Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4539

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
200.258.796
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht; Schending mededelingsplicht bij invullen Gezondheidsverklaring.7:928 lid 1 BW; Twee maanden termijn van artikel 7:929 lid 1 BW; Gezondheidsverklaring is geen Algemene Voorwaarde;

Kernbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0450
JA 2020/109 met annotatie van Klashorst, J. van de, Riyazi, T.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.258.796

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 318918)

arrest van 16 juni 2020

in de zaak van

[appellant] ,

woonachtig te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. Chr. D. de Vos,

tegen

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekering N.V.

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Achmea,

advocaat: mr. H.E. Foudraine.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

14 juni 2017 en 21 februari 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:765) die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, tussen [appellant] als eiser en Achmea als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 17 mei 2018,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, met producties,

- een akte van de zijde van [appellant] ,

- een antwoord-akte van de zijde van Achmea.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van het vonnis van 21 februari 2018 (hierna: het bestreden vonnis).

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Samenvatting van de zaak

4.1

De zaak gaat over het volgende. [appellant] heeft ingaande 15 februari 2005 een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Interpolis, onderdeel van Achmea (hierna: de verzekering), waarvan onderdeel uitmaken de (standaard) algemene voorwaarden. In 2011 heeft [appellant] een beroep gedaan op de verzekering omdat hij in verband met rugklachten en uitvalsverschijnselen in zijn benen een groot deel van zijn werkzaamheden als mede-eigenaar van een monteursbedrijf niet meer kon uitvoeren. Achmea heeft de uitkering geweigerd. Die weigering is gebaseerd op de constatering van Achmea dat [appellant] in de gezondheidsverklaring geen melding heeft gemaakt van rug- en nekklachten in 1987 en 1999. Volgens Achmea heeft [appellant] daarmee zijn mededelingsplicht geschonden en zou zij – als zij bij het aangaan van de verzekering had geweten van de rug- en nekklachten uit het verleden – deze verzekering niet of op andere voorwaarden met [appellant] zijn aangegaan.

4.2

[appellant] vordert in deze procedure onder meer betaling van de uitkering vanaf 2011. Volgens hem heeft Achmea de uitkering ten onrechte geweigerd, omdat hij niet verplicht was bij het aangaan van de verzekering klachten te melden die op dat moment meer dan vijf jaar in het verleden lagen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] zijn mededelingsplicht heeft geschonden en dat Achmea daarop tijdig een beroep heeft gedaan nadat zij die schending heeft ontdekt. Achmea heeft aannemelijk gemaakt dat als zij in 2004/2005 zou hebben geweten van de rug- en nekklachten van [appellant] de verzekering niet of op andere voorwaarden zou hebben afgesloten. De rechtbank heeft daarom alle vorderingen van [appellant] afgewezen.

4.3

[appellant] is met elf grieven tegen het bestreden vonnis in beroep gekomen. Daarmee heeft hij het hele geschil aan het hof voorgelegd.

Algemene voorwaarden of kernbeding

4.4

[appellant] voert onder grief IX aan dat de gezondheidsverklaring een algemene voorwaarde is, althans daarvan een onderdeel is, dat deze gezondheidsverklaring onredelijk bezwarend is vanwege de onduidelijkheden en tegenstrijdigheden daarin en dat hij als consument heeft te gelden ten opzichte van Achmea. Het hof oordeelt hierover als volgt. De aanvraag van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de (ingevulde) gezondheidsverklaring vormen tezamen onderdeel van de acceptatieprocedure voor het aangaan van de verzekeringsovereenkomst. Het is aan de verzekeraar, hier Achmea, om dan te bepalen, al dan niet door inschakeling van een medisch adviseur, of de aspirant-verzekerde, hier [appellant] , wordt geaccepteerd en zo ja, onder welke (beperkende) voorwaarde(n) en tegen welke premie. Het betreft aldus een kwestie van (het doen van een) aanbod door de aspirant-verzekerde en aanvaarding door de verzekeraar (artikelen 6:217 BW gelezen in verbinding met artikel 3:37 lid 3 BW; zie ook HR 11 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7222). Het feit dat Achmea (Interpolis) gebruik maakte van een standaard aanvraagformulier en/of een standaard gezondheidsverklaring, leidt er niet toe dat dáárom sprake is van een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 lid 1 sub a BW. In zoverre kan de (ingevulde) gezondheidsverklaring gezien worden als een kernbeding, in de woorden van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2018:788) onder 5.11 en 5.12 bij de uitspraak van HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1800): “Bedingen die hierop zien worden aangeduid als kernbedingen en kunnen niet op eerlijkheid worden getoetst, maar wel (zo blijkt uit art. 4 lid 2 Richtlijn) op duidelijkheid en begrijpelijkheid. (…) Ook afdeling 6.5.3 BW zondert kernbedingen uit van toetsing: art. 6:231 BW definieert deze onder a als ‘bedingen die de kern van de prestaties aangeven’.”

Dat betekent dat noch toepassing van de Richtlijn, noch de toepassing van de artikelen 6:231 e.v. BW, gelezen in het licht van de Richtlijn, tot vernietiging van de gezondheidsverklaring kan leiden. Evenmin leidt toepassing van de door [appellant] (subsidiair) ingeroepen contra-proferentem-regel van artikel 6:238 lid 2 BW en artikel 5 van de Richtlijn om die reden tot een andere uitkomst. Grief IX faalt op dit punt.

Schending mededelingsplicht

4.5

Voor de beoordeling van de door Achmea ingeroepen schending van de mededelingsplicht wijst het hof allereerst op artikel 7:928 lid 1 BW:

“De verzekeringnemer is verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen”

Artikel 3 van de Algemene Voorwaarden Arbeidsongeschiktheidsverzekering van Interpolis (hierna: de polisvoorwaarden) kent een met artikel 7:928, lid 1 BW overeenstemmende regeling, waarop Achmea een beroep doet.

4.6

Anders dan de rechtbank beoordeelt het hof de vraag of [appellant] zijn mededelingsplicht heeft geschonden niet in het kader van de bewijskracht van een onderhandse akte in de zin van artikel 157 lid 2 Rv, maar in het kader van artikel 7:928 lid 1 BW waarbij de stelplicht en bewijslast op Achmea rust. Dat betekent dat grief I op dat punt slaagt, maar dat leidt niet tot vernietiging van het bestreden vonnis, zoals hierna zal blijken.

4.7

Bij de beoordeling van de vraag of de mededelingsplicht door [appellant] is geschonden, is allereerst van belang hoe de verzekeringsovereenkomst, waarvan de gezondheidsverklaring deel uitmaakt, tot stand is gekomen. Naar aanleiding van een door [appellant] ingevuld aanvraagformulier, dat door Rabobank als tussenpersoon bij Achmea (Interpolis) is ingediend, is [appellant] op 13 oktober 2004 gebeld door een medewerker van Achmea, die met hem telefonisch de gezondheidsverklaring heeft doorgenomen. In dit telefoongesprek heeft [appellant] antwoord gegeven op de vragen uit de gezondheidsverklaring. Die antwoorden zijn door de medewerker van Achmea ingevuld in de gezondheidsverklaring, die vervolgens is opgestuurd naar [appellant] en door hem is ondertekend op 18 oktober 2004.

4.8

[appellant] stelt dat hij er bij het invullen en ondertekenen van de gezondheidsverklaring vanuit mocht gaan dat de vragen over rugklachten (4k), nekklachten, zenuwontsteking, schouderklachten en/of tennisarm (4j) zich beperkten tot klachten die zich in de periode van vijf jaar voorafgaand aan 13 oktober 2004 hadden voorgedaan en dat hij deze vragen daarom met “nee” heeft beantwoord. Volgens [appellant] mocht hij daarvan uitgaan onder meer omdat een termijn van vijf jaar werd genoemd in het aanvraagformulier waarmee hij de verzekering via de Rabobank heeft aangevraagd en omdat bij vraag 5a van de gezondheidsverklaring (“Hebt u de laatste 5 jaar ziekten of ongevallen gehad, waardoor u geheel of gedeeltelijk niet kon werken?”) over vijf jaar wordt gesproken en bij vraag 5b zelfs over een termijn van drie jaar (“Zijn er nog andere klachten, ziekten of aandoeningen, anders dan hierboven genoemd, waarvoor de laatste drie jaar een huisarts hebt geraadpleegd (…)?”).

4.9

De verzekeringsovereenkomst is gesloten op basis van de door Achmea opgestelde en gehanteerde vragenlijst. Dat betekent dat de feiten waarnaar gevraagd wordt in deze vragenlijst voor Achmea van belang (kunnen) zijn voor het aangaan van de verzekeringsovereenkomst en dat de verzekerde ( [appellant] ) dit ook wist of behoorde te begrijpen (vgl. artikel 7:928 lid 6 BW). [appellant] had aldus te maken met concrete (sub)vragen.

Bij de vragen naar nek-en schouderklachten (4k en 4j) wordt de vijfjaars-termijn niet genoemd. Datzelfde geldt voor de controlevraag 6a waarin wordt gevraagd of er sprake is van andere klachten waarvoor “ooit” röntgenfoto’s zijn gemaakt. Ook bij die vraag wordt geen vijfjaars-termijn genoemd. Daaruit volgt dat [appellant] zich niet mocht beperken tot vermelding van klachten en gemaakte (röntgen)foto’s in een periode tot vijf jaar voor 13 oktober 2004. Dat wordt niet anders doordat alleen in vraag 5a (en niet zoals [appellant] stelt in heel vraag 5) wel een termijn van vijf jaar wordt genoemd ten aanzien van ziekten of ongevallen waardoor arbeidsongeschiktheid is ontstaan dan wel een termijn van drie jaar voor het consulteren van een huisarts voor andere klachten (vraag 3). Dat betekent naar het oordeel van het hof dat [appellant] de (sub)vragen waarin geen termijn wordt genoemd van vijf jaar of van drie jaar in de gegeven omstandigheden niet zo kon en mocht opvatten dat deze termijn(en) ook golden voor de ándere (sub)vragen. Naar het oordeel van het hof zijn de vragen in de gezondheidsverklaring aldus duidelijk en begrijpelijk geformuleerd.

4.10

[appellant] stelt daarnaast ook dat in het formulier waarmee hij de verzekering heeft aangevraagd een termijn van vijf jaar werd genoemd. [appellant] heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan onvoldoende concreet onderbouwd dat uit het door hem gebruikte aanvraagformulier (waarvan het origineel niet is overgelegd) volgt dat de opgave van lichamelijke klachten zou kunnen worden beperkt tot klachten in een periode van vijf jaar voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekering. Uit het door [appellant] (als productie 9 bij akte van 4 oktober 2017) overgelegde voorbeeld-aanvraagformulier van Interpolis voor een verzekering als deze, blijkt dat niet. Niet gemotiveerd gesteld (in de memorie van grieven onder nr. 34 wordt het als “waarschijnlijk” of “kan bepaald niet worden uitgesloten” omschreven) of gebleken is dat voor [appellant] toen een ander aanvraagformulier is gebruikt. Dat ligt ook niet voor de hand nu het geanonimiseerde aanvraagformulier afkomstig is van Interpolis, ook uit 2004 stamt en het een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering betreft. In het aanvraagformulier wordt in het geheel niet gevraagd naar de gezondheidstoestand van de aspirant-verzekeringsnemer. Onderaan het aanvraagformulier wordt aangekondigd dat voor het invullen van de gezondheidsverklaring een telefonische afspraak wordt gemaakt. Dat is precies ook zo gebeurd bij [appellant] .

4.11

Evenmin volgt uit de stellingen van [appellant] voldoende concreet en onderbouwd dat tijdens de telefonische afname van de gezondheidsverklaring op 13 oktober 2004 iets anders zou zijn gevraagd of gezegd dan dat in de gezondheidsverklaring staat of dat de vragen in een andere volgorde zouden zijn gesteld (waardoor bij [appellant] onduidelijkheid heeft kunnen ontstaan ten aanzien van welke vraag wel en ten aanzien van welke vraag de vijfjaarstermijn niet gold). Het ligt naar het oordeel van het hof ook niet voor de hand dat de medewerker van Achmea (Interpolis) een ándere volgorde van de vragen zou kiezen. Echter, zelfs als zou komen vast te staan dat in het telefoongesprek wel van de volgorde van de vragen op het gezondheidsverklaring zou zijn afgeweken leidt dat niet tot een ander oordeel, nu de telefonische afname is gevolgd door een ondertekening van de (ingevulde papieren) gezondheidsverklaring door [appellant] op 18 oktober 2004, waarbij hij ook nog de gelegenheid had om de gezondheidsverklaring te lezen.

4.12

Het bij memorie van grieven door [appellant] gedane bewijsaanbod wordt door het hof als niet relevant gepasseerd, nu dat ziet op de inhoud van het telefoongesprek van 13 oktober 2004. Zelfs al zou hetgeen te bewijzen wordt aangeboden, komen vast te staan, geldt daarvoor dat het wordt ontkracht door de door [appellant] daarna getekende gezondheidsverklaring. Voor het overige is het bewijsaanbod onvoldoende concreet ten aanzien van te bewijzen stellingen en wordt het ook daarom door het hof gepasseerd.

4.13

Nu tussen partijen vaststaat dat [appellant] in 1987 en 1999 rug-en nekklachten heeft gehad naar aanleiding waarvan toen (in 1987 en 1999) röntgenfoto’s zijn gemaakt, is het hof van oordeel dat [appellant] de mededelingsplicht van artikel 3 van de polisvoorwaarden en artikel 7:928 lid 1 (gelezen in verbinding met lid 4) BW heeft geschonden. Dat de klachten uit 1999 en 1987 niet tot arbeidsongeschiktheid hebben geleid, zoals [appellant] met grief V naar voren brengt, doet aan de schending van de mededelingsplicht niet af. De mededelingsplicht (in de gezondheidsverklaring) heeft tot doel om de verzekeraar in staat te stellen met alle relevante informatie rekening te houden bij de beslissing of zij een aspirant- verzekerde accepteert en zo ja, op welke voorwaarden. Het gaat daarbij niet aan dat de aspirant-verzekerde zelf een beoordeling maakt van de relevantie van de te melden feiten en omstandigheden en daarbij die gegevens weglaat die hij zelf niet relevant acht voor die beoordeling. Niet hij maar de verzekeraar is, als risicodrager, als enige gerechtigd die afweging te maken.

Dit betekent dat grief I op dit punt, de grieven II tot en met V en VII falen.

De twee maanden termijn

4.14

In grief VI beroept [appellant] zich voorts op de vervaltermijn van twee maanden waarbinnen de verzekeraar zich op schending van de mededelingsplicht, na ontdekking daarvan, door de verzekeringsnemer moet beroepen. Volgens [appellant] heeft Achmea die termijn geschonden door zich eerst op 1 december 2011 daarop te beroepen, terwijl zij de genoemde schending al rond 7 september 2011 heeft ontdekt of had kunnen ontdekken, nu zij op dat moment de medische informatie van de huisarts van [appellant] heeft ontvangen.

Volgens Achmea is het moment van ontdekking 24 november 2011, de dag waarop haar medisch adviseur Derks een aantekening van door [appellant] verzwegen klachten in het dossier heeft gemaakt, althans 6 oktober 2011, het moment waarop Achmea de brief van de huisarts van [appellant] heeft bestudeerd en het vermoeden van schending van de mededelingsplicht bij Achmea is ontstaan. Het hof oordeelt hierover als volgt.

4.15

De verzekeraar die ontdekt dat aan de in artikel 7:928 BW omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, kan op grond van artikel 7:929 lid 1 BW de gevolgen daarvan slechts inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming (van de mededelingsplicht) wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Voor de ‘ontdekking’ zoals hier is bedoeld is, volgens de parlementaire geschiedenis bij deze bepaling, een vermoeden van schending van de mededelingsplicht niet voldoende maar is (ook) nodig dat de verzekeraar een voldoende mate van zekerheid heeft (bijvoorbeeld door eerst nader feitenonderzoek te doen, zo verstaat het hof).

4.16.

In deze zaak is het volgende van belang. De medische informatie is door Achmea bij de huisarts opgevraagd om de mate van arbeidsongeschiktheid van [appellant] te kunnen beoordelen. Deze informatie is op 7 september 2011 door Achmea ontvangen. Eerst bij de bestudering van die gegevens en vergelijking daarvan met de door [appellant] via de gezondheidsverklaring verstrekte gegevens en het verschil daartussen, is Achmea nader onderzoek gaan doen naar de mogelijke schending van de mededelingsplicht. Dit nader onderzoek is gestart op/vanaf 6 oktober 2011 toen de schadeafdeling het onderzoek startte naar de rechtmatigheid van het beroep op de polis. Dat de start van het onderzoek ongeveer een maand ligt nadat Achmea de informatie van de huisarts heeft ontvangen, leidt er niet toe dat de in artikel 7:929 BW genoemde twee maanden termijn eerder begint dan 6 oktober 2011. Een periode van ongeveer een maand nader onderzoek acht het hof daarvoor niet onredelijk. De andere door [appellant] aangevoerde feiten en omstandigheden die er op neerkomen dat Achmea een en ander redelijkerwijs eerder had kunnen en behoren te ontdekken dan 6 oktober 2011 zijn onvoldoende om van een eerder moment van ontdekking uit te gaan. De aanvang van de in artikel 7:929 BW genoemde twee maanden termijn ligt in deze zaak dus niet eerder dan 6 oktober 2011. Nu Achmea bij brief van 1 december 2011 [appellant] over schending van de mededelingsplicht heeft bericht is de termijn van twee maanden niet overschreden.

4.17

[appellant] heeft – voor het eerst – in de memorie van grieven onder nummer 86 e.v. aangevoerd dat niet door Achmea aannemelijk is gemaakt op welke datum hij de brief van 1 december 2011 heeft ontvangen. [appellant] betwist overigens niet dát deze brief door hem is ontvangen (op zijn adres [a-straat 1] [A] , het adres dat in de brief en andere in deze zaak overgelegde correspondentie is vermeld) maar hij kan het moment van ontvangst “eenvoudigweg” niet meer nagaan.

4.18

Dit betoog van [appellant] gaat niet op. Artikel 3:37 lid 3 BW houdt, voor zover hier van belang, in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104). Wordt de datum van ontvangst van de brief betwist dan is uitgangspunt hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2704), namelijk dat de rechter kan uitgaan van de ervaringsregel dat gewone post in veruit de meeste gevallen na een of meer dagen bij de geadresseerde wordt bezorgd. “Gelet op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.16 vermelde gegevens, dient immers gewone post door PostNL in ten minste 95% van de gevallen bezorgd te worden op de dag, niet zijnde een zondag, maandag of officiële feestdag, volgend op de dag van aanbieding aan PostNL.” Gezien deze rechtspraak oordeelt het hof dat aannemelijk is dat de brief van (donderdag) 1 december 2011 [appellant] op of voor (dinsdag) 6 december 2011 heeft bereikt.

Ook grief VI faalt.

Gevolgen schending mededelingsplicht

4.19

Met grief VIII richt [appellant] zich tegen rov 4.15 van het bestreden vonnis. Daarin oordeelt de rechtbank dat aannemelijk is geworden dat Achmea, als zij bekend zou zijn geweest met de rug-en nekklachten voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekering, voor die klachten een uitsluitingsclausule zou hebben opgenomen en dat Achmea de uitkering mocht weigeren als ware deze uitsluiting in de verzekeringsovereenkomst tussen partijen opgenomen.

Deze grief faalt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat Achmea aannemelijk heeft gemaakt dat zij deze verzekering niet op dezelfde voorwaarden zou hebben afgesloten als zij voor het sluiten van de overeenkomst op de hoogte was geweest van de eerdere rug- en nekklachten van [appellant] en dat zij daarvoor een uitsluitingsclausule zou hebben opgenomen. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat Achmea daarbij niet als een redelijk handelend verzekeraar heeft gehandeld.

4.20

Het verwijt dat [appellant] ook in grief IX aan de rechtbank maakt, namelijk dat zij het rechtsverwerkingsverweer niet heeft behandeld, is op zich juist, maar dat leidt ook niet tot vernietiging van het vonnis. Noch bij de rechtbank, noch in hoger beroep geeft [appellant] enige toelichting op deze stelling, zodat deze stelling vanwege onvoldoende onderbouwing door het hof wordt verworpen. Grief IX ziet verder op het oordeel van de rechtbank dat het handelen van Achmea niet in strijd is met de redelijkheid. Op dit punt wordt de grief in het geheel niet onderbouwd en is de nadere onderbouwing hiervan (pas in de akte na memoriewisseling) bovendien in strijd met de twee conclusieregel en de goede procesorde, zodat het hof daarop geen acht slaat. Aan [appellant] is alleen een akte toegestaan om te reageren op de bij memorie van antwoord door Achmea overgelegde producties, niet om nieuwe verweren te voeren.

Grief IX faalt.

4.21

De grieven X en XI, die voortbouwen op de eerdere grieven, falen eveneens.

5 Slotsom

5.1

Nu de grieven falen, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Tegen het tussenvonnis van 14 juni 2017 staat op grond van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen hogere voorziening open, zodat het hof [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.

5.2

Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof [appellant] veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad zoals gevorderd.

5.3

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Achmea zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 741, -

- salaris advocaat € 1.611, - (1,5 punt x tarief II).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen tussenvonnis van 14 juni 2017;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 februari 2018;

veroordeelt [appellant] in de kosten van hoger beroep, tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 741, - voor griffierecht en op € 1.611, - voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G ter Veer, R.A. Dozy en S.M. Evers en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2020.