Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4602

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
200.267.932
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang tijdens uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.267.932

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 485236)

beschikking van 16 juni 2020

inzake

[verzoeker]

en

[verzoekster] ,

beiden wonende te [A] ,

verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: de ouders, respectievelijk de vader, de moeder,

advocaat: mr. L. Scheffer te Amsterdam,

en

de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

gevestigd te Bussum,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de pleegmoeder van na te noemen [de minderjarige1],

verder te noemen: de pleegmoeder,

en

[B] in haar hoedanigheid van bijzondere curator;

gevestigd te [C] ,

verder te noemen: de bijzondere curator.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 14 augustus 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure tot de mondelinge behandeling van 26 november 2019 blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 18 oktober 2019;

  • -

    het verweerschrift in hoger beroep van de GI met producties;

  • -

    een faxbericht van de GI van 21 november 2019, en

  • -

    een journaalbericht van mr. Scheffer van 25 november 2019 met producties.

2.2

De hierna te noemen minderjarigen [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] , en [de minderjarige5] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

Op 26 november 2019 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek een bijzondere curator te benoemen plaatsgevonden. Bij beschikkingen van 31 december 2019 is [B] benoemd tot bijzondere curator als bedoeld in artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de hierna te noemen minderjarigen [de minderjarige2] en [de minderjarige5] (beschikking met zaaknummer 200.270.679), [de minderjarige6] en [de minderjarige4] (beschikking met zaaknummer 200.270.681) en [de minderjarige1] , [de minderjarige3] en [de minderjarige7] (beschikking met zaaknummer 200.269.410).

2.4

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verslag van de bijzondere curator van 14 april 2020;

  • -

    de reactie van de GI op het verslag van de bijzondere curator, ingekomen op 4 mei 2020;

  • -

    een journaalbericht van mr. Scheffer van 15 mei 2020 met producties;

  • -

    een e-mail van de GI van 19 mei 2020 met producties;

  • -

    een e-mail van mr. Scheffer van 21 mei 2020 met productie;

  • -

    een journaalbericht van mr. Scheffer van 25 mei 2020 met productie, en

  • -

    de bij e-mail van 26 mei 2020 toegezonden spreekaantekeningen van mr. Scheffer.

2.5

De mondelinge behandeling is op 28 mei 2020 voortgezet. In verband met het coronavirus heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden door middel van een telefonische (beeld)verbinding (telehoren). Via deze telefonische beeldverbinding waren aanwezig de ouders in persoon, bijgestaan door hun advocaat en door [D] , tolk in de Engelse taal. Via een telefonische geluidsverbinding waren aanwezig [E] en [F] namens de GI, de pleegmoeder en de bijzondere curator.

De raad voor de kinderbescherming is met kennisgeving vooraf niet verschenen.

3 De feiten

de kinderen, het gezag over de kinderen en hun verblijfplaats

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van:

  • -

    [de minderjarige3] (verder: [de minderjarige3] ), geboren [in] 2007 te [G] , Oeganda;

  • -

    [de minderjarige7] (verder: [de minderjarige7] ), geboren [in] 2009 te [G] , Oeganda;

  • -

    [de minderjarige1] (verder: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2016 te [C] , en

  • -

    [de minderjarige8] (verder: [de minderjarige8] ), geboren [in] 2019 te [C] .

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige3] , [de minderjarige7] , [de minderjarige1] en [de minderjarige8] . [de minderjarige3] en [de minderjarige7] verblijven afzonderlijk in een gezinshuis en [de minderjarige1] verblijft in een pleeggezin. [de minderjarige8] woont bij de ouders.

3.2

Uit een eerdere relatie van de vader met een voor het hof onbekende vrouw zijn geboren:

  • -

    [de minderjarige2] (verder: [de minderjarige2] ), op [in] 2005 te [H] , Oeganda, en

  • -

    [de minderjarige5] (verder: [de minderjarige5] ), [in] 2007 te [H] , Oeganda.

De vader oefent het ouderlijk gezag over [de minderjarige2] en [de minderjarige5] alleen uit. [de minderjarige2] en [de minderjarige5] verblijven samen in hetzelfde gezinshuis.

3.3

Uit een eerdere relatie van de vader met een voor het hof eveneens onbekende vrouw zijn geboren:

  • -

    [de minderjarige4] (verder: [de minderjarige4] ), [in] 2007 te [G] , Oeganda, en

  • -

    [de minderjarige6] (verder: [de minderjarige6] ), [in] 2009 te [I] , Oeganda.

De vader oefent alleen het gezag uit over [de minderjarige4] en [de minderjarige6] . [de minderjarige4] en [de minderjarige6] verblijven samen in hetzelfde gezinshuis.

ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen

3.4

Bij beschikking van 17 mei 2018 heeft de kinderrechter alle kinderen, behalve de toen nog ongeboren [de minderjarige8] , (voorlopig) onder toezicht gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarna steeds verlengd. De ondertoezichtstelling is – vóór de bestreden beschikking – voor het laatst verlengd bij beschikking van 16 augustus 2018, tot 16 augustus 2019. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] , [de minderjarige5] , [de minderjarige6] , [de minderjarige7] en [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg is verlengd bij beschikking van 12 februari 2019, tot 16 augustus 2019.

3.5

[de minderjarige8] staat sinds zijn geboorte onder toezicht van de GI.

omgangsregeling

3.6

Bij beschikking van 28 november 2018 heeft de kinderrechter - onder meer - het verzoek van de ouders om een omgangsregeling tussen hen en de kinderen – behalve [de minderjarige8] – vast te stellen, afgewezen.

3.7

Bij beschikking van 7 april 2020 heeft de kinderrechter de GI verzocht aan de hand van onder meer de mogelijkheden van (kort gezegd) begeleiding door [J] zo spoedig mogelijk te onderzoeken of en hoe er contact kan zijn tussen de ouders en [de minderjarige1] en de verdere behandeling aangehouden tot 26 juni 2020.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de – deels uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden beschikking heeft de kinderrechter:

  • -

    de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] , [de minderjarige5] , [de minderjarige6] , [de minderjarige7] en [de minderjarige1] verlengd tot 16 augustus 2020;

  • -

    de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] , [de minderjarige5] , [de minderjarige6] , [de minderjarige7] en [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 16 augustus 2020, en

  • -

    het verzoek van de ouders om een omgangsregeling vast te stellen tussen de ouders en de kinderen afgewezen.

4.2

De ouders zijn met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen en op de afwijzing van het zelfstandig verzoek van de ouders tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hen en de kinderen.

De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is verlengd en de door de ouders verzochte omgangsregeling is afgewezen, althans zodanig te beslissen als het hof juist acht.

4.3

De GI voert verweer en zij verzoekt het hof het door de ouders ingestelde beroep niet‑ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

uithuisplaatsing

5.1

Mr. Scheffer heeft het hof namens de ouders in haar spreekaantekeningen laten weten dat zij het hoger beroep tegen de uithuisplaatsing wensen in te trekken, zodat de grieven met betrekking tot de uithuisplaatsing geen bespreking meer behoeven.

omgangsregeling

5.2

Anders dan – kennelijk – in de bestreden beschikking tot uitgangspunt is genomen, is het hof niet gebleken van een op verzoek van de gecertificeerde instelling vastgestelde omgangs- of zorgregeling waarvan de ouders wijziging verzoeken, zodat artikel 1:265g lid 2 BW niet van toepassing is.

5.3

Ingevolge artikel 1:377a lid 2 BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Ingevolge 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang

met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.4

Het hof acht een omgangsregeling waarbij de GI de frequentie, duur en vorm van het contact bepaalt en waarbij de wensen van de kinderen die twaalf jaar of ouder zijn leidend zijn, het meest in het belang van de kinderen.

5.5

De kinderen hebben veel meegemaakt en bij alle kinderen is de diagnose PTSS gesteld als gevolg van het geweld waaraan zij bij de ouders zijn blootgesteld. Alle kinderen hebben bij de bijzondere curator uitgesproken bang te zijn voor de ‘macht’ die zij aan de vader toedichten en om opnieuw te worden blootgesteld aan geweld. Hoewel zowel de ouders als de kinderen in beginsel recht hebben op omgang met elkaar, dienen de belangen en veiligheid van de kinderen mede gelet op het trauma voorop te staan. Daarbij acht het hof ten aanzien van de moeder ook van belang dat onduidelijk is in hoeverre sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de moeder en [de minderjarige2] , [de minderjarige5] , [de minderjarige4] en [de minderjarige6] waaraan – bij ontbreken van een juridische afstammingsband – een recht op omgang ontleend kan worden.

5.6

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de jeugdbeschermer actief onderzoekt welke (veranderende) behoefte de kinderen hebben aan contact en welke mogelijkheden er zijn voor contact tussen de kinderen en de ouders. Uit het rapport van de bijzondere curator volgt dat alle kinderen te kennen hebben gegeven geen contact met de ouders willen. Wel hebben [de minderjarige4] , [de minderjarige7] en [de minderjarige3] bij de bijzondere curator naar voren gebracht mogelijk op enig moment wel contact te willen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [de minderjarige4] en [de minderjarige7] de jeugdbeschermer recent hebben laten weten op relatief korte termijn contact te willen. Gelet op de verschillen in behoefte en leeftijd van de kinderen acht het hof net als de GI van belang dat de mogelijkheden voor contact per kind afzonderlijk worden bekeken. Bij de invulling van het contact speelt ook een rol wat de kinderen van het contact verwachten. Zoals de bijzondere curator heeft aangevoerd, lijkt [de minderjarige4] vooral contact te willen om antwoorden te krijgen op vragen die zij heeft vanuit het verleden en om de vader ter verantwoording te roepen.

Het hof acht de GI het best in staat met inachtneming van het voorgaande en van de verdere ontwikkelingen te bepalen op welke wijze contact tussen de ouders en de kinderen kan plaatsvinden. Nu de veiligheid en belangen van de kinderen voorop dienen te staan, staat het de GI daarbij ook vrij te bepalen dat contact (op dit moment) niet mogelijk is, of (op enig moment) niet meer mogelijk is.

6 De slotsom

6.1

Op grond van wat hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de afwijzing van het verzoek van de ouders tot vaststelling van een omgangsregeling betreft en beslissen als volgt.

6.2

Nu het hof een eindbeslissing zal geven, eindigt de taak van de bijzondere curator. Het hof zal de bijzondere curator omwille van de duidelijkheid ontslaan van haar taak.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 14 augustus 2019 voor zover het de afwijzing van het verzoek van de ouders tot vaststelling van een omgangsregeling betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt vast als omgangsregeling tussen de ouders en [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] , [de minderjarige5] , [de minderjarige6] , [de minderjarige7] en [de minderjarige1] dat de GI de frequentie, duur en vorm van het contact, indien en voor zover naar het oordeel van GI nodig: per kind afzonderlijk, bepaalt, waarbij de wensen van de kinderen die twaalf jaar of ouder zijn leidend zijn;

ontslaat de bijzondere curator van haar taak;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, M.H.H.A. Moes en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 16 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.