Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4804

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
200.255.665/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Huurzaak.

Belang van huurder bij vorderingen in hoger beroep vervallen, omdat de huurovereenkomst inmiddels is beëindigd?

Gedeeltelijke bekrachtiging van door de kantonrechter uitgesproken veroordelingen, namelijk tot de datum waarop de huurrelatie is geëindigd.

Aanpassing van door de kantonrechter opgelegde dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.255.665

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere 7424305)

arrest in kort geding van 23 juni 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M. Kashyap,

tegen

[geïntimeerde1] , en
[geïntimeerde2],

beiden wonende te [B] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.
en afzonderlijk: [geïntimeerde1] respectievelijk [geïntimeerde2],

advocaat: mr. M.R. Koppe.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 31 januari 2019 dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere (hierna: de kantonrechter) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 28 februari 2019,
- het tussenarrest van 30 april 2019 waarin een comparitie na aanbrengen is bepaald,
- het proces verbaal van de op 24 oktober 2019 gehouden comparitie na aanbrengen,

- de memorie van grieven met producties,
- de memorie van antwoord met producties,
- de dagbepaling voor een enkelvoudige comparitie te houden op 15 juni 2020,

- het bericht van partijen dat zij instemmen met het wijzen van arrest op het comparitiedossier.

2.2

Het hof heeft arrest bepaald op het dossier van de niet gehouden comparitie.

2.3

[appellant] heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om in de fase van beraad over het houden van een comparitie te reageren op de door [geïntimeerden] c.s. bij memorie van antwoord overgelegde producties.

3 Inleiding

De zaak betreft een huurgeschil. In eerste aanleg heeft de kantonrechter de verhuurder ( [appellant] ) op vordering van de huurders ( [geïntimeerden] c.s.) onder andere veroordeeld tot het herstellen van verschillende gebreken. Aan die veroordeling zijn dwangsommen verbonden. In hoger beroep staat centraal de veroordeling om de CV ketel te vernieuwen. [geïntimeerden] c.s. hebben aanspraak gemaakt op een bedrag van € 5.000,- aan verbeurde dwangsommen, omdat [appellant] volgens hen aan die veroordeling niet heeft voldaan. Hij heeft wel enkele reparaties aan de ketel laten verrichten, maar heeft de ketel niet verneiuwd. [appellant] vecht in hoger beroep de veroordeling tot vernieuwing van de ketel aan en ook de (hoogte van de) daaraan verbonden dwangsom.

4 De vaststaande feiten en het geding in eerste aanleg

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

4.1

[geïntimeerden] c.s. hebben met ingang van 1 november 2016 van [appellant] gehuurd de benedenwoning op het adres [a-straat] 87 te [A] . De bovenwoning had [appellant] verhuurd aan een derde (mevrouw [C] ). De aanvangshuur bedroeg € 710,- per maand.

4.2

Op 16 januari 2018 hebben [geïntimeerden] c.s. bij [appellant] melding gemaakt van verschillende gebreken aan het gehuurde. Op 11 maart 2018 hebben [geïntimeerden] c.s. bij de Huurcommissie een verzoek tot huurverlaging ingediend vanwege ernstige onderhoudsgebreken. Op 10 september 2018 heeft de Huurcommissie uitspraak gedaan.
Volgens de Huurcommissie vertoont het gehuurde vijf ernstige gebreken (in de categorie C). Vanwege die gebreken heeft de Huurcommissie de huur verlaagd tot 40% van de geldende huurprijs (€ 284,- per maand), vanaf 1 februari 2018 tot de eerste van de maand nadat alle gebreken zijn hersteld. Daarbij heeft de Huurcommissie opgemerkt dat het aan huurder en verhuurder is om te beslissen om de korting wel of niet toe te passen, omdat partijen overeenstemming hebben over het benodigd herstel en dit zo spoedig mogelijk volgt.
[appellant] heeft na die uitspraak geen beslissing van de kantonrechter gevraagd over de punten waarover de Huurcommissie heeft geoordeeld.

4.3

[geïntimeerden] c.s. zijn vanaf 1 oktober 2018 de verlaagde huurprijs gaan betalen en hebben op 15 november 2018 [appellant] gesommeerd tot terugbetaling van de teveel betaalde huur over de periode van 1 februari 2018 tot 1 oktober 2018, een bedrag van € 3.408,-.

4.4

Op 28 december 2018 hebben [geïntimeerden] c.s. [appellant] gedagvaard in kort geding.
In die procedure hebben [geïntimeerden] c.s. een groot aantal vorderingen ingesteld tegen [geïntimeerden] .

De strekking daarvan was dat [appellant] veroordeeld diende te worden tot herstel van de door de Huurcommissie geconstateerde gebreken, en daarnaast tot herstel van nog verschillende andere gebreken, waaronder vernieuwing dan wel herstel van de CV ketel. Verder vorderden [geïntimeerden] c.s. veroordeling van [appellant] tot het nemen van maatregelen ter beëindiging van de geluidsoverlast door de bovenbuurvrouw, terugbetaling van teveel betaalde huur en verdere verlaging van de huurprijs vanaf 28 juni 2018 vanwege nieuwe gebreken en geluidsoverlast.

4.5

De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. In het vonnis in kort geding van 31 januari 2019 heeft de kantonrechter de volgende beslissing gegeven, uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten:

5.1.

veroordeelt [appellant] de gebreken genoemd in de uitspraak van de Huurcommissie

binnen 14 dagen na datum vonnis, te herstellen;

5.2.

veroordeelt [appellant] de CV ketel binnen twee dagen na heden te vernieuwen, op

straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag waarbij [appellant]

verzuimt te voldoen aan het hiervoor bepaalde, zulks met een maximum van

€ 5.000,00;

5.3.

veroordeelt [appellant] de kapotte regenpijp te herstellen binnen 14 dagen na heden,

op straffe van een dwangsom van € 75,00 per dag voor iedere dag waarbij [appellant]

verzuimt te voldoen aan het hiervoor bepaalde, zulks met een maximum van

€ 2.250,00;
5.4. bepaalt dat [appellant] de etens- en afvalresten uit de tuin van [geïntimeerden] c.s. verwijdert

op zijn kosten, binnen een termijn van 14 dagen na heden, op straffe van een

dwangsom van € 50,00 per dag voor iedere dag waarbij [appellant] verzuimt te

voldoen aan het hiervoor bepaalde, zulks met een maximum van € 1.000,00;

5.5.

bepaalt dat [appellant] binnen 30 dagen na heden op zijn kosten een erkend

geluidsisolatiebedrijf inschakelt om burenlawaai en de geluidsisolatie van de vloer

van de bovenbuurvrouw en het plafond van [geïntimeerden] c.s. te onderzoeken en

oplossingen te laten voorstellen, op straffe van een dwangsom van € 75,00 per dag

voor iedere dag waarbij [appellant] verzuimt te voldoen aan het hiervoor bepaalde,

zulks met een maximum van € 2.250,00;

5.6.

veroordeelt [appellant] tot betaling van € 3.408,00 aan [geïntimeerden] c.s., zijnde de

huurverlaging vanaf 1 februari 2018 tot en met september 2018;
(…)

4.6

Op 7 februari 2019 werden [geïntimeerden] c.s. ermee bekend dat zij een andere woning konden gaan huren, hun huidige woning in [B] . Op 26 februari 2019 hebben zij de huur aan [appellant] opgezegd tegen 1 april 2019.

4.7

[appellant] heeft de woning aan de [a-straat] 87 op 12 februari 2019 verkocht. De levering van de woning heeft plaatsgevonden op 19 maart 2019.

4.8

[appellant] heeft de CV ketel niet vervangen. Wel heeft hij op 19 en 22 januari 2019, dus na de mondelinge behandeling en nog vóór de uitspraak van de kantonrechter, daaraan reparaties laten verrichten (vervanging van de printplaat en van het gasblok).
[geïntimeerden] c.s. hebben jegens [appellant] aanspraak gemaakt op verbeurde dwangsommen tot een bedrag van € 5.000,- vanwege het niet vernieuwen van de CV ketel.

5 De vordering in hoger beroep

[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de kantonrechter en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. in eerste aanleg, althans de vordering tot vernieuwing van de CV ketel, en de vordering tot het opleggen van dwangsommen af te wijzen, althans de dwangsommen te matigen.

Verder vordert [appellant] schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis en veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de kosten van beide instanties.

6 De motivering van de beslissing in hoger beroep

6.1

[appellant] is in hoger beroep gekomen onder aanvoering van vier grieven (genummerd 1 tot en met 4).

6.2

Grief 1 is gericht tegen de vaststelling van de feiten. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter de feiten onjuist of niet volledig weergegeven.
Bij die grief heeft [appellant] geen belang omdat het hof de feiten zelf opnieuw heeft vastgesteld en daarbij heeft gelet op wat [appellant] over de feiten heeft aangevoerd.

6.3

In grief 2 voert [appellant] aan dat [geïntimeerden] c.s. geen spoedeisend belang meer hebben bij hun vorderingen omdat de huurovereenkomst inmiddels is geëindigd en bovendien nakoming van de vorderingen voor [appellant] blijvend onmogelijk is geworden na de levering van de woning aan de koper. Reeds vanwege het ontbreken van dat spoedeisend belang dient het bestreden vonnis vernietigd te worden, aldus [appellant] .

6.4

Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437).

6.5

De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak.

6.6

Het hof stelt vast dat aan de huurovereenkomst tussen [geïntimeerden] c.s. en [appellant] een einde is gekomen op 19 maart 2019, toen [appellant] de aan [geïntimeerden] c.s. verhuurde woning heeft geleverd aan de nieuwe eigenaar. Vanaf die datum was [appellant] jegens [geïntimeerden] c.s. niet langer in staat en (dus) ook niet gehouden tot het voldoen aan zijn verhuurdersverplichtingen. [geïntimeerden] c.s. hebben vanaf die datum daarom niet langer een belang bij hun vorderingen om [appellant] te veroordelen tot nakoming van die verplichtingen.
Daarmee zijn die vorderingen in hoger beroep niet toewijsbaar. Dat op zichzelf staat in de weg aan bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover het betreft de veroordelingen uitgesproken onder de nummers 5.1. tot en met 5.5. voor zover die veroordelingen ook werking hebben over de periode vanaf 19 maart 2019. In zoverre slaagt grief 2.

6.7

Die niet toewijsbaarheid van de vorderingen vanwege het ontbreken van belang geldt niet voor de vordering toegewezen onder 5.6.; die vordering strekt niet tot nakoming door [appellant] van een verhuurdersverplichting, maar tot terugbetaling door hem van huur die door [geïntimeerden] c.s. onverschuldigd zou zijn betaald.
6.8 Dat [geïntimeerden] c.s. niet langer een belang hebben bij hun vorderingen die in het bestreden vonnis zijn toegewezen onder de nummers 5.1. tot en met 5.5. laat onverlet dat zij belang hebben behouden bij beoordeling van dat vonnis voor zover het betreft de periode tot 19 maart 2019. In het bijzonder met het oog op de vraag of [appellant] tot die datum dwangsommen heeft verbeurd wegens het niet nakomen van de veroordeling tot vernieuwing van de CV ketel - de veroordeling uitgesproken onder nummer 5.2. - en ook met het oog op de in dat vonnis uitgesproken kostenveroordeling. Het gaat er daarbij om of die veroordelingen terecht zijn uitgesproken. [appellant] heeft een spiegelbeeldig belang bij een dergelijke beoordeling van dat vonnis.

6.9

Het hof zal hierna eerst ingaan op de vraag of de veroordeling uitgesproken onder nummer 5.6. bekrachtigd dient te worden. Daarna zal worden beoordeeld of de veroordeling onder 5.2. en de daaraan verbonden dwangsom terecht is uitgesproken.
Tenslotte zal met het oog op de proceskostenveroordeling nog worden beoordeeld in hoeverre de overige veroordelingen terecht zijn uitgesproken.
In die bespreking zullen de grieven 3 en 4 worden meegenomen. Grief 3 is daarbij gericht tegen de veroordelingen uitgesproken onder de nummers 5.1. en 5.2. en grief 4 tegen de dwangsom verbonden aan de veroordeling uitgesproken onder nummer 5.2.

t.a.v. de veroordeling uitgesproken onder 5.6.

6.10

Deze veroordeling heeft betrekking op de huur die [geïntimeerden] c.s. in de periode van
1 februari 2018 tot 1 oktober 2018 onverschuldigd zouden hebben voldaan. [geïntimeerden] c.s. hebben in die periode de volledige huur betaald, terwijl zij volgens de uitspraak van de Huurcommissie over die periode alleen 40% van de huur verschuldigd waren.

Over de maanden oktober tot en met december 2018 hebben [geïntimeerden] c.s. alleen 40% van de huur voldaan. De maand januari 2019 hebben zij volledig voldaan en de maanden februari en maart 2019 weer voor 40%.

6.11

[appellant] heeft niet (gemotiveerd) aangevoerd dat [geïntimeerden] c.s. ook bij hun vordering tot restitutie van teveel betaalde huur over de periode van 1 februari 2018 tot 1 oktober 2018 inmiddels geen (spoedeisend) belang meer hebben en ook het hof acht dat belang nog steeds aanwezig.

6.12

Hoewel [appellant] geen specifieke grief heeft gericht tegen de toewijzing van die vordering leest het hof in de door [appellant] gegeven toelichtingen op zijn grieven wel een mogelijke, verholen grief tegen die toewijzing.

6.13

Naar het hof begrijpt stelt [appellant] zich op het standpunt dat [geïntimeerden] c.s. zich vanaf
1 oktober 2018 in redelijkheid niet meer konden beroepen op de huurverlaging, omdat zij het herstel van de gebreken zelf hadden tegengewerkt door geen afspraak te maken met de door [appellant] ingeschakelde aannemer. Als zij wel hadden meegewerkt, hadden de gebreken al in oktober 2018 verholpen kunnen zijn. Vanaf 1 januari 2019 kwam [geïntimeerden] c.s. ook niet meer de bevoegdheid toe om een lagere huur te betalen, omdat de gebreken op 21 december 2018 waren verholpen.

6.14

[geïntimeerden] c.s. hebben gemotiveerd betwist dat zij herstel hebben tegengewerkt. Volgens hen ligt dat ook totaal niet voor de hand, omdat zij al vanaf november 2016 bezig waren geweest om de gebreken hersteld te krijgen. Verder hebben zij betwist dat de door de Huurcommissie vastgestelde gebreken op 21 december 2018 al helemaal verholpen waren. Volgens hen was dat pas op 13 februari 2019 het geval, nadat de aannemer van [appellant] nog weer een keer langs was geweest.

6.15

Voor het geval [appellant] met zijn stellingen heeft willen aanvoeren dat [geïntimeerden] c.s. aan hem nog achterstallige huur dienen te betalen over de maanden oktober tot en met december 2018, en februari en maart 2019, geldt dat [appellant] niet een vordering daartoe heeft ingesteld. Als [appellant] heeft bedoeld een beroep te doen op verrekening van de vordering van [geïntimeerden] c.s. op hem tot restitutie van de teveel betaalde huur over de periode 1 februari 2018 tot 1 oktober 2018 met een vordering van hem op hen tot betaling van achterstallige huur over een latere periode, geldt dat hij een dergelijk beroep met onvoldoende scherpte naar voren heeft gebracht. Bovendien geldt voor een dergelijk beroep dat ook niet is voldaan aan de voorwaarden voor verrekening. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden] c.s. van de stellingen van [appellant] kan de gegrondheid van een eventueel beoogd beroep op verrekening namelijk niet eenvoudig worden vastgesteld. Er bestaat geen grond om daarop in kort geding vooruit te lopen.

6.16

[appellant] heeft verder nog aangevoerd dat [geïntimeerden] c.s. € 3.000,- hebben ontvangen van de koper van de woning “in verband met de uitspraak van 31 januari 2016”. [appellant] heeft echter niet duidelijk gemaakt wat hij daarmee beoogt. [geïntimeerden] c.s. hebben op die opmerking (daarom) ook niet gereageerd. Van een voldoende kenbare (verholen) grief is daarmee geen sprake.

Voor de volledigheid merkt het hof hierbij nog op dat als [appellant] hiermee heeft bedoeld aan te voeren dat de koper van de woning al gedeeltelijk zijn schulden aan [geïntimeerden] c.s. heeft voldaan, dit dan kennelijk is gebeurd na het vonnis en dat een dergelijke betaling op zichzelf niet in de weg staat aan toewijzing van de betreffende vordering en in hoger beroep aan bekrachtiging van de veroordeling daartoe (maar eventueel wel aan het nogmaals incasseren daarvan). Overigens valt zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet in te zien dat en waarom de koper een schuld van [appellant] aan [geïntimeerden] c.s. zou hebben voldaan en is ook niet duidelijk welke schuld dat dan betreft.

6.17

Omdat [appellant] geen andere, voldoende kenbare, bezwaren tegen de veroordeling naar voren heeft gebracht, zal het bestreden vonnis op dit onderdeel bekrachtigd te worden.

t.a.v. de veroordeling onder 5.2.

6.18

Deze veroordeling verplichtte [appellant] tot het vernieuwen van de CV ketel.
Vast staat dat [appellant] de CV ketel niet heeft vervangen, maar daaraan (nog voor de uitspraak, en dus niet ter uitvoering van het vonnis) alleen enkele reparaties heeft laten uitvoeren.

6.19

Volgens [appellant] dient onder vernieuwen ook verstaan te worden het gedeeltelijk vernieuwen van het apparaat waardoor dit weer naar behoren functioneert.
Naar het hof begrijpt, bedoelt [appellant] hiermee aan te voeren dat hij aan de veroordeling heeft voldaan. Die stelling heeft betrekking op de vraag of [appellant] ook dwangsommen heeft verbeurd, omdat hij de veroordeling niet zou zijn nagekomen. Die kwestie betreft echter de executie van het vonnis en valt daarmee buiten de reikwijdte van dit geding, waarin het (alleen) gaat om de vraag of de veroordeling wel uitgesproken had moeten worden en daaraan een dwangsom verbonden had moeten worden.
Overigens is herstel door het vervangen van enkele onderdelen van een apparaat evident niet hetzelfde als het vernieuwen van het apparaat. Zeker niet als vernieuwing dan wel herstel is gevorderd, en vernieuwing is toegewezen.

6.20

[appellant] heeft verder aangevoerd dat plaatsing van een nieuwe ketel niet van hem verlangd kon worden. Hij heeft er daarbij op gewezen dat het goed functioneren van de ketel ook bereikt kon worden door reparatie, zeker gelet op de korte periode dat de huurrelatie nog maar duurde.

6.21

De vraag of de veroordeling tot vernieuwing van de CV ketel terecht is uitgesproken dient te worden beoordeeld met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van de beslissing in hoger beroep, afgezien van de omstandigheid dat het spoedeisend belang inmiddels is komen te vervallen (vgl. HR 3 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1050, NJ 1993/714).

6.22

De kantonrechter heeft overwogen dat [appellant] tijdens de mondelinge behandeling meerdere gebreken heeft erkend en de toezegging heeft gedaan die te herstellen. Onder meer betrof dit de toezegging om de CV ketel te vervangen. Volgens de kantonrechter waren de op die gebreken betrekking hebbende vorderingen daarom toewijsbaar zonder een nadere inhoudelijke beoordeling (rov. 4.1.).

6.23

[appellant] heeft betwist dat hij tijdens de mondelinge behandeling heeft toegezegd de CV ketel te zullen vervangen. In ieder geval heeft hij dat naar zijn zeggen niet bedoeld. Volgens hem heeft hij alleen willen instemmen met de reparatie daarvan. Een goed functioneren van de ketel zou ook kunnen worden bereikt met reparatie daarvan en vervanging van de ketel kon daarom ook niet van hem worden gevergd, aldus [appellant] .
Omdat [geïntimeerden] c.s. al per april 2019 hun nieuwe woning hebben betrokken, hebben zij volgens [appellant] ook geen belang bij hun vordering tot vervanging.

6.24

Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de waarneming van de kantonrechter dat [appellant] tijdens de mondelinge behandeling wel heeft toegezegd de ketel te zullen vervangen. Die waarneming vindt bovendien bevestiging in het Whatsappverkeer tussen partijen. Zo appt [appellant] op 8 december 2018 aan [geïntimeerden] c.s dat hij aan het kijken is naar een nieuwe ketel (zie prod. 7 bij inleidende dagvaarding).
Aan die toezegging, die ook volgens [geïntimeerden] c.s. is gedaan, is [appellant] dan gebonden.

Dat de huurrelatie al kort nadien is beëindigd doet daar niet aan af. Uit de overgelegde Whatsappcorrespondentie blijkt dat [geïntimeerden] c.s. al vanaf november 2016 hebben geklaagd over het functioneren van de (al zo’n 18 jaar oude) CV ketel, maar dat [appellant] tot aan de mondelinge behandeling daar nimmer adequaat op heeft gereageerd. Als [appellant] dan uiteindelijk toezegt die ketel te zullen vervangen, dient hij die toezegging ook gestand te doen.
De veroordeling tot vernieuwing van de ketel is dan ook terecht uitgesproken en zal dus bekrachtigd worden voor zover het betreft de periode tot 19 maart 2019.

6.25

Aan die veroordeling is ook terecht een dwangsom verbonden om te bewerkstelligen dat [appellant] zijn toezegging ook zou nakomen.
In de omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat [appellant] inmiddels al wel reparaties had laten uitvoeren die naar redelijke verwachting tijdelijk soelaas zouden kunnen bieden, ziet het of wel aanleiding om de per dag te verbeuren dwangsom te matigen tot een bedrag van € 50,- per dag. In zoverre zal aan de veroordeling een gewijzigde (lagere) dwangsom per dag worden verbonden.

t.a.v. de overige veroordelingen

6.26

[appellant] heeft alleen een grief gericht tegen de veroordeling tot het herstellen van de door de Huurcommissie geconstateerde gebreken.

6.27

[appellant] heeft aangevoerd dat de gebreken al op 21 december 2018 waren hersteld.

Hij heeft echter niet gemotiveerd weersproken dat hij, zoals de kantonrechter in haar vonnis heeft overwogen, tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd dat nog sprake is van vochtplekken in de hal. Daarmee heeft [appellant] niet genoegzaam onderbouwd dat op

21 december 2018 inderdaad al alle gebreken waren verholpen. Daarbij wordt opgemerkt dat de vraag wat de oorzaak van dat nog resterende gebrek was - volgens [appellant] waren de vochtplekken niet ontstaan door lekkage vanaf het balkon van de bovenburen (zoals de Huurcommissie heeft aangenomen), maar door vocht van binnenuit de woning - niet afdoet aan het bestaan van het gebrek als zodanig.

6.28

Voor zover [appellant] heeft beoogd aan te voeren dat de veroordeling onterecht is, omdat [geïntimeerden] c.s. hun medewerking hadden geweigerd aan het verhelpen van de gebreken, geldt dat, zoals hiervoor al is overwogen, [appellant] die stelling tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan niet genoegzaam heeft onderbouwd. Dat het kennelijk lastig bleek om een afspraak te maken tussen de door [appellant] ingeschakelde aannemer (“ [D] ”) en [geïntimeerden] c.s. is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat [geïntimeerden] c.s. hun medewerking niet hebben verleend.

6.29

Het moet er derhalve voor worden gehouden dat ook de overige veroordelingen terecht zijn uitgesproken. Het hof verenigt zich verder met de aan die veroordelingen verbonden dwangsommen. [appellant] heeft bij een wijziging daarvan overigens ook geen belang omdat [geïntimeerden] c.s. alleen aanspraak hebben gemaakt op verbeurde dwangsommen met betrekking tot de veroordeling tot vernieuwing van de CV ketel.
Deze veroordelingen zullen derhalve worden bekrachtigd voor zover het betreft de periode tot 19 maart 2019.

6.30

[appellant] blijft daarmee in eerste aanleg de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, zodat hij in eerste aanleg terecht in de proceskosten is veroordeeld. Het bestreden vonnis zal derhalve ook op dat punt worden bekrachtigd.

7 De slotsom

7.1

De grieven slagen gedeeltelijk. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd ten aanzien van de onder 5.6. uitgesproken veroordeling en de proceskostenveroordeling. De veroordelingen onder 5.1., 5.3., 5.4. en 5.5. zullen gedeeltelijk worden bekrachtigd, namelijk voor zover die veroordelingen zien op de periode tot 19 maart 2019.
De veroordeling onder 5.2. zal eveneens gedeeltelijk worden bekrachtigd over de periode tot 19 maart 2019, maar met wijziging van de daaraan verbonden dwangsom.

7.2

De uitkomst van deze procedure is daarmee dat [appellant] ook in hoger beroep moet worden aangemerkt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zodat hij zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] c.s worden begroot op € 324,- voor griffierecht en op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief
(1 punt x tarief II).

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

8 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Almere van 31 januari 2019 voor zover het betreft de veroordeling in dat vonnis uitgesproken onder 5.6.;

bekrachtigt de veroordelingen uitgesproken onder 5.1., 5.3., 5.4. en 5.5 voor zover het betreft de periode tot 19 maart 2019;


bekrachtigt de veroordeling uitgesproken onder 5.2. voor zover het betreft de periode tot

19 maart 2019, onder wijziging van de aan die veroordeling verbonden dwangsom, aldus dat de aan de veroordeling verbonden dwangsom wordt bepaald op een bedrag van € 50,- per dag met een maximum van € 5.000,-;

bekrachtigt de in het vonnis uitgesproken kostenveroordeling en de uitvoerbaar verklaring bij voorraad;

vernietigt het vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op € 324,- aan verschotten en op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, M.E.L. Fikkers en H. de Hek en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2020.