Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4739

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
200.274.610
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 288 lid 1, aanhef en onder b en c Fw.

Artikel 288 lid 3 Fw.

Toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van de hardheidsclausule. Beschermingsbewind. Substantieel afgelost op schulden. Sluitend budgetplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.274.610

(rekestnummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 20/14)

arrest van 22 juni 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante, hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. J.J. van Ewijk.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 17 februari 2020 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.
Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 21 februari 2020 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 februari 2020. [appellante] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat zij wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen en de op 6 maart 2020, 5 juni 2020 en 9 juni 2020 ontvangen stukken van mr. Van Ewijk.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juni 2020 gelijktijdig met de behandeling van het hoger beroep dat is ingesteld door de voormalige echtgenoot van [appellante] , [B] (hierna: [B] ), tegen het vonnis van de rechtbank van
17 februari 2020, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsanerings-regeling is afgewezen. [appellante] is vanwege gezondheidsredenen niet ter zitting verschenen. Namens haar heeft mr. Van Ewijk het woord gevoerd. Ook is verschenen de op 25 november 2016 benoemde beschermingsbewindvoerder van [appellante] , [C] van KempenBewind B.V.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellante] was in gemeenschap van goederen gehuwd met [B] . Uit dat huwelijk is op 22 maart 2004 een zoon geboren. Bij beschikking van 21 april 2020 is de echtscheiding uitgesproken tussen [appellante] en [B] . De echtscheidingsbeschikking is op 15 mei 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
[appellante] is langdurig en volledig arbeidsongeschikt (ernstige rug- en knieklachten).
In 2013 heeft zij een TIA gehad. Zij ontvangt een WIA-uitkering.
De inkomsten uit uitkering worden ontvangen en beheerd door de beschermingsbewind-voerder, die de maandelijkse vaste lasten voor [appellante] betaalt en wekelijks € 85 aan leefgeld aan [appellante] overmaakt. Begin mei 2020 zijn [appellante] en haar zoon verhuisd naar een gelijkvloerse huurwoning.

3.2

[appellante] heeft samen met [B] voor de echtscheiding een gezamenlijk schuldsaneringsverzoek bij de rechtbank ingediend. De schulden die op de bij dat verzoek gevoegde (uit 2017 daterende) schuldenlijst vermeld worden zijn gemeenschappelijk aangegaan en opgelopen tot een bedrag van bijna € 20.000.
Tot deze schuldenlast behoren onder meer twee schulden aan de belastingdienst van
€ 3.337,23 en € 2.518,18 en in 2017 ontstane schulden aan T-Mobile Netherlands B.V. van
€ 403,01, Tele2 van € 716,48 en Ziggo Services B.V. van € 723,66.
Uit het bij de e-mail van 4 juni 2020 gevoegde schuldenoverzicht van de afdeling Schuldregeling en Budgetbeheer van de gemeente Utrecht blijkt dat [appellante] en [B] sinds 2017 in totaal ruim € 4.000 op hun schulden hebben afgelost.

3.3

De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Aan deze beslissing heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd. Bij [appellante] is nog geen sprake van een stabiele situatie. [B] heeft de gezamenlijke woning verlaten, maar zolang hij nog geen eigen woonruimte heeft gevonden, staat hij nog op het adres van [appellante] ingeschreven en kan zij geen aanspraak maken op toeslagen. Nu nog niet duidelijk is of [appellante] zal kunnen rondkomen en er geen nieuwe schulden zullen ontstaan, is niet aannemelijk dat zij de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling zal kunnen nakomen (artikel 288 lid 1, aanhef en onder c, van de Faillissementswet, hierna: Fw), aldus de rechtbank.

3.4

Het hof is van oordeel dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij te goeder trouw is geweest ten aanzien van de in 2017 (dus binnen de zogeheten vijfjaarstermijn) ontstane schulden aan telefonie- en internetproviders. Gelet hierop kan [appellante] in beginsel niet worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.5

[appellante] kan echter wel tot die regeling worden toegelaten, indien voldoende aannemelijk is dat zij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de hardheidsclausule).

3.6

Het gaat er bij de toepassing van deze clausule om dat de schuldenaar de oorzaak van de schuldenproblematiek, die geleid heeft tot zijn schulden, aantoonbaar onder controle moet hebben gekregen. In het algemeen is daarbij vereist dat de schuldenaar een (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die blijkt uit het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Er moet dus sprake zijn van een bestendige gedragsverandering, waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat deze problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.

3.7

Naar het oordeel van het hof is genoegzaam gebleken dat [appellante] heeft ingezien dat zij op administratief en financieel gebied hulp nodig had en dat zij die hulp ook heeft ingeschakeld door eind november 2016 in beschermingsbewind te gaan. Ondanks de beperkte middelen waarmee zij sinds dat bewind moet rondkomen, heeft [appellante] (uitgaande van de overgelegde schuldenoverzichten) sinds 2017 geen nieuwe schulden laten ontstaan. Uit het krappe budget heeft [appellante] de afgelopen jaren ook nog substantieel afgelost op haar schulden. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat [appellante] goed meewerkt in het bewind. Hij heeft voor [appellante] een (op 5 juni 2020 aan het hof overgelegd) budgetplan opgesteld dat sluitend is. Volgens de beschermingsbewindvoerder zal [appellante] door de diverse toeslagen waarop zij inmiddels recht heeft (zelfs) een hogere afloscapaciteit hebben dan [B] .

3.8

Anders dan de rechtbank (die ten tijde van haar beslissing om [appellante] niet tot de schuldsaneringsregeling toe te laten niet beschikte over een recente schuldenlijst en het genoemde budgetplan) acht het hof op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk geworden dat [appellante] zal kunnen voldoen aan de verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof zal daarom de hardheidsclausule toepassen en daarmee voorbijgaan aan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Fw.
kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.9

Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen als hierna te melden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 17 februari 2020 en, opnieuw recht doende:

verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellante] .

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, R.A. Boon en A.S. Gratama, en is op 22 juni 2020 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.