Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4487

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
21-001890-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van viermaal mishandeling, belediging van een ambtenaar in functie en het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk gegeven bevel.

Het hof herhaalt de overwegingen van de rechtbank over de mishandelingen en voegt daaraan een bewijsoverweging toe die ziet op de mishandeling van de dochter van een van de slachtoffers. Daarin gaat het hof in op het voorwaardelijk opzet van verdachte op het veroorzaken van letsel en de aanmerkelijke kans dat dit letsel zou ontstaan door het handelen van verdachte.

Het hof is gelet op de feiten en omstandigheden van dit specifieke geval van oordeel dat sprake is van mishandeling. Verdachte heeft met zijn gedragingen, in het bijzonder gelet op het met beide handen in de rug van de zesjarige [slachtoffer] duwen terwijl zij op de trap stond, immers willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] hierdoor ten val zou komen en als gevolg daarvan letsel zou oplopen.

Het hof legt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op. Het hof ziet met de advocaat-generaal geen aanleiding om daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden, omdat verdachte niet openstaat voor enige vorm van begeleiding van de reclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001890-18

Uitspraak d.d.: 12 juni 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 23 maart 2018 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-820001-18 en 18-243533-17, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het hem in de zaak met parketnummer 18-820001-18 onder 2 tenlastegelegde en het hem in de zaak met parketnummer 18-243533-17 onder de feiten 1 tot en met 5 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 168 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. N.W.A. Dekens, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken ter zake van het hem in de zaak met parketnummer 18-820001-18 onder feiten 1 primair, 1 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde. Hoger beroep tegen deze vrijspraak staat voor verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

De meervoudige kamer in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor mishandeling, vier maal gepleegd, eenvoudige belediging van een ambtenaar in functie en het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk gegeven bevel. De rechtbank heeft verdachte daarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 168 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest. De rechter heeft voorts ten aanzien van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf een aantal bijzondere voorwaarden opgelegd inhoudende een meldplicht bij de reclassering. Tot slot heeft de rechter de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, gelet op de bovengenoemde partiële vrijspraak van verdachte.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 18-820001-18:

1.
Primair

hij op of omstreeks 3 januari 2018 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer 1] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een glazen asbak tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. Subsidiair

hij op of omstreeks 3 januari 2018 te [plaats] [slachtoffer 1] heeft mishandeld door een glazen asbak tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te gooien;


2.
hij op of omstreeks 3 januari 2018 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen met gebalde vuist in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan;
3.
hij op of omstreeks 3 januari 2018 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een of meer asbak(ken) en/of de muur van een woning gelegen aldaar aan de [adres] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
4.
hij op of omstreeks 3 januari 2018 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Zaak met parketnummer 18-243533-17 (gevoegd):


1.

hij op of omstreeks 17 november 2017 te [plaats] [slachtoffer 4] heeft mishandeld door haar - meermalen te slaan/stompen en/of - meermalen te schoppen/trappen en/of - meermalen te bijten;


2.
hij op of omstreeks 17 november 2017 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem aan zijn haren te trekken;


3.
hij op of omstreeks 17 november 2017 te [plaats] [slachtoffer 3] heeft mishandeld door haar (op/van de trap) te duwen waardoor zij ten val kwam;


4.
hij op of omstreeks 17 november 2017 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 5] , hoofdagent van de politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: "Jij bent een vies wijf. Hoer, vieze hoer, smerig kutwijf", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;


5.
hij op of omstreeks 17 november 2017 te [plaats] opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, [verbalisant 1] , brigadier van de politie en/of [verbalisant 2] , inspecteur van de politie, belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan een speekseltest en/of een bloedonderzoek, hieraan geen gevolg te geven;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Zaak met parketnummer 18-243533-17 onder 1, 2 en 3

Ter zake van de mishandelingen van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft de rechtbank het volgende overwogen:

'De aangifte van [slachtoffer 4] wordt ondersteund door de opgemaakte letselrapportage, waaruit blijkt dat de bij aangeefster waargenomen letsels passen bij de door haar opgegeven toedracht. Dat de kinderen zijn mishandeld door verdachte blijkt uit de aangifte van [slachtoffer 4] , waarin zij verklaart te hebben gezien dat haar zoon aan de haren is getrokken en van haar dochter te hebben gehoord dat zij van de trap is geduwd. Dit deel van de aangifte van [slachtoffer 4] wordt ondersteund door het door de ter plaatse gekomen verbalisanten op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat de kinderen kort na het voorval spontaan aan de verbalisanten hebben verklaard over de mishandelingen. Dat [slachtoffer 3] door verdachte van de trap is geduwd, wordt voorts bevestigd door het door de verbalisanten geconstateerde letsel, te weten blauwe plekken op haar billen. De verklaring van verdachte dat aangeefster en haar twee kinderen in strijd met de waarheid een belastende verklaring jegens hem zouden hebben afgelegd, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk.'

Het hof sluit zich bij de bovenstaande overweging aan, met toevoeging van het onderstaande.

Mishandeling [slachtoffer 3]

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het letsel in de vorm van blauwe plekken op de billen van [slachtoffer 3] – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Het hof stelt op basis van het dossier en de behandeling ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

In de ochtend van 17 november 2017 bevinden verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zich in de woning aan de [adres] te [plaats] , naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld.1 Aldaar nemen zij de aangifte op van [slachtoffer 4] ter zake van mishandeling door verdachte. Omdat de kinderen bij het huiselijk geweld waren betrokken, spreken de verbalisanten met hen. Zij horen [slachtoffer 3] (6) zeggen dat zij die ochtend door 'papa' (het hof begrijpt: verdachte) van de trap was geduwd. [slachtoffer 3] zegt dat zij de nacht voorafgaand aan die ochtend uit bed ging om naar de wc te gaan. Toen zij naar beneden liep, liep verdachte naar boven. Verbalisant [verbalisant 3] vraagt aan [slachtoffer 3] om bij haar voor te doen hoe verdachte haar duwde. [verbalisant 3] verbaliseert dat zij ziet en voelt dat [slachtoffer 3] haar met twee handen in haar rug duwt. Op de vraag aan [slachtoffer 3] of verdachte dat expres of per ongeluk deed, antwoordt [slachtoffer 3] dat verdachte dat expres heeft gedaan.

Verbalisant [verbalisant 3] vraagt vervolgens aan [slachtoffer 3] of zij zich pijn heeft gedaan. Daarop antwoordt [slachtoffer 3] dat de trap net een glijbaan was en dat ze een 'zere bips' had. Op de vraag of haar bips nog steeds zeer deed, antwoordt [slachtoffer 3] bevestigend. De verbalisanten nemen waar dat [slachtoffer 3] naar haar billen wijst naar aanleiding van de vraag waar het zeer deed. Zij zien een blauwe plek bovenaan haar rechterbil en een blauwe plek op haar linkerbil. De verbalisanten hebben hiervan een foto gemaakt die aan het dossier is toegevoegd.

Voorts blijkt uit het dossier dat [slachtoffer 4] op 17 november 2017 tegenover verbalisant [verbalisant 4] verklaart dat zij van [slachtoffer 3] heeft gehoord dat verdachte haar van de trap heeft geduwd.2 [slachtoffer 3] zou hebben verteld dat dit gebeurde toen zij naar de wc liep.

Tot slot blijkt uit het dossier dat verbalisant [verbalisant 5] zich op 17 november 2017 in de woning aan de [adres] te [plaats] bevindt, waar [slachtoffer 3] zich ook bevindt. Verbalisant [verbalisant 5] neemt waar dat één van de kinderen, het meisje (het hof begrijpt: [slachtoffer 3] ), aan haar jas trekt en het volgende zegt: 'Mag ik u wat vragen? Ik durf niet meer naar huis, want daar is die trap waar die man mij vanaf heeft geduwd.'3

Het hof is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen, in het bijzonder gelet op het met beide handen in de rug van de trap naar beneden duwen van de zesjarige [slachtoffer 3] , willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 3] hierdoor ten val kwam en als gevolg daarvan letsel zou oplopen. Het in de zaak met parketnummer 18-243533-17 onder 3 tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-820001-18 onder 2 en in de zaak met parketnummer 18-243533-17 onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 18-820001-18:


2.
hij op 3 januari 2018 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen met gebalde vuist in het gezicht van die [slachtoffer 1] te slaan;

Zaak met parketnummer 18-243533-17 (gevoegd):


1.
hij op 17 november 2017 te [plaats] [slachtoffer 4] heeft mishandeld door haar meermalen te slaan/stompen en te bijten;


2.
hij op 17 november 2017 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem aan zijn haren te trekken;


3.
hij op 17 november 2017 te [plaats] [slachtoffer 3] heeft mishandeld door haar van de trap te duwen, waardoor zij ten val kwam;


4.
hij op 17 november 2017 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 5] , hoofdagent van de politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: "Jij bent een vies wijf. Hoer, vieze hoer, smerig kutwijf";


5.
hij op 17 november 2017 te [plaats] opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, [verbalisant 1] , brigadier van de politie, belast met het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan een speekseltest hieraan geen gevolg te geven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 18-820001-18 onder 2 en in de zaak met parketnummer 18-243533-17 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het in de zaak met parketnummer 18-243533-17 onder 4 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het in de zaak met parketnummer 18-243533-17 onder 5 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 17 november 2017 schuldig gemaakt aan huiselijk geweld, eenvoudige belediging van een ambtenaar in functie en het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk gegeven bevel. Hij heeft [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] mishandeld. [slachtoffer 1] heeft hij meermalen geslagen en gebeten, [slachtoffer 2] heeft hij aan zijn haren getrokken en [slachtoffer 3] heeft hij van de trap geduwd. Tijdens het vervoer in de politieauto heeft hij verbalisant [verbalisant 5] uitgescholden en eenmaal op het politiebureau aangekomen, heeft verdachte geweigerd mee te werken aan een onderzoek naar speeksel, ter vaststelling van het gebruik van verdovende middelen. Op 3 januari 2018 heeft verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] door haar meermalen met zijn vuist in het gezicht te slaan. Het samenstel van strafbare feiten heeft plaatsgevonden in de huiselijke sfeer, waarbij het hof verdachte in het bijzonder kwalijk neemt dat de mishandelingen ook gericht waren tegen de kinderen van [slachtoffer 1] , terwijl zij hem als een vaderfiguur beschouwden. Door zo te handelen heeft verdachte op geen enkele wijze respect getoond voor de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Bovendien is het algemeen bekend dat huiselijk geweld niet alleen een inbreuk op de lichamelijk integriteit vormt, maar ook inbreuk maakt op de geestelijke integriteit. Het is niet ondenkbaar dat de slachtoffer geruime tijd zowel lichamelijke als geestelijke hinder en klachten ondervinden ten gevolge van het handelen van verdachte. Daarnaast heeft verdachte de eer en goede naam van verbalisant [verbalisant 5] aangetast en heeft hij het gezag en de autoriteit van de politie ondermijnd.

Het hof houdt bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening met een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 april 2020. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld is voor soortgelijke feiten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het hof houdt voorts rekening met de adviezen van de reclassering, waaruit blijkt dat de ontvankelijkheid voor begeleiding en behandeling laag is. In het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 6 maart 2018 adviseert de reclassering om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, waaronder een behandelverplichting in het kader van zijn agressieproblematiek. Uit het meest recente reclasseringsadvies van Inforsa d.d. 29 januari 2019 in een andere zaak tegen verdachte blijkt echter dat de reclassering adviseert om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat zij geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico's te beperken en het gedrag te veranderen. Zij concluderen dat de mogelijkheden om verdachte te begeleiden binnen een ambulant kader inmiddels zijn uitgeput.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die door zijn raadsvrouw tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht. Van belang is dat de raadsvrouw aangeeft dat verdachte een nieuwe woonruimte heeft in [plaats] en op dit moment bezig is met een studie en werkt.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat – gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten en de recidive van verdachte – niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf dan wel een taakstraf. Oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf is noodzakelijk vanuit het oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van de door verdachte begane delicten. Het hof ziet geen aanleiding om daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden, omdat het zinloos is verdachte door de reclassering te laten ondersteunen als verdachte niet openstaat voor enige vorm van begeleiding. Gezien verdachtes strafrechtelijke verleden bestaat aanleiding de proeftijd te bepalen op drie jaren.

Redelijke termijn

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar overgelegde pleitaantekeningen betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

Het hof stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Het hof overweegt met betrekking tot het totale procesverloop in deze zaak het volgende. De redelijke termijn is aangevangen op 17 november 2017 op het moment dat verdachte door de politie werd verhoord. De rechtbank heeft op 23 maart 2018 vonnis gewezen. Daarmee is de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg niet overschreden en is zelf sprake van een zeer voortvarende behandeling in eerste aanleg. Vervolgens heeft verdachte appel aangetekend op 3 april 2018 en is het dossier bij het hof binnengekomen op 16 november 2018. Ter zake van de inzendingstermijn is aldus ook geen sprake van een schending van de redelijke termijn. Dit hof wijst arrest op 12 juni 2020. Dat betekent dat tussen de datum waarop verdachte hoger beroep heeft ingesteld en de datum waarop dit hof arrest wijst 2 jaren en ruim 2 maanden is verstreken.

Daarmee is de redelijke termijn in de fase van hoger beroep in beperkte mate, te weten met ruim 2 maanden overschreden, waardoor de totale berechting in twee feitelijke instanties 2 jaar en 7 maanden heeft geduurd. Daarmee heeft de duur van de totale berechting in twee feitelijke instanties niet de redelijke termijn overschreden. Vanwege de geringe overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep, is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 184, 266, 267 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-820001-18 onder 1 primair, 1 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-820001-18 onder 2 en in de zaak met parketnummer 18-243533-17 onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-820001-18 onder 2 en in de zaak met parketnummer 18-243533-17 onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 168 (honderdachtenzestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Hofstra, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. E. Kole, raadsheren,

in tegenwoordigheid van D. Janssen, griffier,

en op 12 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. E. Kole is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Het in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2018, als bijlage op pagina 26 e.v. van het proces-verbaal, genummerd PL0100-2017303436.

2 Het in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 november 2017, als bijlage op pagina 18 e.v. van het proces-verbaal, genummerd PL0100-2017303436.

3 Het in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2018, als bijlage op pagina 67 e.v. van het proces-verbaal, genummerd PL0100-2017303436.