Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4484

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
PIJ P20/0130
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2020:1759, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Penitentiair strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gelet op de chronische en hardnekkige problematiek van de jeugdige valt het niet te verwachten dat zijn behandeling binnen een termijn van 24 maanden zal leiden tot een zodanige beperking van het delictgevaar dat de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (voorwaardelijk) kan worden beëindigd. Het hof acht een reguliere GGZ-instelling vooralsnog geen passende vervolgvoorziening voor hem. Het verzoek tot het doen onderzoeken van de mogelijkheid tot overgang van de jeugdige naar een reguliere GGZ-instelling in het kader van een zorgmachtiging wordt afgewezen. Het hof bevestigt de beslissing van de rechtbank, met uitzondering van de overweging van de rechtbank betreffende de afwijzing van het verzoek van de raadsman tot het doen onderzoeken van behandelmogelijkheden van de jeugdige binnen het kader van een zorgmachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PIJ P20/0130

Beslissing d.d. 11 juni 2020

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van:

[naam jeugdige] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1997,

verblijvende in Justitiële Jeugdinrichting (JJI) [naam] te [plaats] ,

hierna: de jeugdige.

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2020, houdende verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) met een termijn van 24 maanden en - zo verstaat het hof - afwijzing van het verzoek tot het doen onderzoeken van de mogelijkheid van een overgang naar een behandeling in het kader van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz).

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

  • -

    het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

  • -

    de beslissing waarvan beroep;

  • -

    de akte van beroep van de jeugdige van 2 april 2020;

  • -

    de appelschriftuur van de raadsman van de jeugdige van 16 april 2020;

  • -

    de aanvullende informatie van JJI [naam] van 25 mei 2020.

Ter zitting van 28 mei 2020 heeft het hof gehoord de jeugdige, zijn raadsman mr. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam, alsmede de deskundigen L. Hehenkamp en V.H.H. van Dongen, beiden verbonden aan JJI [naam] te [plaats] en de advocaat generaal mr. W.C.J Stienen.

Overwegingen:

De aanvullende informatie van JJI [naam] en de verklaringen van de deskundigen

Sinds het uitbrengen van het verlengingsadvies is er weinig veranderd in het diagnostische beeld. De jeugdige heeft nog psychotische klachten. Hij geeft aan meer last te hebben van stemmen. Er is tweemaal sprake geweest van automutilatie. Conform de wens van de jeugdige en zijn ouders heeft JJI [naam] ingestemd met een overplaatsing. De jeugdige gaat naar RJJI [locatie] wanneer dit mogelijk is. Die overplaatsing zal uiterlijk zes maanden op zich laten wachten. Tot de overplaatsing wordt de ingezette behandeling van de jeugdige in JJI [naam] voortgezet. JJI [naam] blijft hij het eerder uitgebrachte advies om de maatregel met een termijn van 24 maanden te verlengen.

De deskundige Van Dongen heeft verklaard dat er bij de jeugdige sprake is van complexe en hardnekkige problematiek. Het is heel erg lastig om een geschikte plek voor hem te vinden bij een reguliere GGZ-instelling, waar hem langdurig passende zorg kan worden aangeboden. Hij heeft meer begeleiding nodig dan een reguliere GGZ-instelling hem kan geven. Een JJI is een geschiktere plek voor hem. Naast behandeling van de jeugdige kan tijdens zijn verblijf in een JJI gedurende een relatief lange tijd voldoende bescherming worden geboden. De toestand van de jeugdige moet verder verbeteren voordat hij kan verblijven in een begeleide woonvoorziening met genoeg steun en kennis op psychiatrisch gebied. De deskundige Van Dongen ziet voldoende mogelijkheden voor de verdere behandeling van de jeugdige in JJI [naam] . Daarbij wordt gedacht aan de wijziging van de medicatie om zijn psychotische klachten aan te pakken en - wat langer zal duren - hem door middel van therapie met die klachten om te leren gaan. De deskundige Hehenkamp heeft hieraan toegevoegd dat mogelijk door middel van psycho-educatie kan worden bereikt dat de jeugdige accepteert dat er bij hem sprake is van chronische psychiatrische problematiek.

Het standpunt van de jeugdige en zijn raadsman

De jeugdige heeft voortuitgang geboekt. Hij is gestopt met het gebruik van cannabis. Hij gebruikt antipsychotische medicatie, maar hij heeft nog wel last van stemmen in zijn hoofd. Hij is verdrietig en boos geworden van het nieuws dat hij begeleid moet gaan wonen. De jeugdige wil het liefst weer gaan wonen bij zijn ouders die hem zullen helpen. Als dat niet mogelijk is, wil hij uitzicht krijgen op de start van het Scholings en Trainingsprogramma (STP). De jeugdige vindt dat zijn behandeltraject in JJI [naam] , waar hij inmiddels al drie jaar verblijft, te traag verloopt. Hij kan zich wel vinden in het voornemen om hem binnen een half jaar over te plaatsen naar RJJI [locatie] , maar hij verwacht dat hij in een reguliere GGZ-instelling beter kan worden behandeld dan in een JJI.

De raadsman heeft primair bepleit de verlengingsvordering af te wijzen. Er kunnen twee vraagtekens worden gesteld bij het aanwezigheid van het gevaar voor de herhaling van zedendelicten. Ten eerste is de voorlopige hechtenis van de jeugdige bijna een jaar geschorst geweest. Tegen het einde van dat jaar ging het niet goed met hem, maar die problemen hadden niets te maken met zedendelicten. Ten tweede geeft het gebruikte risicotaxatie-instrument een onbetrouwbare voorspelling voor wat betreft de herhaling van zedendelicten.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de zaak aan te houden met een opdracht aan het openbaar ministerie om onderzoek te doen naar de plaatsing van de jeugdige in een reguliere GGZ-instelling in het kader van een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (Wfz) juncto artikel 3.4 van de Wvggz. De psychiatrische problematiek van de jeugdige is chronisch van aard. Het is nog maar de vraag of zijn psychotische klachten ooit zullen afnemen. Het gaat erom dat hij leert om te gaan met die klachten. Een zorgmachtiging is noodzakelijk om ernstig nadeel af te wenden dan wel de geestelijke gezondheid van de jeugdige te herstellen. De zorgmachtiging kan worden verleend voor een periode van zes maanden en daarna telkens worden verlengd. Hierdoor wordt de veiligheid van anderen ook beschermd. De raadsman heeft meer subsidiair bepleit de verlengingsduur van de maatregel te beperken tot één jaar. Uiterst subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het hof bij een verlenging van de maatregel met een termijn van twee jaar bepaalt dat het STP-traject binnen die termijn dient te beginnen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het is te vroeg voor een beëindiging van de maatregel en een overgang van de JJI naar een reguliere GGZ-instelling. De psychotische klachten van de jeugdige zijn niet afgenomen. Er is tijd nodig om rust te creëren en de oorsprong van de klachten nader te onderzoeken. Ondanks alle goede bedoelingen zijn de behandeldoelen tot nu toe nog niet behaald. Een verlenging van de maatregel met een termijn van 24 maanden is nodig om te komen tot een goede behandeling van de jeugdige en een goed plan om hem vanuit de JJI door te laten stromen naar een begeleide woonvoorziening dan wel hem bij zijn ouders te laten wonen. Ook gelet op de verklaringen van de deskundigen is een overgang naar de reguliere GGZ op dit moment geen reële optie. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank.

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen te verlengen met een termijn van 24 maanden. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd, met uitzondering van de overweging van de rechtbank betreffende de afwijzing van het verzoek van de raadsman tot het doen onderzoeken van behandelmogelijkheden van de jeugdige binnen het kader van een zorgmachtiging, en met aanvulling van het volgende.

Bij de jeugdige is onder meer sprake van een verstandelijke beperking in combinatie met een ongespecificeerde schizofrenie spectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in middelengebruik. Er is een sterk verband tussen de complexe problematiek van de jeugdige en het recidiverisico dat zonder behandeling als hoog wordt ingeschat. Gelet op de chronische en hardnekkige problematiek van de jeugdige valt het niet te verwachten dat zijn behandeling binnen een termijn van 24 maanden zal leiden tot een zodanige beperking van het delictgevaar dat de maatregel (voorwaardelijk) kan worden beëindigd. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de jeugdige in de komende periode zal worden overgeplaatst van JJI [naam] naar RJJI [locatie] . Na die overplaatsing dient zijn behandeling te worden voortgezet en moet hij nog beginnen aan een resocialisatietraject met een gefaseerde uitbreiding van zijn vrijheden om toe te werken naar de plaatsing in een passende vervolgvoorziening. Het hof acht een reguliere GGZ-instelling - mede gelet op de verklaring van de deskundige Van Dongen - vooralsnog geen passende vervolgvoorziening voor hem. Daarom zal het hof het subsidiaire verzoek tot het doen onderzoeken van de mogelijkheid tot overgang naar een reguliere GGZ-instelling in het kader van een zorgmachtiging afwijzen. Ten slotte is het niet aan het hof om te bepalen wanneer de jeugdige aan een STP-traject dient te beginnen.

Einde maatregel

Gevolg gevend aan het bepaalde in artikel 6:6:31, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, stelt het hof vast dat de maatregel, gelet op de ingangsdatum, de expiratiedatum na de vorige verlenging en de verlenging bij deze beslissing, behoudens verdere verlenging, voorwaardelijk zal eindigen op 9 maart 2022 en onvoorwaardelijk zal eindigen op 9 maart 2023.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek van de raadsman tot het doen onderzoeken van de mogelijkheid tot overgang van de jeugdige naar een reguliere GGZ-instelling in het kader van een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg juncto artikel 3.4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.

Bevestigt, met aanvulling en verbetering van gronden zoals hiervoor is overwogen, de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2020 met betrekking tot de jeugdige [naam jeugdige] .

Aldus gedaan door

mr. J.A.W. Lensing als voorzitter,

mr. M.E. van Wees en mr. E.A.K.G. Ruys als raadsheren,

en dr. W.J. Canton en drs. I.M. van Woudenberg als raden,

in tegenwoordigheid van mr. R. Hermans als griffier,

en op 11 juni 2020 in het openbaar uitgesproken.

Mr. J.A.W. Lensing, mr. E.A.K.G. Ruys, mr. R. Hermans en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.