Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4568

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
13-07-2020
Zaaknummer
Wahv 200.232.496
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jong kind niet op de juiste wijze in de auto vervoeren. Het hof vernietigt de sanctiebeschikking, omdat de betrokkene niet voor de juiste overtreding is beboet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.232.496/01

CJIB-nummer

: 203906545

Uitspraak d.d.

: 16 juni 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2017, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 20 april 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd vanwege het in het dossier ontbreken van een proces-verbaal van de zitting. Dit argument mist feitelijke grondslag. In het dossier bevindt zich namelijk wel degelijk een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting van 12 december 2017. In dat proces-verbaal is de beslissing van de kantonrechter opgenomen.

2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “passagier jonger dan 3 jaar vervoeren terwijl geen autogordel of kinderbeveiligingssysteem beschikbaar is (feitcode R535H)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 december 2016 om 8.45 uur op de Jan Tooropstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

3. De officier van justitie heeft de omschrijving van de gedraging en de feitcode gewijzigd in “voorin passagier 3 tot 18 jaar en korter dan 1.35 meter vervoeren, zonder beschikbare gordel/kind.bev.systeem (feitcode R535G)”

4. De gemachtigde is van mening dat er op verschillende punten twijfel is aan de verklaring van de ambtenaar. Deze verklaart eerst dat het kind zat zonder gordel, maar in het nader proces-verbaal verklaart hij dat het kind stond. De ambtenaar verklaart “zonder zitje in de auto” terwijl uit het nader proces-verbaal blijkt dat hij dit zitje wel heeft aangetroffen. De ambtenaar heeft voorts niet aangegeven wat zijn positie was ten opzichte van het voertuig van de betrokkene, terwijl hier wel expliciet om is gevraagd. Voorts laat de ambtenaar zich onzakelijk uit over het gedrag van de betrokkene en tracht hij de bewijskracht van zijn verklaring te versterken door op te merken dat hij alleen schrijft als hij 100% zeker is.
De gemachtigde voert voorts aan dat de officier van justitie de feitcode heeft gewijzigd in R535G, het op de voorste zitplaats vervoeren van een passagier in de leeftijd van 3 tot 18 jaar zonder dat een autogordel of goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem beschikbaar is. Deze gedraging is niet verricht, want het kind bevond zich tussen de voorstoelen en dus niet op een voorste zitplaats.

5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Gedragingsgegevens: kind zat zonder gordel en zonder zitje in de auto. Kind zat tussen de voorstoelen.
Overtreden artikel: 59 lid 2 RVV 1990. (…)

Verklaring betrokkene: mijn zoon zat in de gordel.”

7. De ambtenaar heeft in de brief van 30 mei 2017 onder meer het volgende verklaard:
“Ik, verbalisant, was belast met fietssurveillance en bevond mij op de openbare weg, Jan Tooropstraat te Amsterdam. Aldaar was ik in gesprek met een buurtbewoner ter hoogte van de Andries Copierstraat. (…) Dit was vlak bij een school. Het is mij ambtshalve bekend dat er veel ouders hun kinderen vervoeren zonder dat deze in een kinderbeveiligingssysteem zitten.
ik zag op de Jan Tooropstraat een voertuig komen aanrijden. Dit voertuig kwam uit de richting van de Jan van Evertsenstraat. Ik kon door de voorruit van deze auto kijken en ik zag de bestuurster zitten. Toen het voertuig ter hoogte van de Karel Klinkenbargstraat was zag ik dat er een klein kind vermoedelijk tussen de voorstoelen in stond. Ik kon dit goed en onbelemmerd zien. Toen het voertuig linksaf sloeg en de Andries Copierstraat in reed zag ik door de zijruiten dat het kind daadwerkelijk tussen de voorstoelen in stond. Ik zag dat dit kind niet op de bank zat. (…) Tijdens de staandehouding zag ik dat het kind tussen de 4 en 12 jaar betrof. (…) Het klopt dat ik had aangegeven dat er geen kinderzitje in de auto aanwezig was. Toen het voertuig aan het inparkeren parkeerde, reed ik langs het voertuig en (…) zag ik inderdaad het kinderzitje niet. Dit was inderdaad dezelfde kleur als het interieur van de auto. Dat had ik in een kort ogenblik dat ik langs het voertuig reed niet gezien.
De feitcode klopt niet. Abusievelijk heb ik een verkeerde feitcode toegevoegd. Dit moet zijn R535G. (…)”

8. De gedragingen met feitcode R535H en R535G zien op overtreding van artikel 59, tweede lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waarin het volgende is bepaald:

“Met een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel die niet zijn uitgerust met een autogordel of kinderbeveiligingssysteem als bedoeld in het eerste lid, worden geen passagiers vervoerd die jonger zijn dan 3 jaar en worden passagiers in de leeftijd van 3 tot 18 jaar met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd.”

9. Op basis van de bovenstaande verklaringen van de ambtenaar kan worden vastgesteld dat de betrokkene een kind in de leeftijd tussen de 4 en 12 jaar heeft vervoerd terwijl geen gebruik werd gemaakt van een kinderbeveiligingssysteem. Vast staat dat in de auto wel een kinderbeveiligingssysteem aanwezig was. Gelet hierop had geen sanctie mogen worden opgelegd voor de onder 2. en 3. genoemde gedragingen. Het hof zal de beslissingen van de kantonrechter en (met gegrondverklaring van het beroep daartegen) van de officier van justitie dan ook vernietigen.

10. In dit geval had een sanctie kunnen worden opgelegd voor de gedraging met feitcode R535F: ‘(een) passagier(s) jonger dan 12 jaar en korter dan 1.35 meter vervoeren, zonder dat gebruik wordt gemaakt van een voor hem/hen geschikt en goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem’. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 59, eerste en achtste lid, van het RVV 1990, waarin (voor zover van belang) het volgende is bepaald:

“1. (…) Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter, maken gebruik van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van een keurmerk als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet. (…).

8. Het is bestuurders van de in het eerste lid genoemde voertuigen verboden passagiers jonger dan 12 jaar (…) te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.”

11. Het hof zal echter niet tot een nieuwe wijziging van de feitcode overgaan. Daartoe wijst het hof op de stand van de procedure, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat de advocaat-generaal geen verweerschrift heeft uitgebracht, waarin is ingegaan op een (mogelijke nieuwe) wijziging van de feitcode.

12. Gelet hierop kan de inleidende beschikking niet in stand blijven. Hetgeen tot zekerheid is gesteld moet worden gerestitueerd. De overige bezwaren van de gemachtigde behoeven gelet hierop geen bespreking.

13. Nu de betrokkene in het gelijk wordt gesteld, komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 525,-.

14. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 525,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.