Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4882

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
21-000354-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens openlijke geweldpleging tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uren. Anders dan de verdediging acht het hof het niet aannemelijk geworden dat aangever de moeder van verdachte heeft geslagen of geduwd noch dat hij verdachte heeft geslagen, waarna de tweede confrontatie zou zijn begonnen. Het hof oordeelt dat verdachte de hem verweten gedraging(en) niet heeft verricht in een situatie waarin en op een moment waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het beroep op noodweer wordt verworpen. Benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000354-18

Uitspraak d.d.: 26 juni 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 5 januari 2018 met parketnummer 16-093207-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 juni 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij zal toewijzen tot € 363,62, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. D. Bektesevic, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij voornoemd vonnis ter zake van openlijke geweldpleging veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot € 748,62, hoofdelijk, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij is voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 21 mei 2017 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, openlijk, te weten, in/bij een steeg/brandgang achter de woningen gelegen aan de [adres] en/of [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [benadeelde partij] door voornoemde [benadeelde partij]

- te slaan/stompen in/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam en/of

- te trappen/schoppen tegen het lichaam en/of

- te duwen/trekken tegen/aan het lichaam.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 mei 2017 te Almere, openlijk, te weten, in/bij een steeg/brandgang achter de woningen gelegen aan de [adres] en [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [benadeelde partij] door voornoemde [benadeelde partij]

- te slaan/stompen tegen het gezicht/hoofd en

- te trappen/schoppen tegen het lichaam en

- te duwen tegen het lichaam.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte zag zich geconfronteerd met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en heeft zich hiertegen verdedigd. Dit brengt mee dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ter onderbouwing heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd:

Verdachte kwam naar buiten omdat hij geschreeuw hoorde. Daar zag hij dat zijn moeder een duw kreeg en dat zijn vader een verhitte discussie had met aangever [benadeelde partij] . Hij is naar ze toegegaan om hen uit elkaar te halen. Verdachte kreeg vervolgens een klap van [benadeelde partij] en heeft één keer teruggeslagen.

In hoger beroep is daarnaast door verdachte verklaard dat aangever zijn moeder had geslagen.

Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Op 21 mei 2017 is het tot tweemaal toe tot een handgemeen gekomen tussen de vader van verdachte, medeverdachte, en aangever [benadeelde partij] , die naast elkaar wonen aan de [adres] in Almere.

Verdachte kwam buiten nadat het eerste handgemeen was gesust door buurman [naam] . Vervolgens ontstond er opnieuw een discussie tussen de vader van verdachte en aangever. Nadat aangever tegen de vader van verdachte iets zei in de trant van ‘Ga lekker terug naar Diemen’ begonnen de vader van verdachte en aangever opnieuw te vechten. Ze duwden elkaar en sloegen over en weer met de vuisten in het gezicht. Buurman [naam] sprong er tussen en werd diverse keren geraakt. Ook verdachte mengde zich in het gevecht. Hij sloeg en trapte aangever. Deze buurman heeft verklaard dat hij aan het duwen en trekken was tijdens het gevecht en dat hij hem moest tegenhouden. Ze waren met zijn allen aan het vechten. Na vier à vijf seconden stopte het gevecht. Aangever ging terug naar zijn woning en de vader van verdachte en verdachte bleven staan. De moeder van verdachte is niet betrokken geweest bij het gevecht, want zij stond op enige afstand.

Hieruit volgt dat de vader van verdachte en aangever elkaar in de haren zijn gevlogen na de opmerking ‘Ga lekker terug naar Diemen’. Anders dan de verdediging acht het hof het niet aannemelijk geworden dat aangever de moeder van verdachte heeft geslagen of geduwd noch dat hij verdachte heeft geslagen, waarna de tweede confrontatie zou zijn begonnen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging(en) niet heeft verricht in een situatie waarin en op een moment waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het verweer wordt verworpen.

Verdachte is strafbaar aangezien er ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Op 21 mei 2017 is een langlopend burenconflict tussen verdachtes gezin en buurman [benadeelde partij] geëscaleerd. Na een woordenwisseling is in de brandgang achter de woningen (opnieuw) een handgemeen ontstaan tussen de vader van verdachte en [benadeelde partij] . Verdachte heeft zich gemengd in deze ruzie en heeft daarbij samen met zijn vader aangever [benadeelde partij] geslagen en getrapt.

Door zijn handelen heeft verdachte samen met zijn vader inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever [benadeelde partij] . Daarnaast leveren dergelijke feiten ook gevoelens van onveiligheid op in de samenleving in zijn algemeenheid.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat uit het dossier volgt dat aangever [benadeelde partij] zich ook niet onbetuigd heeft gelaten, terwijl voor verdachte geldt dat hij ineens werd geconfronteerd met een ruzie tussen zijn vader en zijn buurman. Bovendien is gebleken dat de situatie inmiddels tot bedaren is gekomen en er zich geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan. Dit alles weegt het hof ten voordele van verdachte mee bij het bepalen van de straf.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 14 mei 2020 blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met justitie.

Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken.

Alles afwegend acht het hof de oplegging van een taakstaf van 20 uren passend en geboden. In de omstandigheden waaronder het feit is begaan, in het bijzonder ook in het aandeel van aangever, ziet het hof aanleiding om deze straf geheel voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van één jaar.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.248,62. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 748,62. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij gemotiveerd betwist. Zoals hiervoor onder de strafoplegging overwogen, heeft het hof rekening gehouden met enige mate van een eigen aandeel van de benadeelde partij in de hier aan de orde zijnde gebeurtenissen. Voorts zijn in de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij bijkomende zaken geschetst, waarvan het hof niet zonder meer kan vaststellen of deze bijkomende zaken in rechtstreeks causaal verband staan tot het bewezenverklaarde feit, en daarmee aan de geleden schade ten grondslag hebben gelegen.

Het hof is op grond hiervan van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. G.A. Versteeg, voorzitter,

mr. E.M.J. Brink en mr. H.K. Elzinga, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,

en op 26 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H.K. Elzinga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.