Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4415

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
11-06-2020
Zaaknummer
200.236.378/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Twee broers zijn (middellijk) bestuurder en aandeelhouder van een vennootschap. De ene broer (broer 1) wil uittreden. Zijn aandelen worden – via een inkoop eigen aandelen door de vennootschap – overgedragen aan een derde. De derde vernietigt de overeenkomst wegens dwaling omdat sprake blijkt te zijn van een omvangrijk zwartgeldcircuit. De vennootschap vordert vervolgens aanpassing van de overeenkomst tot inkoop van de eigen aandelen en terugbetaling van een fors deel van de koopsom.

Anders dan de rechtbank verwerpt het hof het beroep op dwaling, omdat onvoldoende is weersproken dat de andere broer (broer 2) ook op de hoogte was van de omvang van het zwartgeldcircuit. Zijn kennis wordt toegerekend aan de vennootschap.

Het hof stelt verder vast dat de vennootschap artikel 21 Rv heeft geschonden door – ondanks herhaalde verzoeken van broer 1 – informatie over een met de fiscus getroffen regeling, die erop neerkwam dat een fors deel van de opgelegde naheffingsaanslagen werd kwijtgescholden, achter te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.236.378/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 115914)

arrest van 9 juni 2020

in de zaak van

[appellante] Beheer B.V.,

gevestigd te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie in de hoofdzaak en
eiseres in de vrijwaring,

hierna: L. Beheer,

advocaat: mr. P.A.M. Manning, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

1 [geïntimeerde1] Beheer B.V.,

gevestigd te [A] ,

hierna: A. Beheer,

2. Gebroeders Van der Wal Beheer B.V.,

gevestigd te [A] ,
hierna: Gebr. Beheer,
in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie in de hoofdzaak,

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde3],
in eerste aanleg: gedaagde in de vrijwaring,
geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: Gebr. Beheer c.s.,

advocaat: mr. R.S. van der Spek, kantoorhoudend te Leeuwarden.


Het hof neemt het tussenarrest van 13 augustus 2019 hier over.

1 De procedure in eerste aanleg

1.1

Het verloop van de procedure in eerste aanleg blijkt uit het vonnis in incident van 22 februari 2012 en uit de vonnissen van 22 april 2015, 10 februari 2016 en

29 november 2017 van de rechtbank Nood-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de rechtbank).

2 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

2.1

In het tussenarrest van 13 augustus 2019 is een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft op 24 januari 2020 plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken.
Vervolgens hebben Gebr. Beheer c.s. een akte (met producties) genomen en heeft
L. Beheer een antwoordakte na comparitie (met producties) genomen.
Partijen hebben deze stukken (in aanvulling op het ten behoeve van de comparitie van partijen ingediende procesdossier) overgelegd.
Het hof heeft vervolgens arrest bepaald.

2.2

In dit hoger beroep vordert L. Beheer dat het hof de vonnissen van de rechtbank zal vernietigen, de vorderingen van Gebr. Beheer en A. Beheer af zal wijzen en Gebr. Beheer c.s. zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

2.3

L. Beheer heeft in haar antwoordakte nieuwe producties overgelegd. Gebr. Beheer c.s. hebben niet op deze producties kunnen reageren. Het hof zal deze producties buiten beschouwing laten. Uit wat hierna volgt, blijkt dat L. Beheer daardoor niet in haar belangen wordt geschaad.

3 De vaststaande feiten en de beslissingen in eerste aanleg

3.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2

[geïntimeerde3] en [appellante] zijn broers. Zij hebben ieder een persoonlijke holdingmaatschappij, respectievelijk A. Beheer en L. Beheer. Zij waren ieder voor 50% aandeelhouder in Gebr. Beheer. Gebr. Beheer houdt op haar beurt de aandelen van Poelier Van der Wal B.V., dat is gespecialiseerd in het uitsnijden en verder veredelen van pluimveevlees. A. Beheer en L. Beheer waren bestuurder van Gebr. Beheer. De accountant van de vennootschappen was [B] (hierna: [B] ).

3.3

Nadat hij enige tijd ziek was geweest, heeft [appellante] in de loop van 2014 aan [geïntimeerde3] aangegeven dat hij (L. Beheer) wenste uit te treden uit Gebr. Beheer.

3.4

De persoonlijke holdingvennootschap van [C] (hierna: [C] ), It Heechhôf B.V. (hierna: It Heechhôf), had belangstelling voor de koop van aandelen in Gebr. Beheer.
De Jong & Laan Corporate Finance B.V. heeft in juni 2010 een informatiememorandum opgesteld, dat bedoeld is om potentiële overnamekandidaten een overzicht te geven van de

meest relevante bedrijfsgegevens van de onderneming. Het informatiememorandum is aan It Heechhôf beschikbaar gesteld, nadat [C] een geheimhoudingsverklaring had ondertekend.
In dit informatiememorandum is onder meer vermeld dat [appellante] om persoonlijke redenen heeft besloten om het aandelenpakket van L. Beheer in Gebr. Beheer te verkopen, dat [geïntimeerde3] de onderneming niet zelfstandig wenste voort te zetten en daarom ook heeft besloten het aandelenpakket van A. Beheer in Gebr. Beheer te verkopen en - omdat er geen opvolging binnen de familie aanwezig is - dat zij hebben besloten om op zoek te gaan naar een overnemende partij.
In het informatiememorandum wordt gerefereerd aan de historische resultaten over de jaren 2007 tot en met 2009, welke informatie blijkens het informatiememorandum is ontleend aan de jaarrekeningen over 2008 en 2009 (concept). Ten aanzien van het jaar 2009 (concept) is een netto-omzet vermeld van € 3.149.000,00, een brutowinst van € 803.000,-, een marge van 25,5% en een genormaliseerd bedrijfsresultaat van € 241.000,-.
Volgens het informatiememorandum bedraagt de vraagprijs van de aandelen € 1.700.000,-.

3.5

Het informatiememorandum is gebruikt ten behoeve van de onderhandelingen met It Heechhôf. Tijdens deze onderhandelingen is ook gesproken over de cijfers van het jaar 2010. De onderhandelingen met It Heechhôf zijn met name gevoerd door [B] .
[geïntimeerde3] en [appellante] hebben in de beginfase van de onderhandelingen ook een gesprek gehad met [C] . Tijdens dit gesprek is aan de orde geweest dat aan medewerkers van de onderneming ‘zwarte betalingen’ werden gedaan.
It Heechhôf heeft drs. [D] opdracht gegeven een due diligence onderzoek te verrichten. Drs. [D] heeft op 10 januari 2011 rapport uitgebracht.
In een e-mailbericht van 19 januari 2011 aan zijn accountant [E] (hierna: [E] ) heeft [C] geschreven:
Vanmorgen ben ik gebeld door een persoon welke mij waarschuwde voor de vele werkzaamheden in het bedrijf welke niet volgens de officiële weg worden afgerekend!
(Dit was zeker het afgelopen jaar nog aan de orde volgens de tipgever en dat verklaart ook waarom de marge nu hoger word en de omzet onder druk stond) De omzet word hoger als wij wel alles noteren en de marge stijgt mee, dus zit men er niet over in dat wij de extra
2 keer 25 niet kunnen realiseren.

3.6

[geïntimeerde3] heeft op een zeker moment besloten om het aandelenpakket van A. Beheer in Gebr. Beheer te behouden. It Heechhôf heeft in het kader van de overname van de aandelen van L. Beheer een prijs geboden van € 600.000,- op basis van een totale waarde van de onderneming van € 1.200.000,-. [appellante] heeft dat aanbod uiteindelijk, in het voorjaar van 2010 geaccepteerd.

3.7

L. Beheer heeft haar aandelen niet rechtstreeks aan It Heechhôf verkocht, maar er is gekozen voor een inkoopconstructie van de aandelen van L. Beheer in Gebr. Beheer door laatstgenoemde, waarna A. Beheer de helft van de door haar gehouden aandelen verkoopt aan It Heechhôf.

3.8

Op 25 mei 2011 is L. Beheer teruggetreden als bestuurder van Gebr. Beheer.

3.9

Bij notariële akte van 1 juli 2011 heeft Gebr. Beheer het aandelenbelang van
L. Beheer in Gebr. Beheer ingekocht tegen betaling van een bedrag van € 600.000,-. Daarnaast werden de rekening-courantvorderingen van [appellante] en [geïntimeerde1] afgelost en vonden enkele andere verrekeningen plaats in het kader waarvan onder meer de door L. Beheer ontvangen managementvergoeding over 2010 werd terugbetaald. Per saldo ontving L. Beheer een bedrag van € 769.878,- en A. Beheer een bedrag van € 268.046,- van Gebr. Beheer.
De Rabobank was bereid een financiering van in totaal € 550.000,- te verstrekken voor de overname van de aandelen van L. Beheer.

3.10

Eveneens bij notariële akte van 1 juli 2011 heeft A. Beheer - die daarbij optrad als [verkoper en als enig bestuurder van Gebr. Beheer en op dat moment (na de hiervoor onder 3.9 bedoelde levering) enig aandeelhouder was van Gebr. Beheer - 50% van haar aandelenbelang in Gebr. Beheer geleverd aan It Heechhôf. De in die akte vermelde koopprijs van € 300.000,- zou in termijnen worden betaald.

3.11

Bij e-mailbericht van 30 augustus 2011 heeft [E] namens It Heechhôf aan [B] melding gemaakt van een omvangrijk zwartgeldcircuit bij Gebr. Beheer en van het feit dat de resultaten over de periode tot en met 31 juli 2011 sterk tegenvielen.

3.12

[geïntimeerde3] en [C] hebben de Rabobank begin september 2011 in kennis gesteld van - zoals de Rabobank dat in een brief van 9 september 2011aan Gebr. Beheer verwoordt - “vermoedelijke grove fouten in de actuele en historische financiële administratie” van Gebr. Beheer en Poelier Van der wal B.B.. Volgens deze brief is de bank daardoor bij het verstrekken van financiering uitgegaan van onjuiste informatie.
In een brief van 20 september 2011 heeft de Rabobank aangegeven de relatie te willen beëindigen en Gebr. Beheer in de gelegenheid gesteld de financiering uiterlijk op
1 november 2011 af te lossen.

3.13

Nadat overleg had plaatsgevonden tussen Gebr. Beheer en [geïntimeerde3] /A. Beheer enerzijds en It Heechhôf anderzijds, is een door It Heechhôf op 16 september 2011 gedaan beroep op dwaling door It Heechhôf door eerstgenoemden geaccepteerd.
It Heechhôf is met ingang van 16 september 2011 uitgeschreven als bestuurder van Gebr. Beheer en de aandelentransactie is teruggedraaid.

3.14

Gebr. Beheer heeft gebruik gemaakt van de zogenaamde inkeerregeling bij de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft daarop onderzoek gedaan.
Uiteindelijk heeft de Belastingdienst aan Poelier Van der Wal B.V. naheffingaanslagen omzetbelasting (2007 t/m 2011), loonbelasting (2007 t/m 2009) en vennootschapsbelasting
(2007 t/m 2010) opgelegd tot een bedrag van ruim € 437.000,- (inclusief vergrijpboetes en exclusief heffingsrente). De naheffingsaanslag loonbelasting 2007 van 5 december 2014 bedroeg € 232.928,-, te vermeerderen met een vergrijpboete van € 116.464,-. Deze aanslag is opgelegd nadat in de procedure in eerste aanleg door een deskundige onderzoek is gedaan naar de omvang van het zwartgeldcircuit. Gebr. Beheer c.s. hebben dit rapport ter beschikking gesteld aan de Belastingdienst.
Het hof komt hierna terug op dat onderzoek.

3.15

In februari 2015 is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen Poelier Van der Wal B.V. en de Belastingdienst. De vaststellingsovereenkomst kwam erop neer dat Poelier Van der Wal B.V. naast de al betaalde naheffingsaanslagen Lb 2007 en 2008, Vpb 2007 t/m 2010 en OB 2007 t/m 2011 nog een navorderingsaanslag Vpb over 2010 opgelegd krijgt van € 70.000,- en dat de naheffingsaanslag Lb 2009 wordt ingetrokken. Op basis van deze vaststellingsovereenkomst is Poelier Van der Wal B.V. per saldo ruim € 157.000,- aan belasting, boetes en rente verschuldigd. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of Poelier van der Wal B.V. dit bedrag of een lager bedrag betaald heeft (volgens
L. Beheer betreft het een bedrag van ruim € 134.000,-).

3.16

A. Beheer en Gebr. Beheer hebben op 17 oktober 2011 conservatoir derdenbeslag doen leggen ten laste van L. Beheer tot zekerheid van hun vordering op L. Beheer.

4
4 De vorderingen en de beslissingen in eerste aanleg

4.1

A. Beheer en Gebr. Beheer hebben L. Beheer gedagvaard. Zij hebben vernietiging van de koopovereenkomst en de afspraak van de rekening-courantschuld tussen Gebr. Beheer en A. Beheer gevorderd (1) en veroordeling van L. Beheer tot betaling van
€ 600.000,- en € 169.878,- aan Gebr. Beheer (2). Verder hebben zij gevorderd dat L. Beheer wordt veroordeeld tot vergoeding van de door hen geleden schade, op te maken bij staat (3), een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.
De vordering 1 en 2 zijn gebaseerd op dwaling, de vordering 3 op de artikelen 2:8 en 2:9 BW.

4.2

L. Beheer heeft gevorderd [geïntimeerde3] in vrijwaring op te roepen in verband met de vordering tot schadevergoeding (vordering 3). Nadat de rechtbank deze incidentele vordering had toegewezen, heeft L. Beheer [geïntimeerde3] in vrijwaring gedagvaard tot betaling van de helft van het bedrag aan schadevergoeding waartoe L. Beheer in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, te vermeerderen met rente en kosten.

4.3

In de hoofdzaak heeft L. Beheer verweer gevoerd. Zij heeft een reconventionele vordering tegen A. Beheer ingesteld, inhoudende dat A. Beheer wordt veroordeeld tot betaling van alles waartoe L. Beheer jegens Gebr. Beheer mocht worden veroordeeld (naar uit de toelichting volgt: op grond van vordering 3).

4.4

Tijdens een door de rechtbank gelaste comparitie van partijen is afgesproken dat partijen zullen overleggen over een door een accountantskantoor uit te voeren onderzoek naar de omvang van het zwartgeldcircuit (1), de waarde van de onderneming ten tijde van de (aandelen)transactiedata (2), het schuiven met omzetten tussen boekjaren (3) en de getrouwheid van de jaarrekening 2010 (4).
Partijen hebben vervolgens afgesproken dat het onderzoek zou worden uitgevoerd door
[F] RA (hierna: [F] ) van IFO.

4.5

[F] heeft op 11 juni 2014 gerapporteerd, na eerst een conceptrapport aan partijen te hebben uitgebracht. Hij komt tot de conclusie dat de waarde van de aandelen van Gebr. Beheer ten tijde van de inkoop € 883.532,- bedraagt, maar na aftrek van extra kosten wegens door de Belastingdienst in haar onderzoek vastgestelde zwarte betalingen € 597.522,- bedraagt. Bij deze waardebepalingen is rekening gehouden met een lagere goodwill en met verplichtingen aan de Belastingdienst vanwege de te verwachten naheffingsaanslagen.

4.6

A. Beheer en Gebr. Beheer hebben vervolgens hun op dwaling gebaseerde vordering gewijzigd, in die zin dat zij aanpassing van de koopprijs van de aandelen naar € 192.135,- (subsidiair € 298.761,-) vorderen en betaling aan A. Beheer aan Gebr. Beheer van een bedrag van € 407.865,-, subsidiair € 301.239,-. Daarnaast vorderen zij betaling door
A. Beheer aan Gebr. Beheer van de kosten van de deskundige ad € 21.399,95. De overige vorderingen worden gehandhaafd, waarbij de vordering tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling een meer subsidiair karakter krijgt.
Hun vordering tot schadevergoeding baseren zij niet langer op de op artikel 2:8 en 2:9 BW gebaseerde aansprakelijkheid van L. Beheer als bestuurder van Gebr. Beheer.

4.7

L. Beheer heeft vergaande kritiek geleverd op de totstandkoming en de inhoud van het rapport van [F] .

4.8

In het tussenvonnis van 22 april 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat IFO een aanvullend rapport dient uit te brengen, waarin gereageerd wordt op de inhoudelijke bezwaren van L. Beheer tegen het eerdere rapport. Ook dient L. Beheer op de hoogte te worden gesteld van de informatie die A. Beheer IFO na het conceptrapport heeft verstrekt.
De rechtbank verwerpt de stelling van L. Beheer dat geen sprake is van dwaling. Van de zijde van in elk geval A. Beheer is uitgangspunt geweest dat ondanks het bestaan van een zeker zwartgeldcircuit op basis van het informatiememorandum en de onderhandelingen tussen partijen een reële prijs voor de aandelen van Gebr. Beheer tot stand is gekomen. Indien komt vast te staan dat door de aanwezigheid van een groter zwartgeldcircuit dan door A. Beheer werd verondersteld en/of door het schuiven van omzetten de aandelen in Gebr. Beheer een substantieel lagere waarde hadden dan het bedrag waarvan destijds is uitgegaan, staat voldoende vast dat Gebr. Beheer en haar enig bestuurder A. Beheer hebben gedwaald, aldus de rechtbank, die verder opmerkt dat zij in de omstandigheden van het geval - het doel van de transactie was een uittreding van L. Beheer mogelijk te maken - reden ziet om de dwaling niet voor rekening van de dwalende te laten.

4.9

Omdat partijen geen overeenstemming bereikten over een opdracht aan IFO voor een aanvullend rapport, heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 10 februari 2016
drs. [G] (hierna: [G] ) van Ebben (voorheen IFO) tot deskundige benoemd, met de opdracht een aanvullend deskundigenbericht uit te brengen. [G] is benoemd, omdat [F] niet meer bij IFO/Ebben werkt en ook niet beschikbaar is voor het verrichten van een deskundigenonderzoek.

4.10

[G] heeft op 30 januari 2017 een aanvullend rapport uitgebracht. In dat rapport wordt (in par. 3.4) aangegeven dat de Belastingdienst kennis heeft genomen van het rapport van [F] en naar aanleiding daarvan definitieve aanslagen heeft opgelegd van in totaal € 429.760,-, € 123.585,- lager dan waarvan in het rapport werd uitgegaan. De in dat rapport berekende prijs van de aandelen (€ 597.522,-) dient te worden verhoogd met

€ 123.585,- en komt daarmee uit op € 721.107,-.
[G] ziet in de kritiek van A. Beheer op het rapport van [F] geen reden om de bevindingen van [F] aan te passen.
Gebr. Beheer c.s. hebben naar aanleiding van het aanvullend deskundigenbericht hun vorderingen gewijzigd in die zin dat zij, kort gezegd, aanpassing van de koopprijs van de aandelen naar € 192.135,-, subsidiair € 360.558,- vorderen en veroordeling van L. Beheer tot betaling van € 407.865,-, subsidiair € 239.442,-.

4.11

In het eindvonnis van 29 november 2017 heeft de rechtbank de bezwaren van
L. Beheer tegen het rapport van [G] verworpen. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de bevindingen en conclusies van [G] en (dus ook) van zijn conclusie dat de uitonderhandelde prijs van de aandelen in Gebr. Beheer € 721.107,- zou hebben belopen indien ten tijde van de onderhandelingen het effect van het zwartgeldcircuit en verschuiving van omzetten bekend was geweest. Gelet op wat de rechtbank in het tussenvonnis van 22 april 2015 over de dwaling had overwogen, is de vordering van Gebr. Beheer tot aanpassing van de verkoopprijs tot € 360.553,50 (de helft van € 721.107,-) toewijsbaar. Dat betekent dat Gebr. Beheer aanspraak heeft op terugbetaling van
€ 239.446,50 (het verschil tussen de koopprijs van € 600.000,- en € 360.553,50), te vermeerderen met wettelijke rente.
De vorderingen van A. Beheer en Gebr. Beheer tot betaling van schadevergoeding en vergoeding van de kosten van [F] is, omdat deze vorderingen nog alleen zijn gebaseerd op dwaling, niet toewijsbaar. Ook de reconventionele vordering van L. Beheer en de vordering tot vrijwaring zijn niet toewijsbaar bij het wegvallen van de vordering tot schadevergoeding van A. Beheer en Gebr. Beheer.
L. Beheer wordt veroordeeld in de kosten van het geding in de hoofdzaak (conventie en reconventie) en de vrijwaring.

5
5 Artikel 21 Rv

5.1

Gebr. Beheer c.s. hebben de relevante stukken over de belastingschuld (de aanslagen, de vaststellingsovereenkomst en de betalingen) bij akte na comparitie alsnog in het geding gebracht, nadat het hof tijdens de comparitie had bepaald dat Gebr. Beheer c.s. deze stukken in het geding dienden te brengen. Tot dat moment hadden Gebr. Beheer c.s. dat nagelaten, hoewel L. Beheer er verschillende malen op had aangedrongen dat Gebr. Beheer c.s. opening van zaken zouden geven.

5.2

Uit de nu overgelegde stukken blijkt dat begin 2015 een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst is getroffen, die erop neerkomt dat de uiteindelijke belastingclaim op Poelier Van der Wal B.V. vanwege het zwartgeldcircuit aanzienlijk lager is, en dat een aanzienlijk lager bedrag aan belastingen en boetes is betaald, dan waarvan de beide deskundigen en de rechtbank zijn uitgegaan.

5.3

Dat de uiteindelijke omvang van de belastingclaim van belang is voor de uiteindelijke beslissing was Gebr. Beheer c.s. in elk geval duidelijk uit het aanvullend deskundigenbericht, waarin de deskundige de in het oorspronkelijke deskundigenbericht berekende waarde van de aandelen corrigeerde met het verschil tussen de in het oorspronkelijke deskundigenbericht aangenomen belastingclaim en de belastingclaim waarvan de deskundige in het aanvullend deskundigenbericht uitging. Die aanslagen waren volgens de deskundige de definitieve aanslagen.
Gebr. Beheer c.s. hebben niet bestreden dat zij de informatie over de definitieve aanslagen aan de deskundige hebben verstrekt. Toen de deskundige - in 2016 - met zijn aanvullend onderzoek begon, was de vaststellingsovereenkomst al gesloten. Het was Gebr. Beheer c.s. toen dan ook al bekend dat de ‘definitieve aanslagen’ waren achterhaald door de inmiddels met de Belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst.
Naar aanleiding van het aanvullend deskundigenbericht hebben Gebr. Beheer c.s. hun vordering verminderd tot de door de deskundige berekende waarde van de aandelen, op basis van diens perceptie van de hoogte ‘definitieve aanslagen’. Gebr. Beheer c.s. hebben toen niet aangegeven dat de deskundige uitging van een te hoge belastingclaim, hoewel zij wisten dat dit wel het geval was.

5.4

In reactie op het aanvullend deskundigenbericht heeft L. Beheer erop aangedrongen dat Gebr. Beheer c.s. alle informatie over de belastingclaim zouden verstrekken (vgl. o.m.
conclusie na (aanvullend) deskundigenbericht onder 2.4, waarin L. Beheer aangeeft “het volledige belastingdossier” te willen zien). Volgens L. Beheer had de deskundige moeten onderzoeken welke bedragen aan belasting en boetes daadwerkelijk aan de Belastingdienst waren betaald. Gebr. Beheer c.s. hebben die informatie ook toen niet verstrekt.
In de memorie van grieven heeft L. Beheer op verschillende plaatsen en uitdrukkelijk in grief 13 aangegeven dat niet kan worden uitgegaan van de belastingaanslagen maar van de betaalde belasting. Volgens L. Beheer dienen Gebr. Beheer c.s. daarover opening van zaken te geven en hebben zij dat ten onrechte nog niet gedaan. In hun memorie van antwoord hebben Gebr. Beheer c.s. in reactie op deze grief geen melding gemaakt van de vaststellingsovereenkomst.

5.5

Door de informatie over de belastingclaim achter te houden, hebben Gebr. Beheer c.s. naar het oordeel van het hof artikel 21 Rv geschonden. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de deskundige in zijn aanvullend deskundigenbericht de waarde van de aandelen gebaseerd op de definitieve belastingaanslagen, niet op de aanslagen die opgelegd hadden kunnen worden. Gebr. Beheer c.s. hebben hun vordering daarop aangepast en de rechtbank heeft die aangepaste vordering toegewezen. Daarmee was voor Gebr. Beheer c.s. duidelijk dat de informatie over de daadwerkelijke belastingclaim van belang was voor de beslissing. Dat Gebr. Beheer c.s. zelf vonden dat deze informatie niet van belang was, doet niet af aan haar verplichting die informatie wel te verstrekken; het stond hen uiteraard vrij om dat standpunt te bepleiten. In dit verband is van belang dat Gebr. Beheer c.s. wel de ‘definitieve aanslagen’ heeft verstrekt aan de deskundige, terwijl haar bekend was dat die aanslagen achterhaald waren door de vaststellingsovereenkomst, terwijl ook voor die aanslagen gold dat deze in de visie van Gebr. Beheer c.s. niet relevant waren voor de bepaling van de waarde van de aandelen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom Gebr. Beheer c.s. deze achterhaalde, in haar visie niet relevante, informatie wel heeft verstrekt, en de feitelijk juiste informatie over de belastingclaim niet. Door zo te handelen hebben Gebr. Beheer c.s., geheel in strijd met art. 21 Rv, de deskundige, haar wederpartij en de rechtbank op het verkeerde been gezet.

5.6

Op de gevolgen van deze (categorische) schending van artikel 21 Rv komt het hof hierna terug.

6
6 De bespreking van de grieven

De omvang van het geschil in hoger beroep
6.1 De rechtbank heeft alleen de op artikel 6:230 BW gebaseerde vordering van Gebr. Beheer toegewezen. Tegen de afwijzing van de overige vorderingen (de op artikel 6:230 BW gebaseerde vordering van A. Beheer en de vordering tot schadevergoeding van A. Beheer en Gebr. Beheer) hebben A. Beheer en Gebr. Beheer geen (incidenteel) appel ingesteld. Deze vorderingen staan dan ook in hoger beroep niet ter discussie.
Dat geldt ook voor de reconventionele vordering van L. Beheer en voor de vordering tot vrijwaring. L. Beheer bestrijdt niet dat met de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding in conventie ook het lot van haar eigen vorderingen bezegeld is. In hoger beroep stelt zij alleen de beslissing over de proceskosten betreffende deze vorderingen aan de orde. Om die reden heeft L. Beheer ook A. Beheer en [geïntimeerde3] in hoger beroep gedagvaard.

De verschillende grieven
6.2 L. Beheer heeft 18 genummerde grieven tegen de verschillende vonnissen van de rechtbank geformuleerd. Deze grieven hebben betrekking op de feitenvaststelling door de rechtbank (de grieven 1 t/m 5), de benoeming van de verschillende deskundigen (de grieven 6, 8 t/m 12), het overnemen door de rechtbank van de conclusies van [G] (de grieven 13 t/m 15) en de beslissingen over de kosten (de grieven 16 t/m 18). Grief 7 betreft het oordeel van de rechtbank over de dwaling. Dat oordeel wordt uitgebreid bestreden in het algemene deel van de memorie, dat voorafgaat aan de genummerde grieven. Dat onderdeel bevat verschillende niet als zodanig aangeduide grieven tegen dat oordeel.

De grieven over de feiten
6.3 Het hof heeft de feiten zelfstandig vastgesteld en daarbij rekening gehouden met wat L. Beheer in haar grieven over de feitenvaststelling door de rechtbank naar voren heeft gebracht. In zoverre heeft L. Beheer geen belang bij afzonderlijke bespreking van haar grieven over de feiten.
Voor zover partijen over de feiten van mening verschillen en dat van belang is voor de beslissing op een geschilpunt tussen partijen, komt dat bij de bespreking van dat geschilpunt aan de orde.

De grieven over de dwaling
6.4 L. Beheer bestrijdt met grief 7 en de ongenummerde grieven in het algemene deel van de memorie van grieven dat de overeenkomst betreffende de inkoop van de aandelen van L. Beheer door Gebr. Beheer is aangegaan onder invloed van dwaling. Met deze grieven legt zij het geschil tussen partijen op dit punt, en het oordeel van de rechtbank daarover, in volle omvang aan het hof voor.

6.5

Het hof stelt voorop dat het beroep op dwaling de overeenkomst tussen Gebr. Beheer en L. Beheer betreft. Deze overeenkomst hangt weliswaar samen met de daaropvolgende overeenkomst tussen A. Beheer en It Heechhôf, waarin A. Beheer de helft van de aandelen in Gebr. Beheer aan It Heechhôf overdroeg, maar is daarvan wel te onderscheiden. Het betreft twee zelfstandige overeenkomsten, elk tussen twee andere partijen - L. Beheer en Gebr. Beheer bij de ene en A. Beheer en It Heechhôf bij de andere -, die ook zijn vastgelegd in afzonderlijke akten, waarvan de bepalingen niet overeengekomen. Zo bevat de akte van levering van de aandelen aan It Heechhôf een balansgarantie, die in de akte betreffende de inkoop van de aandelen ontbreekt.
De samenhang tussen beide overeenkomsten zit hem erin dat door de beide overeenkomsten tezamen de helft van de aandelen in Gebr. Holding in eigendom overgaat van L. Beheer, die haar belang van de hand wilde doen, naar It Heechhôf. Dat was ook de bedoeling van alle bij de overeenkomsten betrokken partijen. Vanwege de financierbaarheid van deze transactie is gekozen voor de constructie van genoemde twee overeenkomsten in plaats van een directe levering van de aandelen van L. Beheer aan It Heechhôf.

6.6

Omdat het overeenkomsten tussen verschillende partijen betreft is artikel 6:229 BW niet van toepassing. Ook het leerstuk van de samenhangende overeenkomsten

(vgl. HR 20-01-2012, ECLI:NL:HR:20012:BU3162) is, hoewel er zoals gezegd wel sprake is van samenhang (in de zin van nauwe betrokkenheid) tussen beide overeenkomsten, niet van toepassing, alleen al vanwege het feit dat geen van de betrokken partijen partij is bij meer dan één overeenkomst. Het hof laat dan nog daar dat Gebr. Beheer zich ook niet heeft beroepen op feiten en omstandigheden, die de conclusie zouden rechtvaardigen dat sprake is van een samenhangende rechtsverhouding. Daarmee is niet alles gezegd.
De beide overeenkomsten hangen onmiskenbaar met elkaar samen, vanwege hetzelfde doel
- de uiteindelijke overdracht van de helft van de aandelen in Gebr. Beheer van L. Beheer aan It Heechhôf -, hetzelfde voorwerp - de helft van de aandelen in Gebr. Beheer - en de betrokkenheid van Gebr. Beheer, A. Beheer en L. Beheer bij beide overeenkomsten, zij het niet in beide overeenkomsten als contractspartij. Die samenhang is niet zonder betekenis voor de beoordeling van het beroep op dwaling betreffende een van de overeenkomsten, in dit geval de overeenkomst tussen L. Beheer en Gebr. Beheer. Het kan er bijvoorbeeld toe leiden dat een omstandigheid die zonder deze samenhang voor rekening van A. Beheer zou blijven, nu niet voor haar rekening blijft. Het hof zal bij de beoordeling van de op dwaling gebaseerde vordering dan ook rekening houden met het specifieke karakter van de overeenkomst tussen L. Beheer en Gebr. Beheer, als een overeenkomst die nauw samenhangt met de overeenkomst tussen A. Beheer en It Heechhôf.

6.7

Voor een geslaagd beroep op dwaling is allereerst vereist dat daadwerkelijk sprake is van dwaling, te weten de afwezigheid van een juiste voorstelling van zaken. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van de afwezigheid van een juiste voorstelling van zaken rusten op de partij die zich op dwaling beroept, in dit geval Gebr. Beheer.

6.8

Volgens Gebr. Beheer is de dwaling in de overeenkomst tussen haar en L. Beheer allereerst daarin gelegen dat zij niet op de hoogte was van de omvang van het zwartgeldcircuit - dat er zwart werd uitbetaald was Gebr. Beheer c.s. bekend, maar de omvang ervan niet - en van de gevolgen daarvan voor de waarde van de aandelen, in die zin dat die vanwege het zwartgeldcircuit veel lager was dan uit het informatiememorandum bleek, omdat in dat memorandum geen enkele rekening is gehouden met het zwartgeldcircuit.
L. Beheer heeft dat bestreden. Volgens haar wist Gebr. Beheer, in de persoon van haar indirect bestuurder [geïntimeerde3] , op het punt van het zwarte geld dat in de onderneming omging ‘van de hoed en de rand’. [geïntimeerde3] wist, en behoorde ook te weten, dat het zwartgeldcircuit gevolgen had voor de waarde van de onderneming.

6.9

Ten aanzien van de wetenschap van [geïntimeerde3] over de omvang van het zwartgeldcircuit staat vast, dat:

- [geïntimeerde3] , volgens zijn eigen verklaring bij gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep, twee medewerkers wekelijks € 10,- à € 30,- (tijdens de comparitie in eerste aanleg noemde hij overigens bedragen van € 30,- en € 40,-) zwart uitbetaalde en wist dat ook zijn broer [appellante] medewerkers zwart uitbetaalde. Volgens dezelfde verklaring wist [geïntimeerde3] ook dat in het najaar meer zwart werd betaald dan in andere seizoenen en dat er zwart werd betaald aan mensen die via een uitzendbureau voor de onderneming werkten;
- Uit een, door Gebr. Van der Wal c.s. niet gemotiveerd weersproken, schriftelijke verklaring van de moeder van [geïntimeerde3] en [appellante] volgt dat het vanaf het moment dat [geïntimeerde3] (en later [appellante] ) in de vakanties en zaterdags in de onderneming kwamen werken - en toen overigens zwart werden betaald - het gebruikelijk was dat het overwerk van het personeel zwart werd uitbetaald en dat ‘losse medewerkers’ en vakantiekrachten zwart werden uitbetaald. [geïntimeerde3] regelde veel zaken in de onderneming, onder meer de planning van het personeel, en betaalde het personeel ook zwart uit;
- [geïntimeerde3] en [appellante] leidden samen de onderneming. [appellante] heeft bij gelegenheid van de comparitie van partijen, onweersproken door [geïntimeerde3] , verklaard dat hij en zijn broer iedere dinsdagavond met elkaar overlegden over de gang van zaken in de onderneming.

6.10

Uit de vermelde feiten volgt dat [geïntimeerde3] zelf zwart geld uitbetaalde, dat hij wist dat zijn broer ook zwart geld uitbetaalde en dat het (van oudsher) gebruikelijk was in de onderneming om zwart geld uit te betalen aan alle medewerkers. Wanneer in aanmerking wordt genomen dat volgens het verkoopmemorandum naast vier vaste medewerkers “een redelijk stabiele groep van circa 10 personen” op oproepbasis wordt ingeleend, betekent dat dat [geïntimeerde3] ervan op de hoogte was dat aan (minimaal) 14 personen structureel zwarte betalingen werden gedaan. De uitbetalingen van zwart geld staan niet op zich. Om medewerkers zwart te kunnen betalen, moet er ook zwart geld beschikbaar zijn. Uit de stukken volgt dat dat geld afkomstig was van niet geboekte verkopen. Gebr. Beheer c.s. hebben niet gesteld dat [geïntimeerde3] daarvan niet op de hoogte was.

6.11

Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde3] , gelet op wat hij wist over de structurele zwarte betalingen aan medewerkers van Gebr. Beheer, het aantal medewerkers van Gebr. Van der Wal en van wat hij moest weten over de herkomst van de zwarte betalingen ervan op de hoogte moet zijn geweest dat sprake was van een omvangrijk zwartgeldcircuit. Dat hij wellicht niet wist welk bedrag er precies aan zwart geld omging in de onderneming maakt dat niet anders. Ook als [geïntimeerde3] , zoals Gebr. Beheer c.s. stellen maar L. Beheer gemotiveerd heeft betwist, zich niet bezighield met de financiële en administratieve kant van de onderneming maar dat aan zijn broer [appellante] overliet, wist hij voldoende over het reilen en zeilen van de onderneming om te (kunnen) weten dat sprake was van een omvangrijk zwartgeldcircuit.
In het licht hiervan hebben Gebr. Beheer c.s. onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde3] niet op de hoogte was van de omvang van het zwartgeldcircuit binnen de door Gebr. Beheer gedreven onderneming.

6.12

De wetenschap van haar (indirect) bestuurder [geïntimeerde3] wordt aan Gebr. Beheer toegerekend. Gebr. Beheer c.s. hebben alleen om deze reden al onvoldoende onderbouwd dat Gebr Beheer ten aanzien van de omvang van het zwartgeldcircuit in dwaling verkeerde, in die zin dat Gebr. Beheer er niet mee bekend was dat sprake was van een omvangrijk zwartgeldcircuit.
Daar komt bij dat ook het in rov. 3.5 aangehaalde e-mailbericht van [C] steun biedt aan de conclusie dat binnen Gebr. Beheer bekend was dat binnen de onderneming op meer dan marginaal niveau zwart geld omging. Gebr. Beheer c.s. hebben niet gesteld dat de in het e-mailbericht aangehaalde mededeling afkomstig is van [appellante] . Dat zou, gelet op diens belang bij het doorgaan van de transactie ook niet voor de hand liggen. Er kan dan ook van worden uitgegaan dat de mededeling afkomstig is van een ander dan [appellante] . Gebr. Beheer c.s. hebben geen verklaring gegeven voor het feit dat wanneer alleen Bert van der Wal bekend was met de forse (in elk geval meer dan marginale) omvang van het zwartgeldcircuit een ander reden zag om [C] te waarschuwen voor “de vele werkzaamheden in het bedrijf [hof:Gebr. Beheer en gelieerde vennootschappen] welke niet volgens de officiële weg worden afgerekend”.
Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of ook de wetenschap van [appellante] - die ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst tussen Gebr. Beheer en
L. Beheer nog wel (indirect) bestuurder was van Gebr. Beheer maar ten tijde van de overdracht van de aandelen inmiddels was teruggetreden - over de omvang van het zwartgeldcircuit aan Gebr. Beheer moet worden toegerekend, zoals L. Beheer meent, maar Gebr. Beheer c.s. bestrijden.

6.13

Gebr. Beheer c.s. hebben gesteld dat de dwaling ook daarin is gelegen dat Gebr. Beheer niet wist en kon weten dat de waarde van de ingekochte aandelen vanwege het zwartgeldcircuit veel lager was dan bleek uit het informatiememorandum. Voor zover deze stelling erop is gebaseerd dat Gebr. Beheer dat niet wist of hoefde te weten omdat zij ervan uitging of vanuit mocht gaan dat sprake was van beperkte betalingen van zwart geld, is deze stelling gelet op wat hiervoor is overwogen over wat [geïntimeerde3] , en daardoor Gebr. Beheer, wist of behoorde te weten over de omvang van het zwartgeldcircuit eveneens onvoldoende onderbouwd.

6.14

Voor zover deze stelling erop is gebaseerd dat [geïntimeerde3] niet bekend was met het effect van een omvangrijk zwartgeldcircuit op de waarde van de aandelen van een onderneming, is ook deze stelling onvoldoende onderbouwd. Van een ondernemer mag verwacht dat hij weet dat wanneer inkomsten en uitgaven ‘buiten de boeken worden gehouden’- dat is wat er gebeurt wanneer sprake is van een zwartgeldcircuit in een onderneming - er een verschil wordt gecreëerd tussen wat er werkelijk in een onderneming gebeurt en de in de ‘boeken’ - zoals administratieve gegevens en jaarrekeningen gebaseerde geregistreerde papieren werkelijkheid. Dat verschil zal groter worden naarmate het zwartgeldcircuit omvangrijker is. In het verlengde daarvan ligt het voor de hand dat wanneer accountants of valuators onder meer op basis van de jaarstukken - de papieren werkelijkheid - de waarde van een onderneming bepalen de werkelijke waarde van de onderneming daarvan afwijkt. Het ligt ook voor de hand dat een onderneming waarin structureel zwart geld omgaat het risico loopt geconfronteerd te worden met belastingclaims, ook over de achterliggende jaren. Dat deze potentiële claims, wanneer zij zich realiseren, de waarde van een onderneming drukken, is evident. Dat deze claims, wanneer daarvan geen melding wordt gemaakt aan de degenen die de waarde van de aandelen vaststellen, niet worden meegenomen in de waardering, is eveneens evident.
Dat dit alles ook aan [geïntimeerde3] bekend was, volgt ook uit het feit dat hij de behoefte voelde om, zoals hijzelf bij gelegenheid van de comparities in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard, [C] te informeren over de zwarte betalingen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [geïntimeerde3] [C] over deze betalingen wilde informeren indien hij van mening zou zijn geweest dat de wetenschap over zwarte betalingen niet van belang was voor de koper van een onderneming.

6.15

Ook indien [geïntimeerde3] de financiële kant van de met zijn broer gedreven onderneming aan zijn broer overliet, zoals Gebr. Beheer c.s. hebben gesteld maar L. Beheer heeft bestreden, hebben Gebr. Beheer c.s. gelet op wat hiervoor is overwogen, onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde3] (en/of anderen dan [appellante] binnen Gebr. Beheer) er niet van op de hoogte was (waren) of van op de hoogte behoorde(n) te zijn dat het zwartgeldcircuit, gelet op wat bekend was over de omvang ervan, effect had op de waardering van de aandelen in zijn algemeenheid en op wat over de waarde van de aandelen was vermeld in het informatiememorandum in het bijzonder. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde3] ervan uitging of mocht uitgaan dat aan de opstellers van het memorandum informatie is verstrekt over het zwartgeldcircuit. Bovendien is de financiële informatie in het memorandum, blijkt uit de tekst van het memorandum, ontleend aan de jaarstukken van Gebr. Beheer, dus aan de papieren werkelijkheid.

6.16

De conclusie is dat Gebr. Beheer onvoldoende heeft onderbouwd dat zij, gelet op wat zij in de persoon van haar indirect bestuurder [geïntimeerde3] wist of behoorde te weten over het omvangrijke zwartgeld circuit en de gevolgen daarvan voor de waardering van de aandelen (in het informatiememorandum), onvoldoende heeft onderbouwd dat zij in dwaling verkeerde over de omvang van het zwartgeldcircuit en de gevolgen daarvan voor de waarde van de aandelen.

6.17

Gebr. Beheer c.s. hebben de dwaling in de loop van de procedure in eerste aanleg ook gebaseerd op het schuiven met omzetten. In hoger beroep heeft deze grondslag geen rol gespeeld, maar gelet op de devolutieve werking van het appel, dient het hof toch ook op deze grondslag in te gaan.

6.18

L. Beheer heeft in haar conclusie na (aanvullend) deskundigenbericht gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze grondslag. Zij heeft onder meer aangevoerd dat [geïntimeerde3] en daarmee Gebr. Beheer bekend was met het verschuiven van omzet, zodat van dwaling geen sprake was. Verder heeft zij betoogd dat slechts sprake was van een beperkte verschuiving van omzet aan het eind van ieder jaar en dat het verschuiven van omzet geen enkele invloed heeft op de totaalwinst van de onderneming over meerdere jaren; wat aan het begin van enig jaar uit het vorige jaar naar dat jaar werd geschoven, werd aan het einde van dat jaar weer naar het daaropvolgende jaar verschoven, aldus L. Beheer, die daaraan toevoegt dat dat alleen in 2010 anders was, omdat eind 2010 geen omzet is verschoven naar 2011.

6.19

Gebr. Beheer c.s. zijn na dit verweer van L. Beheer niet ingegaan op de kwestie van het schuiven met omzetten. Daardoor hebben zij hun stelling dat ten aanzien van het schuiven met omzetten sprake is van dwaling onvoldoende onderbouwd. Meer in het bijzonder hebben zij, hoewel dat gezien het gemotiveerde verweer van L. Beheer op dit punt wel op hun weg lag, onvoldoende onderbouwd dat het schuiven met omzetten van belang was voor de waardering van de aandelen in Gebr. Beheer en al helemaal niet gesteld wat de waarde van de aandelen zou zijn geweest indien met het verschuiven van omzet rekening zou zijn gehouden. Gebr. Beheer c.s. hebben deze grondslag van de vordering voor zover zij die al hebben gehandhaafd - in de memorie van grieven relateren zij de dwaling structureel

Alleen aan het zwartgeldcircuit - dan ook onvoldoende onderbouwd.

6.20

De conclusie is dat Gebr. Beheer c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat Gebr. Beheer bij het sluiten van de overeenkomst met L. Beheer in dwaling verkeerde. De tegen het oordeel van de rechtbank gerichte grieven dat wel sprake is van dwaling en dat de daarop gebaseerde vorderingen van Gebr. Beheer toewijsbaar zijn slagen daarom.

De andere grieven
6.21 Bij deze stand van zaken heeft L. Beheer geen belang bij de bespreking van de grieven over de benoeming van de verschillende deskundigen (de grieven 6, 8 t/m 12) en het overnemen door de rechtbank van de conclusies van deskundige [G] (de grieven 13t/m 15). Deze grieven betreffen de vraag naar de omvang van de dwaling en naar de vraag op welke wijze de overeenkomst moet worden gewijzigd, door een aanpassing van de prijs, om de dwaling ongedaan te maken. Die vragen zijn niet relevant in de situatie die zich nu voordoet, waarin geen sprake is van een verkeerde voorstelling van zaken, en dus niet van dwaling.

6.22

Met grief 16 komt L. Beheer op tegen haar veroordeling in de kosten van het aanvullend deskundigenbericht. Grief 18 is gericht tegen de veroordeling in de proceskosten van het geding in conventie.
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de vorderingen van Gebr. Beheer c.s. in conventie tot aanpassing van de overeenkomst en terugbetaling van een deel van de prijs van de aandelen niet toewijsbaar zijn. Daarmee krijgen Gebr. Beheer c.s. in conventie grotendeels ongelijk en krijgt L. Beheer gelijk. Er is geen reden L. Beheer desondanks in de proceskosten van het geding in conventie (waaronder de kosten van het aanvullend deskundigenbericht) te veroordelen. De grieven slagen dus.
6.23 Volgens L. Beheer dienen Gebr. Beheer c.s. vanwege de schending van artikel 21 Rv in de daadwerkelijk gemaakte kosten betreffende de procedure te worden veroordeeld. Het hof volgt haar daarin niet. Hoewel een veroordeling in de daadwerkelijk gemaakte kosten op zich een mogelijke sanctie is voor schending van artikel 21 Rv ziet het hof daar in dit geval geen reden toe, omdat de schending niet doorslaggevend is (geweest) voor de beslissing (in eerste aanleg en) in hoger beroep en L. Beheer niet heeft gesteld en L. Beheer niet duidelijk heeft gemaakt dat de schending van artikel 21 Rv heeft geleid tot extra proceshandelingen.
L. Beheer heeft bijvoorbeeld niet gesteld dat zij geen hoger beroep zou hebben ingesteld indien de rechtbank de vordering van Gebr. Beheer c.s. zou hebben toegewezen op basis van de daadwerkelijke belastingclaim.
Omdat de vorderingen van Gebr. Beheer c.s. al worden afgewezen en Gebr. Beheer c.s. ook al worden veroordeeld in de proceskosten (gebaseerd op basis van het door de rechtbank toegewezen bedrag, dat vanwege de schending van artikel 21 Rv hoger is dan zonder de schending het geval zou zijn geweest, waardoor de proceskostenveroordeling hoger uitvalt) ziet het hof geen ruimte voor een andere sanctie.

Dat doet niet af aan de ernst van de schending.

6.24

Grief 17 betreft de veroordeling van L. Beheer in de proceskosten in reconventie en in de vrijwaringszaak. De vordering in reconventie had ook het karakter van een vordering tot vrijwaring; L. Beheer vorderde van A. Beheer de helft van waartoe hij in de hoofdzaak tegen Gebr. Beheer zou worden veroordeeld op de grondslag van - kort gezegd - bestuurdersaansprakelijkheid. Daarmee hadden de vorderingen in vrijwaring en in reconventie hetzelfde karakter en een vergelijkbare grondslag. Alleen de gedaagde verschilde; [geïntimeerde3] in de vrijwaring en A. Beheer in reconventie.

6.25

Met het intrekken van de hoofdvordering door Gebr. Beheer c.s. in de procedure in conventie kwam het belang aan de vorderingen in vrijwaring en reconventie te ontvallen en werden ook deze vorderingen afgewezen. L. Beheer was daarmee in vrijwaring en in reconventie in het ongelijk gesteld. Op grond van artikel 237 lid 1 Rv wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld. Die regel geldt ook wanneer in een vrijwaringsprocedure de vordering tot vrijwaring wordt afgewezen omdat in de hoofdprocedure de gedaagde (eiser in de vrijwaring) niet is veroordeeld

(vgl. Hoge Raad 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6079 en 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:3). Niet valt in te zien dat dit anders is wanneer de vordering in vrijwaring niet kan worden toegewezen omdat de vordering in de hoofdzaak is ingetrokken. Het gevolg - de vordering van de eiser wordt niet toegewezen - is in beide gevallen hetzelfde.

6.26

De hiervoor vermelde hoofdregel van artikel 237 lid 1 Rv lijdt alleen uitzondering wanneer zich een van de twee in die bepaling genoemde uitzonderingsgronden voordoet.
De in artikel 237 lid 1 Rv voor deze situatie mogelijk relevante uitzondering doet zich hier niet voor. Van nodeloos gemaakte of aangewende kosten is ook geen sprake. Van een evident kansloze vordering was geen sprake. Gebr. Beheer c.s. hebben er om hen moverende redenen voor gekozen om de vordering in te trekken. Dat stond hen vrij en kan gevolgen hebben voor de proceskostenveroordeling in conventie. L. Beheer heeft er zelf voor gekozen om niet alleen in conventie verweer te voeren, maar om ook een procedure in reconventie en een procedure in vrijwaring te beginnen. Gebr. Beheer c.s. hebben L. Beheer niet tot die keuze genoodzaakt. Van nodeloos veroorzaakte kosten is dan ook geen sprake.
Daar komt voor de vrijwaring nog bij dat Gebr. Beheer c.s., die de kosten van de vrijwaring volgens L. Beheer veroorzaakt hebben, geen partij zijn in de vrijwaring. Dat is [geïntimeerde3] , en die heeft de kosten niet veroorzaakt.
6.27 De slotsom is dat de grief faalt.

De conclusie
6.28 De conclusie is dat de vonnissen van de rechtbank vernietigd worden voor zover in de hoofdzaak in conventie gewezen (behoudens voor wat betreft de vorderingen van
A. Beheer) en voor het overige bekrachtigd worden.
In conventie zullen de vorderingen van Gebr. Beheer c.s. alsnog worden afgewezen. Gebr. Beheer worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg in conventie (liquidatietarief overeenkomstig het vonnis van de rechtbank: 7 punten à € 2.000,-) waaronder de door
L. Beheer voorgeschoten kosten van het aanvullend deskundigenbericht ad € 5.400,- en in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 3 punten, tarief VI).
In de procedure tegen [geïntimeerde3] en A. Beheer is L. Beheer in hoger beroep in het ongelijk gesteld. Omdat gesteld noch gebleken is dat zij in de hoofdzaak eigen proceskosten hebben gemaakt of extra proceskosten bij L. Beheer hebben veroorzaakt, kan een proceskostenveroordeling achterwege blijven.

7
7. De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor zover in conventie in de hoofdzaak betreffende de vorderingen van A. Beheer, in reconventie in de hoofdzaak en in vrijwaring gewezen;

vernietigt de vonnissen waarvan beroep, voor zover in conventie in de hoofdzaak gewezen (behoudens voor wat betreft de vorderingen van A. Beheer),
en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van Gebr. Beheer tegen L. Beheer af;

veroordeelt Gebr. Beheer in de proceskosten en begroot deze kosten voor zover tot nu toe aan de zijde van L. Beheer gevallen:
- voor de procedure in eerste aanleg op € 3.529,- aan verschotten,
€ 5.400,- aan voorgeschoten kosten van de deskundige en € 14.000,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;
- voor de procedure in hoger beroep op € 5.362,45 aan verschotten en op € 8.757,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, M. Willemse en W.P. Sprenger en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juni 2020, in aanwezigheid van de griffier.