Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4845

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
13-07-2020
Zaaknummer
Wahv 200.232.699/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdigheid beroep. Het “beroepschrift” bevat geen persoonsgegevens van de betrokkene en ook geen CJIB-nummer of ander kenmerk waarmee het aan de sanctiebeschikking kan worden gerelateerd. Gelet daarop kan het niet als beroepschrift tegen die beschikking worden aangemerkt. De toezegging van de officier van justitie dat de ontvangstdatum geldt als datum waarop het beroep is ingesteld wanneer alsnog de beschikkingskenmerken worden doorgegeven, maakt dat niet anders. De beroepstermijn is van openbare orde. De officier van justitie is niet bevoegd deze te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.232.699/01

CJIB-nummer

: 201958565

Uitspraak d.d.

: 25 juni 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 8 januari 2018, betreffende

R. de Nekker (hierna: De Nekker),

kantoorhoudende te Heerenveen,

beweerdelijk optredend voor

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

R. De Nekker (hierna: De Nekker) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De advocaat-generaal heeft wel aanvullende stukken overgelegd. Deze zijn (in kopie) doorgestuurd aan De Nekker, waarbij De Nekker de gelegenheid heeft gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat een recente machtiging ontbreekt - de machtiging dateert namelijk van 20 januari 2014, vóór de datum van de gedraging - en de beweerdelijk gemachtigde dit verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld.

2. De Nekker voert aan dat dit oordeel van de kantonrechter onjuist en onbegrijpelijk is. De vertegenwoordigingsbevoegdheid was niet geëindigd. Uit de omstandigheid dat de betrokkene De Nekker een kopie van de inleidende beschikking heeft verstrekt blijkt dat de betrokkene heeft gewild dat daartegen een rechtsmiddel werd aangewend.

3. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 12 februari 2016 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:1084) is het hof van oordeel dat uit de tekst van de door De Nekker overgelegde machtiging blijkt dat hij gerechtigd was om namens de betrokkene beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking en de beslissing van de officier van justitie. Dat de machtiging dateert van vóór de datum van de gedraging doet aan de geldigheid van de machtiging niet af. In dit verband overweegt het hof dat het gezien de aangevoerde bezwaren niet anders kan zijn dan dat de betrokkene aan De Nekker de onderhavige inleidende beschikking heeft verstrekt, daarmee tot uitdrukking brengende dat ook deze zaak onder de reeds eerder afgegeven machtiging dient te worden begrepen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat de volmacht is beëindigd, heeft de kantonrechter de overgelegde machtiging niet ontoereikend kunnen achten. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal deze beslissing dan ook vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Het hof beschouwt het hoger beroep als ingesteld namens de betrokkene.

4. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden.

5. Het hof stelt vast dat het verzoek om te worden gehoord in administratief beroep op juiste wijze is gedaan. Het beroep kan niet als kennelijk niet-ontvankelijk worden beschouwd. Het hof verwijst hiertoe naar zijn arrest van 27 juni 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2016:5210. Gelet hierop heeft de officier van justitie ten onrechte van het horen afgezien. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. De overige bezwaren van de gemachtigde tegen de beslissing van de officier van justitie behoeven daarom geen bespreking.

6. Vervolgens staat het administratief beroep tegen de inleidende beschikking ter beoordeling van het hof.

7. De gemachtigde voert aan dat het administratief beroep op 4 november 2016 is ingesteld en bij de CVOM is ingekomen op 8 november 2016, derhalve tijdig. Bij brief van 16 november 2016 heeft de officier van justitie vanwege het ontbreken van een (juist) CJIB-nummer verzocht een kopie van de inleidende beschikking toe te zenden, gehecht aan ‘deze stukken’. De gemachtigde heeft dit op 1 december 2016 gedaan, zodat het verzuim tijdig hersteld is.

8. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.

9. De inleidende beschikking is op 18 oktober 2016 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 29 november 2016. In het dossier bevindt zich een brief van de gemachtigde, gedateerd 4 november 2016. In deze brief geeft de gemachtigde aan dat de betrokkene hierbij beroep instelt tegen de beschikking met CJIB-nummer. Uit een stempel blijkt dat deze brief op 8 november 2016 door de officier van justitie is ontvangen. Deze brief bevat niet de naam of andere gegevens van een betrokkene of een CJIB-nummer.

10. Op 16 november 2016 heeft de officier van justitie een brief aan de gemachtigde gestuurd met als onderwerp ‘ontbrekende informatie beroepschrift’. Bij deze brief is de brief van de gemachtigde van 4 november 2016 retour gezonden omdat geen CJIB-nummer is vermeld. In de brief is verder vermeld:
‘Ik verzoek u een kopie van de beschikking aan deze stukken te bevestigen en het aan mij retour te sturen, zodat ik het kan behandelen. Als u alle stukken tijdig terugstuurt, inclusief deze brief, kan de verzenddatum van uw originele beroepschrift blijven gelden als de datum van instellen van beroep. Uw beroepschrift moet worden ingediend binnen de wettelijke termijn van zes weken of – als die termijn al verstreken is – binnen vier weken vanaf de verzenddatum van deze brief. Het niet (tijdig) verstrekken van uw beroepschrift kan leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van uw beroep.’

11. Op 1 december 2016 heeft de gemachtigde onder verwijzing naar zijn brief van 4 november 2016 en de brief van de officier van justitie van 16 november 2016 een kopie van de inleidende beschikking aan de officier van justitie toegezonden.

12. Het hof stelt vast dat de brief van de gemachtigde van 4 november 2016 op geen enkele wijze te verbinden is met de betrokkene of met de inleidende beschikking. Daarmee is derhalve geen beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. Dat is eerst gebeurd op 1 december 2016. Toen heeft de gemachtigde door het retourneren van de brief van 16 november met daarbij een kopie van de inleidende beschikking beroep ingesteld tegen deze inleidende beschikking. Dat de officier van justitie in zijn brief van 16 november 2016 heeft gesteld dat de verzenddatum van het originele beroepschrift kan blijven gelden als de datum van het instellen van beroep doet daaraan niet af, nu het door de officier van justitie bedoelde originele beroepschrift niet als beroepschrift tegen de inleidende beschikking kan worden aangemerkt. Aan de in die brief van de officier van justitie van 16 november 2016 opgenomen zinsnede dat het beroepschrift - als de beroepstermijn al verstreken is - binnen vier weken vanaf de verzenddatum van de brief moet worden ingediend, komt niet de betekenis toe dat de beroepstermijn is verlengd nu de beroepstermijn in de wet geregeld is en de officier van justitie niet de bevoegdheid heeft om die te verlengen. Het beroep is derhalve niet tijdig ingesteld.

13. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt – kort gezegd – dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.

14. Hetgeen de officier van justitie in zijn brief van 16 november 2016 heeft aangegeven brengt niet mee dat aan de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld. De gemachtigde is professioneel rechtsbijstandverlener. Van hem mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de wijze waarop beroep moet worden ingesteld en de wettelijke beroepstermijnen en niet zonder meer vertrouwt op door de officier van justitie verstrekte - onjuiste - informatie daaromtrent.

15. Wat wordt aangevoerd, maakt derhalve niet dat het te laat instellen van beroep de betrokkene niet kan worden toegerekend. Gelet hierop zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaren.

16. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.