Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4527

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
200.274.570
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 288 lid 1, aanhef en onder b en c Fw.

Artikel 288 lid 3 Fw.

Vernietiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Niet te goeder trouw ten aanzien van belastingschulden en in het buitenland opgelegde boetes.

Problematiek uit het verleden voldoende en gedurende een bestendige periode onder controle gekregen en een zekere (persoonlijke) ontwikkeling doorgemaakt.

Voldoende aannemelijk dat kan worden voldaan aan de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.274.570

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/493326)

arrest van 15 juni 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant, hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.D. van der Heijden.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 februari 2020 is het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 25 februari 2020 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 februari 2020. [appellant] verzoekt het hof om de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, het e-mailbericht met bijlagen van 4 juni 2020 en twee e-mailberichten met bijlagen van 5 juni 2020 van mr. Van der Heijden.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juni 2020. Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Van der Heijden. Ook is verschenen de op 15 juni 2018 benoemde beschermingsbewindvoerder van [appellant] , D.J. Mansvelder.
Ter mondelinge behandeling heeft mr. Van der Heijden aanvullende stukken overgelegd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellant] , geboren [in] 1959, is gehuwd geweest. In 2012 is hij gescheiden. Uit dat huwelijk zijn twee kinderen geboren, die bij de ex-echtgenote van [appellant] wonen. Na de scheiding heeft [appellant] tot in 2017 samengewoond met een nieuwe partner. Sinds vorig jaar heeft hij een nieuwe relatie.
heeft in 2002 een eenmanszaak opgericht. Deze onderneming heeft hij vanaf 19 augustus 2014 tot 1 januari 2017 onder een andere naam voortgezet.
ontvangt een uitkering ingevolge de Participatiewet. Door de gemeente is hij vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen.
Naast de hem sinds april 2017 geboden ondersteuning van het Lokaal Team te Baarn, wordt [appellant] volgens de verklaring van 29 mei 2020 van Kwintes sinds tweeëneenhalf jaar wekelijks door deze instantie begeleid. [appellant] heeft daarnaast vanaf 12 juni 2017 bij SymforaMeander het behandelprogramma ‘Stemmings- en angststoornissen’ gevolgd. Volgens de op 28 februari 2020 op schrift gestelde informatie van GGZ Centraal Zon & Schild (hierna: GGZ) staat [appellant] nog steeds onder behandeling van GGZ en zijn de tweewekelijkse gesprekken met hem hervat na een hiaat door het vertrek van medewerkers bij GGZ. Uit de e-mail van 8 mei 2020 van de huidige behandelaar van GGZ blijkt verder dat er sinds langere tijd (ook tijdens de Corona-periode) wekelijks telefonisch gesprekken zijn met [appellant] .
Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] verklaard dat hij, vooruitlopend op de door hem te volgen therapie, op 11 juni 2020 een intakegesprek bij GGZ heeft. In diezelfde week heeft hij een afspraak bij zijn huisarts om na te gaan of hij gelet op de recent bij hem vastgestelde COPD en allergie(ën) momenteel de juiste medicatie gebruikt.

3.2

[appellant] heeft in totaal ruim € 22.000 aan schulden. Hiertoe behoren volgens de crediteurenlijst van 2 december 2019 onder meer een schuld aan de belastingdienst van in totaal € 13.547, een schuld aan het CJIB van € 144 en een schuld aan ILC International (hierna: ILC) van € 480.
Blijkens de in hoger beroep overgelegde stukken is de schuld aan het CJIB via maandelijkse betalingen van € 13,09 in februari 2020 geheel afgelost.

3.3

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van de schulden aan de belastingdienst, het CJIB, ILC en het OM
(€ 140,93) te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1, aanhef en onder b van de Faillissementswet, hierna: Fw).
Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [appellant] geen inhoudelijke verklaring heeft gegeven voor het ontstaan van zijn belastingschulden, dat hij nalatig is geweest om in verband met de inkomstenbelasting en premies Zorgverzekeringswet voldoende middelen te reserveren en eveneens nalatig is geweest tijdig aangifte omzetbelasting in te dienen dan wel tijdig af te dragen op aangifte. Dat [appellant] de administratie heeft overgelaten aan zijn (toenmalige) partner, maakt dit niet anders, aldus de rechtbank.
De rechtbank heeft verder verwezen naar de verklaring van GGZ van 24 april 2019, waarin onder meer staat dat [appellant] door allerlei maatschappelijke problemen depressies heeft ontwikkeld, door gebrek aan ziekte inzicht de oorzaak buiten zichzelf legt en niet de noodzaak van behandeling inziet en daardoor klachten blijft houden die hem fors belemme-ren in zijn dagelijkse doen en laten. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat [appellant] ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voort-vloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen (artikel 288 lid 1, aanhef en onder c Fw).

3.4

Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn belastingschulden, in het bijzonder wat betreft de inkomstenheffing over 2015 en 2016 en de niet afgedragen omzetbelasting over 2016. Het hof onderschrijft het oordeel van de
rechtbank dat [appellant] middelen had moeten reserveren om de te verwachten belastingaanslagen te kunnen betalen. Ook valt hem te verwijten dat hij heeft nagelaten tijdig aangifte omzetbelasting te doen dan wel tijdig de verschuldigde omzetbelasting af te dragen. Dat [appellant] in 2016 door de problemen met zijn toenmalige partner het spoor volledig bijster is geraakt en om daaraan te ontvluchten in dat jaar zes keer op vakantie naar het buitenland is geweest en daarna geen geld meer had om aan zijn belastingverplichtingen te voldoen, rechtvaardigt noch nuanceert het ontstaan van zijn substantiële belastingschuld.
De schuld aan ILC betreft in Spanje opgelegde boetes wegens foutief parkeren en is naar zijn aard niet te goeder trouw ontstaan. Gelet hierop kan [appellant] in beginsel niet worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
3.5 Het verzoek om tot die regeling te worden toegelaten kan, ondanks het bestaan van genoemde schulden, toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [appellant] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen (de hardheidsclausule, artikel 288 lid 3 Fw). Namens [appellant] heeft zijn advocaat ter zitting van het hof hierop een beroep gedaan.

3.6

Het gaat bij de toepassing van deze clausule om de oorzaak van de problematiek, welke oorzaak de schuldenaar aantoonbaar onder controle moet hebben gekregen en waarbij in het algemeen is vereist dat de schuldenaar een (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt waaruit blijkt dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Met andere woorden: er moet sprake zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.

3.7

Naar het oordeel van het hof is genoegzaam aannemelijk geworden dat de schulden van [appellant] voornamelijk hun oorzaak vonden in de problematische situatie waarin hij zich bevond ten tijde van de relatie met zijn toenmalige partner. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat [appellant] de problematiek uit dat verleden voldoende en gedurende een bestendige periode onder controle heeft gekregen en dat hij een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die een geslaagd beroep op de hardheids-clausule rechtvaardigt. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [appellant] in 2017, toen hij zijn onderneming en relatie had beëindigd, heeft ingezien dat hij de problemen die inmiddels waren ontstaan niet op eigen kracht kon oplossen. Hij heeft op verschillende terreinen van zijn leven hulp gezocht en geaccepteerd, zoals naar voren komt in het feitenrelaas onder rov. 3.1. Wat betreft het financiële aspect, spreekt voor [appellant] dat zijn beschermingsbewindvoerder te kennen heeft gegeven dat het beschermingsbewind geheel naar wens verloopt. [appellant] heeft bewezen dat hij langdurig kan rondkomen van beperkte middelen (zijn weekgeld bedraagt € 80), nieuwe schulden zijn uitgebleven en ook is een bedrag voor de schuldeisers gespaard.
Op grond van de in hoger beroep overgelegde (medische) informatie - waarover de rechtbank ten tijde van de door haar genomen beslissing deels niet kon beschikken - is het hof verder van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de (vervolg)behandeling van zijn psychische problemen door toedoen van [appellant] is gestagneerd. Zoals uit de informatie van GGZ blijkt, heeft hij vanaf 2017 aan een behandelprogramma deelgenomen en is hij ook in 2019/2020 door deze instelling begeleid. Dat er een tijdelijk hiaat is geweest, is toe te schrijven aan de omstandigheid van elkaar opvolgende behandelaars bij GGZ. Uit de verklaring van [appellant] ter zitting blijkt ten slotte dat hij eerdaags aan een volgende therapie gaat deelnemen.

Gelet hierop acht het hof, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel voldoende aannemelijk dat [appellant] zal kunnen voldoen aan de verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling. Met betrekking tot dit laatste houdt het hof [appellant] voor dat hij in het wettelijk schuldsaneringstraject in beginsel fulltime moet werken en dat zolang de rechter-commissaris hem geen ontheffing van de sollicitatieverplichting heeft verleend, hij volgens de in dat traject geldende regels zal moeten solliciteren. Het hof gaat er verder van uit dat [appellant] gebruik zal blijven maken van de begeleiding die hij heeft ingeschakeld en de behandeling bij GGZ zal continueren.

3.8

Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen als hierna te melden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 februari 2020 en, opnieuw recht doende:

verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellant] .

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, L. Janse en C.J.H.G. Bronzwaer, en is op
15 juni 2020 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.