Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4814

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
19/01158
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3577, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Postzegelhandel. Bron van inkomen. Objectieve voordeelsverwachting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-07-2020
FutD 2020-2004
V-N Vandaag 2020/1750
V-N 2020/44.18.1
NTFR 2020/2141
NLF 2020/1594 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/01158

uitspraakdatum: 23 juni 2020

Uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 augustus 2019, nummer AWB 19/58, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Zwolle (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering als bedoeld in artikel 9.6 van de Wet IB 2001. Dat verzoek heeft de Inspecteur in hetzelfde geschrift afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de (afwijzende) beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren [in] 1948, staat sinds 12 februari 2007 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven als gevolmachtigde van de eenmanszaak met de handelsnaam “ [A] ”. Het handelsregister vermeldt als eigenaar van de eenmanszaak wijlen [B] . De activiteiten van [A] bestaan uit het handelen in postzegels, munten en toebehoren.

2.2.

Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV de volgende bedragen opgenomen in verband met werkzaamheden voor [A] :

jaar

omzet

kosten

resultaat

2004

€ 19.690

€ 39.834

€ -20.144

2005

€ 11.259

€ 28.065

€ -16.806

2006

€ 4.660

€ 9.422

€ -4.762

2007

niets opgenomen

2008

€ 884

€ 6.147

€ -5.263

2009

€ -8.234

€ -

€ -8.234

2010

niets opgenomen

2011

niets opgenomen

2012

niets opgenomen

2013

€ 5.688

€ 13.093

€ -7.405

2014

€ 4.187

€ 20.264

€ -16.077

2015

niets opgenomen

2.3.

Op 16 april 2016 heeft de fiscaal adviseur van belanghebbende de aangifte IB/PVV 2014 ingediend. Het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende bedraagt € 8.903 en bestaat uit inkomsten uit vroegere arbeid van € 22.414 en winst uit onderneming van € 13.511 negatief (saldo fiscale winstberekening € 16.077 negatief + beperkt aftrekbare kosten € 367 + MKB-winstvrijstelling € 2.199).

2.4.

Op 19 september 2017 heeft de Inspecteur een brief verzonden naar de fiscaal adviseur van belanghebbende. In die brief kondigt de Inspecteur aan dat hij van de ingediende aangifte IB/PVV 2013 afwijkt in die zin dat hij geen rekening houdt met de aangegeven negatieve winst uit onderneming omdat volgens hem met de activiteiten redelijkerwijs geen voordeel kan worden verwacht waardoor geen sprake is van een bron van inkomen. De brief vermeldt tevens dat bij een boekenonderzoek in 2007 door de Belastingdienst al het standpunt is ingenomen dat de postzegelhandel van belanghebbende voor de inkomstenbelasting geen bron van inkomen is.

2.5.

Met dagtekening 12 oktober 2017 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2014 opgelegd. Bij de aanslag is de aangifte gecorrigeerd met de door belanghebbende opgegeven negatieve winst uit onderneming. Het belastbare inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van belanghebbende is vastgesteld op € 22.414.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de werkzaamheden van belanghebbende voor [A] een bron van inkomen vormen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en tot vermindering van de aanslag IB/PVV. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Een voordeel kan slechts inkomen zijn indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie (vgl. HR 3 maart 1954, nr. 11.683, BNB 1954/125 en HR 1 februari 2002, nr. 36.238, ECLI:NL:HR:2002:AD8763) worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

4.2.

Niet in geschil is dat de activiteiten van belanghebbende in het economische verkeer hebben plaatsgevonden en dat belanghebbende het oogmerk had om daarmee voordeel te behalen. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt.

4.3.

In het kader van de objectieve voordeelsverwachting dient te worden onderzocht of de activiteiten van belanghebbende voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn dan wel of daarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij belanghebbende, zij het in de toekomst, positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren (HR 14 oktober 2005, nr. 40.224, ECLI:NL:HR:2005:AR6821).

4.4.

De vraag of in een bepaald jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het desbetreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (vgl. HR 24 juni 2011, nr. 10/01299, ECLI:NL:HR:2011:BP5707).

4.5.

Op belanghebbende rust de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat met betrekking tot zijn werkzaamheden voor [A] in het onderhavige jaar sprake was van een objectieve voordeelsverwachting.

4.6.

Het Hof acht belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Vaststaat dat de activiteiten van belanghebbende sinds 2004 nimmer tot positieve resultaten hebben geleid. Belanghebbende heeft wel omzet behaald, maar de kosten hebben de omzet steeds in aanzienlijke mate overtroffen. Het is aan belanghebbende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan hij mocht verwachten dat hij in 2014, objectief bezien, een toekomstige positieve opbrengst uit de activiteiten mocht verwachten. Hij heeft daarvoor niets aangevoerd en heeft geen stukken, zoals bijvoorbeeld een prognose of een ondernemingsplan, overgelegd. Het Hof is alles overziend met de Rechtbank van oordeel dat de werkzaamheden van belanghebbende voor [A] geen bron van inkomen vormen. Het negatieve resultaat kan daarom in 2014 niet in aftrek worden gebracht. De stelling van belanghebbende dat kleine ondernemingen worden gediscrimineerd ten opzichte van grote ondernemingen zoals Zalando en Hema die ook nog nooit winst hebben gemaakt, maakt dat – wat daarvan ook zij – niet anders omdat de gevallen waar belanghebbende naar verwijst niet vergelijkbaar zijn met belanghebbende.

4.7.

Belanghebbende klaagt erover – zo begrijpt het Hof – dat de Inspecteur hem dan wel wijlen [B] nimmer in kennis heeft gesteld van de omstandigheid dat de activiteiten in het kader [A] geen bron van inkomen vormen. De Inspecteur is hiertoe evenwel niet verplicht. Bovendien moet het belanghebbende, gelet op het in 2007 gehouden boekenonderzoek (zie 2.4), duidelijk zijn geweest dat de Inspecteur zich op dat standpunt stelde. Dat de Inspecteur bij belanghebbende het vertrouwen heeft gewekt dat hij een ander standpunt innam dan destijds, is gesteld noch gebleken.

4.8.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 23 juni 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige belastingkamer,

(E.D. Postema) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 juni 2020

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.