Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4498

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
13-07-2020
Zaaknummer
Wahv 200.211.999/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdigheid beroep. Bekendmaking. Dwangsom. Uit een werkinstructie van de CVOM blijkt dat de ‘OLA’ (het document met de acceptgirokaart) soms niet de motivering van de beslissing van de officier van justitie bevat, maar dat deze in een separate brief wordt verstuurd. Ten aanzien van dergelijke brieven bestaat geen deugdelijke verzendadministratie. In dit geval leidt het hof uit de stukken af dat op de OLA wél de beslissing en de motivering was afgedrukt. Ten aanzien van de OLA blijkt uit een deugdelijke verzendadministratie dat deze daadwerkelijk is verstuurd. Een enkele ontkenning van de ontvangst weerlegt dit niet. Het beroep bij de kantonrechter is desondanks ontvankelijk, nu niet blijkt dat de gemachtigde een afschrift van de beslissing is toegezonden. Aangezien de beslissing wel naar de betrokkene is toegestuurd, is de officier van justitie geen dwangsom verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.211.999/01

CJIB-nummer

: 189656204

Uitspraak d.d.

: 12 juni 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2017, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 3 mei 2018 en 16 juli 2018 zijn nog brieven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een afschrift van de brief van 3 mei 2018 is verzonden aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

ten aanzien van de bestreden beslissing

1. De gemachtigde heeft op 19 mei 2016 beroep ingesteld bij de kantonrechter tegen het niet tijdig beslissen op het administratief beroep van de betrokkene en waarin wordt verzocht een door de CVOM te verbeuren dwangsom vast te stellen.

2. De kantonrechter heeft geoordeeld dat uit het zaakoverzicht blijkt dat de officier van justitie op 5 november 2015 op het administratief beroep heeft beslist (ov. 2.4). Vervolgens heeft de kantonrechter geoordeeld dat met de brief van 19 mei 2016 beroep is ingesteld na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes weken na verzending van de beslissing van de officier van justitie en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat niet kan worden vastgesteld wanneer de bestreden beslissing de betrokkene of zijn gemachtigde heeft bereikt (ov. 2.9). De kantonrechter heeft de tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerde gronden beoordeeld, dit beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat geen dwangsom is verbeurd (ov. 2.6).

3. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat hij en de betrokkene nog immer geen afschrift van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep hebben ontvangen of een brief die als zodanig kwalificeert en dat het er daarom, mede bij gebreke van het verzendbewijs van een dergelijke beslissing voor moet worden gehouden dat niet tijdig op het administratief beroep is beslist en een dwangsom is verbeurd. Uit de uitspraak van het hof van 7 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8865 volgt mutatis mutandis dat de weergave in het zaakoverzicht dat er kennelijk een beslissing is genomen, niet kwalificeert als een beslissing in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook volgt daaruit dat de door de advocaat-generaal in de onderhavige zaak genoemde brief van het CJIB, of die nu van 5 of 13 november 2015 is, niet kwalificeert als besluit, omdat daarin geen motivering is opgenomen. De beslissing op het verzoek om een kostenvergoeding, alleen gericht aan de betrokkene, is geen beslissing op het administratief beroep. De verwijzing in die brief naar een beslissing op het administratief beroep is onvoldoende om aan te nemen dat er is beslist. Dat achteraf geen afschrift van de beslissing op het administratief beroep kan worden gereproduceerd, hetgeen bevreemdt gelet op het werkproces van de CVOM onder 3.2.6., is onzorgvuldig, ongeloofwaardig en komt voor rekening en risico van het openbaar ministerie, aldus de gemachtigde.

4. De advocaat-generaal concludeert tot bevestiging van de inleidende beschikking, stelt dat met de op 13 november 2015 door het CJIB aan de betrokkene verzonden beslissing tijdig op het administratief beroep is beslist en dat geen dwangsom is verbeurd.

5. Het hof stelt vast dat het zaakoverzicht inhoudt dat de officier van justitie op 5 november 2015 het administratief beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het zaakoverzicht met printdatum

7 april 2016 houdt in dat die beslissing als volgt is gemotiveerd:

“U hebt beroep ingesteld tegen de opgelegde sanctie. In uw brief heeft u niet uitgelegd waarom u het niet eens bent met de beschikking. Om het beroepschrift te kunnen beoordelen heeft de officier van justitie u verzocht de gronden van het beroep toe te zenden. Daarvoor heeft u vier weken de tijd gekregen. De officier van justitie heeft geen (tijdige) reactie met uw gronden van beroep ontvangen. Alles overwegende verklaart de officier van justitie het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Gevolg hiervan is dat uw beroepschrift niet inhoudelijk is beoordeeld. Omdat uw beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, wordt voorbij gegaan aan een eventueel verzoek te worden gehoord.”

Het zaakoverzicht met printdatum 27 oktober 2017 houdt in dat het CJIB de beslissing met dagtekening 13 november 2015 heeft verzonden.

Verder bevindt zich in het dossier een aan de betrokkene gerichte brief van 5 november 2015 waarin wordt meegedeeld dat het verzoek om een kostenvergoeding wordt afgewezen omdat het beroep ongegrond of niet-ontvankelijk is verklaard.

6. De door de gemachtigde van de betrokkene overgelegde werkinstructies van de CVOM houden onder 3.2.6.1. - voor zover hier van belang - in dat bij de beslissing “niet-ontvankelijk” altijd een landelijke of een lokale motivering wordt gekozen. “Bij een landelijke motivering komt de tekst van de beslissing op de optisch leesbare acceptgiro te staan die het CJIB uitdraait en naar betrokkene verstuurt. De beoordelaar hoeft in dit geval dus geen beslissingsbrief te genereren. Bij een lokale motivering (code 999-…) kan de beoordelaar de tekst van de motivering aanvullen of aanpassen. In dit geval genereert en verstuurt de beoordelaar zelf de beslissingsbrief.”

7. Gelet op de instructie en in aanmerking genomen dat de hiervoor onder 4 weergegeven motivering van de beslissing in het zaakoverzicht is opgenomen en die beslissing aldus digitaal is vastgelegd, moet het ervoor worden gehouden dat in dit geval slechts een door het CJIB verzonden beslissing van de officier van justitie is uitgegaan en wel op 13 november 2015, zoals in het zaakoverzicht met printdatum 27 oktober 2017 staat. Het hof heeft in het arrest van 23 december 2009 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020) geoordeeld dat, gelet op de in dat arrest beschreven vaste werkwijze van het CJIB bij de verzending van stukken, de kans op fouten daarbij nagenoeg is uitgesloten. Op grond daarvan mag worden aangenomen dat de beslissing van

13 november 2015 daadwerkelijk aan de betrokkene is toegestuurd. De omstandigheid dat het openbaar ministerie daar thans geen afschrift meer van kan verstrekken en evenmin een verzendbewijs, maakt dat niet anders.

8. Anders dan de gemachtigde stelt, betreft de uitspraak in de zaak ECLI:NL:GHARL:2016:8865 slechts de bekendmaking van de beslissing van de officier van justitie. In die zaak had de betrokkene het van het CJIB ontvangen stuk overgelegd en kon daarom op grond van de inhoud daarvan worden vastgesteld dat dit geen beslissing van de officier van justitie inhield. Die zaak wijkt dus af van de onderhavige zaak.

9. Het ligt vervolgens op de weg van een betrokkene of diens gemachtigde om de ontvangst van de (in dit geval door het CJIB verzonden) beslissing van de officier van justitie door de betrokkene op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Dat is niet gebeurd. De enkele ontkenning van de ontvangst onder verwijzing naar het door de gemachtigde genoemde arrest, dat in dit geval niet van toepassing is, is daartoe onvoldoende. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat de beslissing van de officier van justitie als onbestelbaar retour is gekomen en de stukken ook overigens niets behelzen waaruit kan blijken dat de beslissing van de officier van justitie de betrokkene niet heeft bereikt, moet het ervoor worden gehouden dat de betrokkene deze heeft ontvangen.

10. Het hof kan op grond van de inhoud van het dossier niet vaststellen dat de beslissing van de officier van justitie overeenkomstig artikel 6:17 van de Awb aan de gemachtigde is toegestuurd. De beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is dus niet op de juiste wijze bekendgemaakt. Daarom is de beroepstermijn niet gaan lopen. De kantonrechter heeft het beroep dan ook terecht ontvankelijk geacht.

11. Niettemin kan de beslissing van de kantonrechter geen stand houden, gelet op het volgende.

12. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep ook aan dat de kantonrechter niet heeft onderkend dat de officier van justitie hem geen gelegenheid heeft gegeven om de gronden van het beroep aan te vullen, nu de daartoe strekkende brief niet aan de gemachtigde maar aan de betrokkene is gezonden.

13. Dit verweer treft doel. In het administratief beroepschrift van 3 juli 2015 wordt de verweten gedraging betwist en verzoekt de gemachtigde onder andere om een nadere termijn voor het aanvullen van gronden. Op grond van de inhoud van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de gemachtigde die gelegenheid is geboden. Het dossier bevat slechts een aan de betrokkene gerichte brief van 28 juli 2015, waarbij de officier van justitie de gelegenheid heeft gegeven het verzuim de gronden van het beroep op te geven te herstellen.

14. De kantonrechter had de beslissing van de officier van justitie dan ook niet in stand mogen laten. Het hof zal beide beslissingen vernietigen, met gegrondverklaring van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, het beroep tegen de inleidende beschikking en het verzoek een te verbeuren dwangsom vast te stellen beoordelen.

ten aanzien van de gedraging

15. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 april 2015 om 13:25 uur op de Botlekweg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

16. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de verweten gedraging niet in voldoende mate is komen vast te staan, omdat niet duidelijk is op welke wijze de verbalisant de gedraging heeft waargenomen. Blijkens de zaakstukken bevond de verbalisant zich niet achter de betrokkene. Waar hij zich bevond en of hij voldoende zicht had op het verkeersplein en de stoplichten is niet vermeld. De betrokkene reed door oranje. Mogelijk heeft de verbalisant alleen de schijning van het verkeerslicht of de verklik-lichten aan de achterzijde waargenomen.

17. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

18. Het zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Betrof het verkeerslicht met het nummer S17. Kruispunt Botlekweg/Theemsweg. Het verkeerslicht stond op rood toen betrokkene kwam aanrijden en reed vervolgens door het rode licht om linksaf de Theemsweg op te rijden. Zat in mijn privéauto kon betr. (het hof leest: betrokkene) niet staandehouden.”

19. Uit deze toelichting blijkt het een visuele waarneming van de ambtenaar betreft. Het hof leidt uit het vermelden van het nummer van het verkeerslicht, dat op de voorzijde daarvan pleegt te staan, af dat de ambtenaar rechtstreeks zicht had op het verkeerslicht. Hetgeen namens de betrokkene wordt aangevoerd geeft dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de waarneming en de verklaring van de ambtenaar. Vast staat dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond.

ten aanzien van de dwangsom

20. Artikel 7:24 van de Awb stelt de beslistermijn op een administratief beroepschrift op zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken. De beroepstermijn eindigde op 9 juli 2015. De beslistermijn eindigde op 30 november 2015.

21. Gelet op artikel 6:17 van de Awb had de officier van justitie de beslissing van 13 november 2015 niet alleen aan de betrokkene, maar in ieder geval ook aan de gemachtigde moeten toesturen. Dat dit kennelijk niet is gebeurd, waardoor de gemachtigde niet op hoogte is geraakt van de beslissing, brengt echter niet mee dat niet tijdig is beslist. Het hof wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2013 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2013:969). Nu de beslissing op het administratief tijdig is genomen, deze is toegestuurd aan de betrokkene en de ontvangst ervan niet succesvol is betwist, is er geen dwangsom verbeurd. Dit betekent dat het verzoek tot vaststelling van een dwangsom moet worden afgewezen.

ten aanzien van de proceskosten

22. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af;

wijst af het verzoek tot vaststelling van een door de officier van justitie te verbeuren dwangsom.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.