Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4714

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
200.278.160/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De moeder ontkent tegen beter weten in de zorgen die er zijn omtrent haar ouderschap. De moeder zal zelf moeten veranderen wil zij een kans maken om zelf voor haar zoon te zorgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.278.160

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad 501059)

beschikking van 18 juni 2020

inzake

[de moeder] (de moeder),

wonende te [A] ,
advocaat: mr. R.F.P. Scheele te Rotterdam,

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

gevestigd te Utrecht,

de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (de GI),

gevestigd te Lelystad.

1 Waar gaat het over

De kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft bij mondelinge beschikking van

7 mei 2020 en schriftelijk uitgewerkt op 27 mei 2020 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de toen nog ongeboren zoon van de moeder met ingang van 7 mei 2020 tot aan 17 juli 2020.

De moeder is het met die beslissing niet eens.

2 Hoe is de procedure verlopen

2.1

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

- het verzoekschrift van de moeder in hoger beroep met bijlagen, binnen gekomen op het hof op 11 mei 2020;

- een brief van de raad van 25 mei 2020;

- een brief van de GI van 26 mei 2020 met bijlagen;

- de (schriftelijke uitwerking van de) beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 7 mei 2020;

- het proces-verbaal van de (telefonische) zitting bij de kinderrechter op 28 april 2020;

- het proces-verbaal van de (telefonische) zitting bij de kinderrechter op 7 mei 2020.

2.2

Op 4 juni 2020 heeft het hof het verzoek van de moeder op een zitting behandeld.

Bij die zitting waren aanwezig: de moeder met mr. A. Tahavol, waarnemend advocaat voor mr. Scheele, namens de raad, [B] en namens de GI, [C] en [D] .

Mr. Tahavol heeft een pleitnota overgelegd.

3 Wat zijn de feiten

3.1

Uit de moeder is [in] 2020 (in het ziekenhuis) geboren [de minderjarige] . De moeder oefent van rechtswege het gezag over [de minderjarige] uit. Het is niet zeker wie de verwekker/biologische vader is van [de minderjarige] .

3.2

[de minderjarige] is al voor zijn geboorte (met ingang van 17 april 2020) voorlopig onder toezicht gesteld en deze maatregel geldt tot 17 juli 2020. Na zijn geboorte is [de minderjarige] uit huis geplaatst. Hij is vanuit het ziekenhuis op 19 mei 2020 geplaatst bij zijn oma (moederszijde).

3.3

De moeder heeft vier andere minderjarige kinderen (geboren in 2011, 2013, 2014, 2016). Deze kinderen staan allen onder toezicht en zijn allen uithuisgeplaatst. Ook zij zijn geplaatst bij hun oma (moederszijde).

3.4

De raad heeft de kinderrechter verzocht de toen nog ongeboren [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van de toen nog ongeboren [de minderjarige] vanaf zijn geboorte en voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

3.5

De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 april 2020 de toen nog ongeboren [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 17 juli 2020 en een machtiging verleend om de toen nog ongeboren baby [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van twee weken, waarbij de beslissing voor een langere duur is aangehouden.

3.6

Bij beschikking van 28 april 2020 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot

12 mei 2020, waarbij de beslissing voor een langere duur (weer) is aangehouden.

3.7

Bij (de nu bestreden) beschikking van 7 mei 2020 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 17 juli 2020.

4 Wat wordt er verzocht

4.1

De moeder verzoekt het hof de mondelinge beschikking van 7 mei 2020, schriftelijke uitgewerkt op 27 mei 2020, te vernietigen (naar het hof begrijpt:) en het verzoek van de raad alsnog af te wijzen.

4.2

De raad en de GI hebben ter zitting verweer gevoerd en verzoeken het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De beoordeling

Vooraf

5.1

De moeder heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling het hof verzocht de heer [E] toestemming te verlenen om de zitting bij te wonen. Het hof heeft dat verzoek, gehoord ook de raad en de GI, afgewezen. [E] is geen belanghebbende in deze procedure. Hij heeft geen gezag over [de minderjarige] , heeft [de minderjarige] niet erkend, heeft nimmer in gezinsverband met [de minderjarige] gewoond en het is ook onzeker of [E] de verwekker/biologische vader is van [de minderjarige] . De moeder is in haar verklaringen daarover wisselend. Recent heeft zij bij de GI aangegeven dat hij de verwekker/biologisch vader is van [de minderjarige] en terwijl zij bij het hof aangeeft dat die kans 60-70% is.

Machtiging uithuisplaatsing

5.2

Het hof vindt dat de kinderrechter een goede beslissing heeft genomen en vindt dat het verzoek van de moeder in hoger beroep moet worden afgewezen. Het hof neemt de beoordeling van de kinderrechter in de bestreden beschikking na eigen onderzoek hier over. Het hof voegt het volgende toe.

5.3

De moeder is bekend met huiselijk geweld, bekend met psychiatrische problematiek en bekend met langdurige verslavingsproblematiek (waaronder cocaïne en GHB).

5.4

[de minderjarige] is enkele weken oud en is voor zijn verzorging geheel afhankelijk van zijn opvoeders en verzorgers. Voor het hof is het evident dat de moeder niet in staat is om de zorg voor [de minderjarige] zelfstandig te dragen. Zijn veiligheid zou in de thuissituatie bij de moeder ernstig gevaar lopen.

Het is voor het hof onbegrijpelijk dat de moeder stelt dat een noodzaak tot uithuisplaatsing ontbreekt en dat de moeder stelt dat (slechts) sprake is van aannames. Het dossier is doordrenkt met concrete (maandelijkse) voorbeelden waaruit blijkt dat al jarenlang (en ook tijdens eerdere zwangerschappen) sprake is van zorgmeldingen en/of psychoses en/of spoedopnames in ziekenhuizen waarbij de moeder door professionals positief is getest op middelengebruik. Zie bijvoorbeeld op 27 juni 2019 (met een ambulance binnengebracht na intoxicatie van cocaïne en GHB), 26 juli 2019 (onwel in de woning aangetroffen onder invloed van verdovende middelen), 28 augustus 2019 (onder invloed van GHB binnengebracht op de spoedeisende hulp) en 14 september 2019 (onder invloed van GHB binnengebracht op de spoedeisende hulp). En zo is de moeder vlak voor de geboorte van [de minderjarige] op 13 mei 2020 ook nog weer met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht nadat zij thuis in een plas bloed en braaksel is aangetroffen en is zij positief getest op cocaïne, benzodiazepine en opiaten. In de week voorafgaand aan de zitting bij het hof is zij wederom onder invloed met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Er is dus geen sprake van aannames maar sprake van (ernstige) feiten.

5.5

Aan de moeder zijn in het verleden bij herhaling kansen geboden om zelf zorg te dragen voor haar oudere kinderen. Die kansen hebben ook meerdere malen geleid tot beëindiging maar ook herstart van kinderbeschermingsmaatregelen. Helaas is het de moeder tot op heden niet gelukt haar situatie ten positieve te veranderen. Met ook als gevolg dat bijvoorbeeld haar oudste twee kinderen tot drie keer toe (opnieuw) onder toezicht zijn gesteld vanwege ernstige zorgen ten gevolge van handelen van hun moeder. De moeder lijkt dan ook onmachtig om de situatie ten behoeve van eerst haar oudere kinderen en nu ook [de minderjarige] te keren. Ook al ware het zo dat alle onveiligheid is te wijten aan psychoses die buiten de schuld van de moeder ontstaan, zoals zij zelf stelt, dat maakt niet dat daarom een thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder tot de mogelijkheden behoort. De moeder ontkent immers ook niet dat zij geen idee heeft wat zij doet als zij een psychose heeft en helder is dat de veiligheid van [de minderjarige] dan gevaar loopt. Meermalen is immers de moeder buiten bewustzijn en onder invloed van verdovende middelen aangetroffen.

5.6

De houding van de moeder vindt het hof zorgwekkend. Samenwerking met professionals verloopt zeer moeizaam. Afspraken komt zij niet of slecht na. Elk zelfinzicht lijkt te ontbreken. De moeder valt enkel in verwijten naar anderen, zij ontkent middelengebruik waar dit niet te ontkennen valt en zij ontkent, meer in het algemeen, elk eigen aandeel in wat er bij haar allemaal misgaat.

De moeder zal zich alleen goed moeten realiseren dat als zij werkelijk een kans wil om nog zelf en binnen een aanvaardbare termijn voor haar jongste zoon te zorgen, zij als eerste een wezenlijke verandering in houding en gedrag zal moeten laten zien.

Het hof noemt als voorbeeld dat de moeder de raad en de GI forse verwijten maakt omdat zij al maanden wisten van de zwangerschap en zij niets hebben gedaan om een uithuisplaatsing te voorkomen maar de moeder miskent dat het eerst aan haar is om zich betrouwbaar te tonen. Zij is zelf ook nalatig geweest in het melden van haar zwangerschap aan de raad en/of de GI. Voor de moeder was dit niet een eerste zwangerschap waarbij zij de veiligheid van een kind ernstig in gevaar heeft gebracht door middelengebruik. Zij wist, althans had moeten weten dat ook de toen nog ongeboren [de minderjarige] gevaar liep vanwege haar middelengebruik en in zijn belang medische zorg en begeleiding noodzakelijk was. De moeder toonde zich evenwel zorgmijdend en is herhaaldelijk niet op afspraken verschenen en/of bleek onbereikbaar.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2020 en schriftelijk vastgesteld op 27 mei 2020.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, A.W. Beversluis en S. Rezel, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 18 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.