn psychische problemen bovengemiddeld belastend is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 45.124,90. Daarnaast heeft de benadeelde partij € 2.682,-- aan proceskosten gevorderd. De vordering is bij vonnis waarvan beroep (vanwege de gegeven vrijspraak) niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Daarbij heeft zij de post integriteitsschade ad € 5.000,-- laten vervallen, gevorderd de wettelijke rente over de vergoeding van materiële schade toe te kennen vanaf 29 november 2017 (de datum van het voegingsformulier|) en gevorderd dat aan proceskosten een extra punt (van het liquidatietarief) ad € 1.074,-- wordt toegevoegd. De vordering in hoger beroep bedraagt daarom thans € 40.124,90. Daarnaast wordt € 3.756,-- aan proceskostenvergoeding gevorderd.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij grotendeels dient te worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de jas gaat de advocaat-generaal uit van een schade van € 500,-- (in plaats van € 580,--, zoals is gevorderd) en voor wat betreft de gevorderde vergoeding van reiskosten die door het hof in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] niet zijn toegewezen, heeft hij opgemerkt dat deze kosten onder de noemer van ‘proceskosten’ kunnen worden toegewezen.

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] af te wijzen vanwege de bepleite vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde feit. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat deze een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Verder heeft de verdediging verschillende schadeposten afzonderlijk betwist.

Het hof beoordeelt de vordering op dezelfde manier als in het inmiddels onherroepelijk geworden arrest in de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] en overweegt hierover verder, net zoals in die zaak, als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Het hof acht de gevorderde vergoeding van immateriële schade ad € 7.500,-- voldoende onderbouwd en daarom toewijsbaar.

Met betrekking tot de materiële schade acht het hof de kosten voor bezoek advocaat (€ 26), gesprek officier van justitie (€ 19,91), reiskosten zitting Zutphen (€ 18,77) en parkeren gesprek officier van justitie (€ 11,66) thans niet toewijsbaar, omdat zij niet zonder meer een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde zijn.

Het hof acht ook de gevorderde kosten voor huishoudelijke hulp (€ 273,-- en € 227,50) en het verlies van schooljaar (€ 16.625,--), gelet ook op de uitdrukkelijke betwisting van deze onderdelen van de vordering, niet zonder meer toewijsbaar.

Het hof is van oordeel dat verdere behandeling van de hier genoemde posten een onevenredige belasting van het strafgeding op zou leveren. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De overige gevorderde vergoeding van materiële schade acht het hof wel toewijsbaar, waarbij voor de jas wordt uitgegaan van een bedrag van € 500,--.

Het hof komt aldus tot een toewijsbaar bedrag van € 15.343,06 (vijftienduizend driehonderddrieënveertig euro en zes cent) aan materiële schade. In totaal zal het hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] aldus toewijzen tot een bedrag van € 22.843,06.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, met dien verstande dat de vordering hoofdelijk met de mededader zal worden toegewezen.

Het hof zal ook de gevorderde proceskosten ad € 3.576,-- toewijzen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 47, 57, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 22.843,06 (tweeëntwintigduizend achthonderddrieënveertig euro en zes cent) bestaande uit

€ 15.343,06 (vijftienduizend driehonderddrieënveertig euro en zes cent) materiële schadevergoeding en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schadevergoeding, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 3.576,00 (drieduizend vijfhonderdzesenzeventig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 22.843,06 (tweeëntwintigduizend achthonderddrieënveertig euro en zes cent) bestaande uit € 15.343,06 (vijftienduizend driehonderddrieënveertig euro en zes cent) als vergoeding van materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 149 (honderdnegenenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de vergoeding van de materiële en de immateriële schade op respectievelijk 29 november 2017 en 15 januari 2017.

Aldus gewezen door

mr. E.W. van den Heuvel, voorzitter,

mr. N.C. van Lookeren Campagne en mr. M.S. Groenhuijsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Jansen, griffier,

en op 29 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.S. Groenhuijsen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 29 juni 2020.

Tegenwoordig:

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. J. Zeilstra, advocaat-generaal,

mr. N.E. Versloot, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.