Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4750

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
29-07-2020
Zaaknummer
200.272.879
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming voor verhuizing naar buitenland en zorgregeling. Weliswaar geen consultatie door moeder voorafgaand aan beslissing om te verhuizen, maar niet doorslaggevend voor toestemming voor verhuizing. Weloverwogen, voldoende doordachte keuze. 1:253a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.272.879

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 484762)

beschikking van 23 juni 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. R.C. Vermeer te Arnhem,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.J. Coxon te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna ook: de rechtbank), van 12 december 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 januari 2020;

- het verweerschrift met productie;

- een journaalbericht van mr. J.L. Vermeer, kantoorgenoot van mr. R.C. Vermeer,

van 9 juni 2020 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 11 juni 2020 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.L. Vermeer. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [B] verschenen.

3 De feiten

3.1

De ouders hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2013 te [C] , en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2015 te [C] .

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

3.2

Uit het door partijen op 30 maart 2018 getekende ouderschapsplan blijkt dat de vader en de moeder als zorgregeling zijn overeengekomen dat de kinderen in de oneven weken op vrijdag (van 7.00 uur tot vrijdagavond na de avondmaaltijd) en in de even weken van vrijdagavond tot zondagavond bij de vader verblijven.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil de vervangende toestemming voor de verhuizing van de moeder met de kinderen en, daarmee samenhangend, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen.

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft de rechtbank:

- de moeder vervangende toestemming verleend om met de kinderen in de zomer van 2020 naar [D] (België) te verhuizen;

- de moeder vervangende toestemming verleend om de kinderen in te schrijven op twee verschillende basisscholen, namelijk [a-school] te [D] en [b-school] in [E] ;

- de zorgregeling gewijzigd, in die zin dat de kinderen om de week van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur en de helft van de schoolvakanties bij de vader verblijven, waarbij de moeder de kinderen haalt en brengt.

4.2

De vader is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat zijn aanvankelijk ingediende verzoek alsnog wordt toegewezen en het zelfstandig tegenverzoek van de moeder alsnog wordt afgewezen.

4.3

De moeder voert verweer en verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel de verzoeken van de vader af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

5.2

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind en daarmee samenhangend de schoolkeuze van het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

5.3

Overeenkomstig vaste rechtspraak dient het hof bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de

verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in

een vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de

verhuizing;

- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is

in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

5.4

De ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft, dient in beginsel de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing rechtvaardigen. Hierna zal worden beoordeeld of de keuze van de moeder om te verhuizen in het kader van de verdere belangenafweging valt te rechtvaardigen.

5.5

Het hof zal de grieven van de vader in onderlinge samenhang bespreken, aangezien deze grieven nauw met elkaar samenhangen. De vader heeft aangevoerd dat bij de beslissing van de rechtbank om de moeder toestemming te geven naar België te verhuizen geen rekening is gehouden met zijn belangen en dat de zorgregeling ingrijpend is gewijzigd. Ook had de rechtbank een raadsonderzoek moeten laten uitvoeren, aldus de vader.

5.6

Het hof stelt vast dat de moeder de vader niet voorafgaand aan haar beslissing heeft geconsulteerd, maar in feite haar besluit om te verhuizen al had genomen op het moment dat zij dit aan de vader meedeelde. Daarmee heeft de vader begrijpelijkerwijs het gevoel gekregen dat hij voor een voldongen feit werd gesteld. Hierdoor is het overleg tussen partijen over alternatieven of compensatie niet goed van de grond gekomen. Hoewel dit valt te betreuren, kan dit niet doorslaggevend zijn bij de beslissing of aan de moeder toestemming voor de verhuizing dient te worden gegeven. Uit hetgeen de moeder heeft verklaard volgt dat sprake is van een weloverwogen, voldoende doordachte keuze. De moeder voelt zich niet prettig in de omgeving van [A] , voelt zich een stuk gelukkiger in België en bouwt daar inmiddels een sociaal netwerk op. Haar sociale netwerk in Nederland is beperkt. Tot aan de mededeling over de verhuizing verliep de onderlinge communicatie goed. Het hof gaat ervan uit dat partijen in staat zullen zijn die communicatie in het belang van de kinderen ook weer te verbeteren als eenmaal definitief duidelijkheid bestaat over het doorgaan van de verhuizing.

5.7

Zoals de vertegenwoordiger van de raad ter zitting heeft benoemd, heeft de moeder in de afgelopen jaren het zwaartepunt van de zorgtaken op zich genomen. Dit zal na de verhuizing niet anders worden. De vader wil graag een betrokken vader zijn, maar mede als gevolg van zijn werk (hij maakt als vrachtwagenchauffeur lange dagen) zijn diens mogelijkheden beperkt. In de huidige situatie hebben partijen hiervoor een oplossing gevonden, omdat de vader op vrijdagen vrij is en hij op die dagen de zorgtaken heeft. De kinderen gaan dan naar school. Daardoor is de feitelijke zorg van de vader voor de kinderen op die dag beperkt van omvang, maar kan de vader wel op een natuurlijke manier het contact met de school onderhouden. De vader is bang dat dit niet, althans moeilijker zal gaan als de kinderen op grote afstand wonen en ook daar naar school gaan. Hij vreest dat hij gedegradeerd zal worden tot een weekendoppas. De moeder heeft zowel in de stukken als ter zitting verklaard dat zij een actieve rol van de vader toejuicht en zal stimuleren.

Het hof is van oordeel dat die rol van de vader ook mogelijk is, al zal het van de vader extra inspanning en flexibiliteit vergen. In het belang van de kinderen mag van de vader worden gevraagd zich daarvoor in te zetten.

Daarnaast acht het hof het aannemelijk dat ook als de kinderen dichter bij de vader zouden blijven wonen, de rol van de vader toch enigszins beperkt zou zijn. De moeder heeft in dat verband aangevoerd dat de kinderen in de afgelopen maanden vanwege de coronacrisis niet naar school konden en dat de vader in die tijd maar twee extra dagen voor de kinderen heeft gezorgd. Het valt de vader te prijzen dat hij zich inzet om werk en zorg waar mogelijk te combineren, maar in de praktijk blijkt dit voor hem lastig. De moeder heeft verklaard dat zij in ieder geval uit [A] wenst te vertrekken. De vader kan daarmee instemmen, mits de afstand niet meer dan 30 kilometer bedraagt. Het hof acht het aannemelijk dat ook wanneer de moeder 30 kilometer van de vader zou wonen de betrokkenheid van de vader beperkt zou blijven. Hoewel het hof begrip heeft voor het gevoel van de vader dat het na een verhuizing moeilijker zal zijn om spontaan contact te hebben of op gelegen momenten extra betrokken te worden, weegt dit aspect voor het hof in de gegeven omstandigheden maar beperkt mee.

5.8

De moeder heeft een concreet voorstel gedaan voor een ruimer verblijf van de kinderen bij de vader, waaronder extra weekenden en de helft van de vakanties. De vader heeft te kennen gegeven dat het met zijn werk moeilijk te combineren is om de kinderen met name gedurende de helft van de vakanties bij zich te hebben. Hij heeft echter geen concreet tegenvoorstel gedaan waaruit volgt wat voor hem wel haalbaar is. Hierdoor kan het hof niet vaststellen in hoeverre de zorgtaken van de vader na de voorgenomen verhuizing daadwerkelijk in het gedrang komen. Het voorstel van de moeder biedt in beginsel voldoende compensatie voor het gemis van de vrijdagen. De bereidheid van de moeder is dus aanwezig om tot compensatie te komen. De vader heeft aangegeven dat de kinderen ook contact met familieleden, zoals hun opa en oma, moeten kunnen blijven houden. Het hof heeft de vader ter zitting voorgehouden dat hier wellicht juist de ruimte zou kunnen worden gevonden doordat de kinderen af en toe bij hun opa en oma zouden kunnen verblijven tijdens een dag in de vakantie, en aansluitend bij hun vader. Omdat de vader zich nog verzet tegen de voorgenomen verhuizing, is een dergelijke oplossing nog niet besproken. Het hof acht het aannemelijk dat als partijen hierover met elkaar in gesprek gaan een redelijke compensatie haalbaar zal blijken.

5.9

Een zorgpunt acht het hof wel de reistijd tussen [D] en [A] . De moeder gaat ervan uit dat deze anderhalf uur bedraagt, de vader gaat uit van ten minste een uur en drie kwartier en bij files al snel twee uur of langer. Het hof acht dit laatste niet onaannemelijk. Het is daarbij niet relevant dat de moeder bereid is de kinderen te brengen en op te halen, aangezien het primair gaat om de belasting van de kinderen. Daarbij speelt ook het feit dat [de minderjarige2] lijdt aan scoliose. Niet geheel duidelijk is echter in hoeverre voor haar dergelijke autoritten extra belastend zijn. Hierover hebben partijen niets nader gesteld. Uit hetgeen de vertegenwoordiger van de raad ter zitting heeft verklaard volgt dat er geen duidelijke objectieve belemmeringen zijn voor een frequente zorgregeling over een dergelijke afstand en dat het welslagen hiervan in de eerste plaats afhangt van de mogelijkheid van ouders om met elkaar te communiceren. Ook hierin ziet het hof daarom geen doorslaggevende reden de toestemming aan de moeder te onthouden.

5.10

Tot slot is het hof van oordeel dat de kinderen - mede gelet op hun leeftijd - niet zodanig geworteld zijn in [A] dat dit aan een verhuizing in de weg dient te staan. De moeder heeft onweersproken verklaard dat de kinderen geen hechte vriendschappen hebben, dat zij goed met haar nieuwe partner en diens kinderen overweg kunnen en dat zij ook in België al met andere kinderen spelen. De moeder heeft haar oog laten vallen op twee scholen in de omgeving, die volgens haar qua onderwijs aansluiten op het onderwijs dat de kinderen in Nederland hebben gevolgd. Het hof acht het aannemelijk dat ze tegen hun moeder hebben gezegd dat ze het leuk vinden om te verhuizen en tegen hun vader hebben gezegd dat ze niet willen verhuizen. Duidelijk is dat de band van de kinderen met beide ouders sterk is. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het hof er voldoende vertrouwen in dat de band met de vader ook na de verhuizing sterk kan blijven.

5.11

Het hof ziet geen aanleiding om de raad te verzoeken nader onderzoek te doen. Zoals de raad ter zitting heeft verklaard, kan zij alleen het belang van de kinderen onderzoeken. Dat belang is voldoende naar voren gebracht door partijen en is duidelijk. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen.

5.12

Al het voorgaande afwegende komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank terecht de vervangende toestemming voor de verhuizing heeft verleend. Het hof zal in zoverre de bestreden beschikking bekrachtigen. Dat geldt ook voor de vervangende toestemming tot inschrijving op de scholen, aangezien de vader daar geen afzonderlijke grief tegen heeft gericht. Dit brengt ook mee dat het oorspronkelijke verzoek van de vader om de moeder te verbieden te verhuizen naar een woonplaats buiten een straal van 30 kilometer van [A] terecht is afgewezen.

5.13

Wat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft, overweegt het hof als volgt.

5.14

Ingevolge artikel 1:253a lid 4 BW en artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan, voor zover hier van belang, onder meer een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.

5.15

Het feit dat de moeder toestemming heeft gekregen om naar [D] te verhuizen maakt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden.

5.16

Partijen hebben ter zitting geen overeenstemming kunnen bereiken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor het geval de verhuizing zou doorgaan. Daarom zal het hof een beslissing geven, die aan partijen wellicht nog enige ruimte biedt om concrete afspraken met elkaar te maken.

5.17

Het hof acht de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen in het belang van de kinderen wenselijk.

5.18

Na de verhuizing is de huidige vrijdagregeling niet langer uitvoerbaar. Evenals de rechtbank zal het hof daarom als basisregeling een zorgregeling vaststellen van een weekeinde per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur waarbij de moeder de kinderen brengt en haalt. De vader heeft zijn verbazing geuit over het tijdstip op zondagavond, maar vanwege de reistijd acht het hof het voorstel van de moeder om de kinderen om 19.00 uur op te halen gezien hun leeftijd niet in hun belang, omdat zij dan te laat in bed liggen. Naarmate de kinderen ouder worden, kunnen partijen hierover aanvullende afspraken maken. Omdat de vader te kennen heeft gegeven dat hij in verband met zijn werk niet in staat is te regelen dat hij de kinderen de helft van de schoolvakanties bij zich heeft, zal het hof de vakantieregeling bepalen op ten minste drie weken in de zomervakantie en een week in de kerstvakantie, omdat dit voor de vader in elk geval haalbaar mag worden geacht. In onderling overleg kan dit worden uitgebreid met een aantal extra dagen in de overige vakanties. Het hof zal bepalen dat de vader - zoals de moeder heeft geopperd - tien extra weekenden per jaar omgang kan hebben. Het initiatief hiervoor ligt bij de vader, die hierover tijdig met de moeder in overleg dient te treden, bij voorkeur aan het begin van het kalenderjaar. Als de vader minder dan tien extra weekenden de zorg voor de kinderen heeft in een kalenderjaar, vervalt dat recht voor de vader en de kinderen aan het eind van het kalenderjaar. Voor het volgende kalenderjaar zijn dan opnieuw tien extra weekenden beschikbaar.

6 De slotsom

Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, deels bekrachtigen en deels vernietigen, zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van

12 december 2019 voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige1] , geboren [in] 2013 te [C] , en [de minderjarige2] , geboren [in] 2015 te [C] betreft,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de kinderen aldus dat de kinderen vanaf hun verhuizing naar België bij de vader verblijven:

  • -

    een weekeinde per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur,

  • -

    drie weken in de zomervakantie,

  • -

    een week in de kerstvakantie,

  • -

    in onderling overleg te bepalen aanvullende dagen in de overige schoolvakanties,

  • -

    tien extra weekenden per kalenderjaar, op initiatief van de vader in overleg tussen partijen nader vast te stellen,

waarbij de moeder de kinderen haalt en brengt;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Eskes, A. Smeeïng-van Hees en

M.H.F. van Vugt, bijgestaan door mr. A.B. de Wit als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. A. Smeeïng-van Hees, en is op 23 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.