Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4561

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
13-07-2020
Zaaknummer
Wahv 200.231.758
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding. Wordt de sanctie gematigd, dan is de betrokkene in het gelijk gesteld en bestaat er in de regel een rechtens te respecteren belang bij vergoeding van de proceskosten. In dit geval heeft de kantonrechter de matiging echter niet gebaseerd op een materiële beoordeling van de sanctiebeschikking. Het hof oordeelt daarom dat ondanks de matiging geen rechtens te respecteren belang bestaat bij het vergoeden van de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.231.758/01

CJIB-nummer

: 188137872

Uitspraak d.d.

: 16 juni 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 23 november 2017, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 107,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 124,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 16 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

Op 1 december 2019 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. De gemachtigde stelt zich in hoger beroep ten eerste op het standpunt dat uit de uitspraak van de kantonrechter niet volgt van welke datum de beslissing dateert. Dit gebrek is van dien aard dat de beslissing moet worden vernietigd. Volgens de gemachtigde heeft het hof dit op 23 mei 2016 letterlijk geoordeeld in het arrest met zaaknummer Wahv 200.153.974 (gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2016:3934)

2. Het hof stelt met de gemachtigde vast dat boven de uitspraak niet met zoveel woorden staat vermeld dat de uitspraak van de kantonrechter dateert van 23 november 2017, de datum van de zitting van de kantonrechter. Bovenaan staat echter vermeld “proces-verbaal tevens aantekening mondelinge beslissing wahv” Voorts is in het proces-verbaal vermeld dat de zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2017 en noemt het proces-verbaal geen andere uitspraakdatum. Uit deze gegevens in onderlinge samenhang bezien volgt dat de kantonrechter op 23 november 2017 een zitting heeft gehouden en op die zitting een mondelinge uitspraak heeft gegeven. Dit is in overeenstemming met artikel 13 van de Wahv, waarin is bepaald dat de kantonrechter hetzij terstond, hetzij uiterlijk veertien dagen nadien op een openbare zitting wordt uitgesproken. Aan het niet vermelden van de uitspraakdatum behoeven derhalve geen gevolgen te worden verbonden. De verwijzing naar het arrest van het hof van 23 mei 2016 treft geen doel omdat deze berust op een verkeerde lezing van dit arrest. Dit arrest ziet immers op de ondertekening van de uitspraak door de kantonrechter die de beslissing heeft genomen. Het verweer faalt.

3. Verder richten de bezwaren zich tegen de beslissing van de kantonrechter op het administratief beroep. Dat beroep is gericht tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene een sanctie is opgelegd van € 207,- voor: “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 22 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 maart 2015 om 14.37 uur op de Kamperstraatweg in Kampen met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie in verband met overschrijding van de redelijke termijn van berechting gematigd tot € 107,-.

4. De gemachtigde heeft aangevoerd dat er aanleiding is om het bedrag van de sanctie te matigen (het hof begrijpt: verdergaand te matigen) omdat het stuk voorafgaande aan de bebouwde kom zich kenmerkt door een zone met een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur en adequate bebording waaruit het einde van de snelheidszone kon worden afgeleid ontbrak terwijl de gedraging is geconstateerd vrijwel direct na het binnenrijden van de bebouwde kom.

5. De gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat voorafgaand aan de plaats waar (binnen de bebouwde kom) de gedraging is geconstateerd sprake was van een 60 km-zone waar op de onder 3. vermelde datum en tijdstip de bebording die het einde van deze zone aangeeft, ontbrak. Gelet hierop vormt dit verweer geen reden voor matiging van het bedrag van de sanctie.

6. De gemachtigde heeft voorts aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de verrichte proceshandeling van het indienen van het administratief beroepschrift.

7. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd. Aldus heeft hij de betrokkene in het gelijk gesteld. In een dergelijk geval zijn door de betrokkene terecht rechtsmiddelen aangewend in de procedure waaraan de sanctiebeschikking ten grondslag ligt zodat in de regel een rechtens te respecteren belang bestaat bij vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte proceskosten (vergelijk rechtsoverweging 15 van het arrest van het hof van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336), derhalve ook van de kosten gemaakt in administratief beroep.

8. In dit geval bestaat echter geen rechtens te respecteren belang bij vergoeding van de proceskosten. De beslissing van de kantonrechter tot matiging van het sanctiebedrag is niet gegrond op een materiële beoordeling van de sanctiebeschikking maar is uitsluitend gebaseerd op de door de kantonrechter geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Vaste jurisprudentie van het hof is dat bij een sanctie als deze in geval van overschrijding van de redelijke termijn van berechting met de vaststelling daarvan kan worden volstaan. Het verweer dat de kantonrechter een proceskostenvergoeding had moeten toekennen voor de in administratief beroep gemaakte kosten treft geen doel.

9. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

10. Omdat de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.