Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4887

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
21-003019-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, te weten: het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 2,1 kilogram (gedroogde) hennep en 53 hennepplanten, tot een taakstraf van 100 uren. Bewijsoverweging met betrekking tot redelijk vermoeden van schuld en wetenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003019-18

Uitspraak d.d.: 26 juni 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 23 mei 2018 met parketnummer 18-215089-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. M.R.M. Schaap, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 23 mei 2018 ter zake van het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 30 mei 2017 te Onstwedde, gemeente Stadskanaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2000 gram hennep en/of 130 gram hennep en/of 53 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Namens verdachte is ter zitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd:

  1. Er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim doordat is binnengetreden zonder redelijk vermoeden van schuld. De anonieme melding in combinatie met de blokmeting is hiervoor onvoldoende onderbouwing. Door dit verzuim is verdachtes huisrecht geschonden. Bewijsuitsluiting is op zijn plaats, aldus de raadsvrouw.

  2. Verdachte had geen wetenschap van de aangetroffen hennep. Die wetenschap kan niet worden gegrond op het gegeven dat de schuur alleen toegankelijk is via de woning. Voor wat betreft de aangetroffen hennepresten heeft verdachte aangegeven dat hij hennep gebruikt bij het vissen. Het vissen met hennep is heel gebruikelijk.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Redelijk vermoeden van schuld (ad a)

Op 6 april 2017 ontvangt de politie een anonieme brief, inhoudende: ‘Volgens goede bronnen wordt er op [adres] in Onstwedde wiet geteeld en drugs verhandeld’. Naar aanleiding van deze melding is van 19 mei 2017 tot 22 mei 2017 door Enexis een netmeting uitgevoerd om te onderzoeken of er sprake was van een afwijkend belastingpatroon in het elektriciteitskabelnet waarop perceel [adres] is aangesloten. Tijdens de meting waren circa drie percelen aangesloten. Geconcludeerd wordt dat het gemeten patroon duidt op een mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij.

In tegenstelling tot de raadsvrouw is het hof van oordeel dat deze anonieme melding gecombineerd met de netmeting, waarbij een 12-uurs cyclus wordt gezien, voldoende grond boden voor een redelijk vermoeden dat in de woning een hennepkwekerij aanwezig was en dat dus de Opiumwet werd overtreden. Met het resultaat van de netmeting wordt de anonieme melding voldoende ondersteund..

Wetenschap (ad b)

Op 30 mei 2017 wordt in een afgetimmerd gedeelte achterin de schuur behorend bij de woning van verdachte een hennepkwekerij met 53 hennepplanten, een trommel met 130 gram gedroogde hennep en zo’n twee kilogram gedroogde henneptoppen aangetroffen.

Verdachte ontkent alle betrokkenheid. Hij heeft verklaard dat hij de in de woonkamer aangetroffen maalmolen gebruikte voor het vermalen van hennep (afkomstig uit de viswinkel) voor het vissen.

Uit het dossier volgt dat:

  • -

    verdachte is de eigenaar van de woning [adres] in Ontswedde;

  • -

    de schuur is verbonden met de woning en is toegankelijk via de woning van verdachte;

  • -

    alleen verdachte en zijn [huurder] maakten gebruik van de woning en de schuur, waarbij [huurder] slechts gebruik maakte van een beperkt deel van de woning;

  • -

    het dossier bevat geen concrete aanknopingspunten dat behoudens verdachte en/of [huurder] nog een ander of anderen betrokken zouden zijn bij de kwekerij;

  • -

    in de woonkamer stond een maalmolen – naar eigen zeggen in gebruik bij verdachte – met daarin hennepresten.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat verdachte wetenschap had van de drugs in zijn woning. De verklaring van verdachte dat hij de maalmolen met daarin hennepresten gebruikt voor het vermalen van hennep voor het maken van visvoer, vindt het hof onvoldoende, gegeven de in de schuur aangetroffen hennepkwekerij.

Alles afwegend acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Plegen of medeplegen?

In de woning van verdachte huurde [huurder] een (slaap)kamer. Zowel verdachte als [huurder] maakte – ook naar eigen zeggen – gebruik van de schuur waar de hennepkwekerij is aangetroffen. Daarnaast is in de kamer van [huurder] de doos van de ventilator aangetroffen behorende bij de ventilator die in de kweekruimte is aangetroffen. Volgens [huurder] , die eveneens alle betrokkenheid ontkent, heeft hij de doos van verdachte gekregen zodat hij deze kon gebruiken voor het oud papier.

Het hof acht het bij deze stand van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met (een) ander(en) opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad. Het dossier bevat hiervoor thans onvoldoende aanwijzingen. Daarbij overweegt het hof ten overvloede dat het gegeven dat [huurder] (een deel van) de schuur gebruikte – mede gelet op de omvang van de schuur en het gegeven dat het om een afgetimmerde ruimte ging waar de hennepplanten zich bevonden – aan dit oordeel niet afdoet.

De verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 mei 2017 te Onstwedde, gemeente Stadskanaal, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2000 gram hennep en 130 gram hennep en 53 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 2,1 kilogram (gedroogde) hennep en 53 hennepplanten. Door zijn handelen heeft verdachte meegewerkt aan de bevordering en instandhouding van het illegale circuit van de productie, handel en het gebruik van softdrugs, door welk circuit ook andere vormen van criminaliteit in de hand worden gewerkt.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 14 mei 2020 blijkt dat verdachte eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een andersoortig strafbaar feit.

Het hof heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waaruit blijkt dat in het geval van een hennepkwekerij met een omvang van 50 tot 100 hennepplanten een geldboete van € 1.000,- passend wordt geacht en dat bij het aanwezig hebben van 500 tot 2500 gram softdrugs als uitgangspunt geldt een taakstraf van 100 uren.

Verder houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken. Daaruit zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die als strafverminderend moeten worden aangemerkt.

Alles afwegend acht het hof – net als de politierechter en de advocaat-generaal – een taakstraf van 100 uren passend en geboden. Daarbij is in aanmerking genomen dat er weliswaar sprake is van tijdsverloop, maar dit leidt niet tot oplegging van een lagere straf omdat het hof tot een andere, ruimere, bewezenverklaring komt dan de politierechter. Het hof ziet geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. G.A. Versteeg, voorzitter,

mr. E.M.J. Brink en mr. H.K. Elzinga, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,

en op 26 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H.K. Elzinga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.