Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4414

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
11-06-2020
Zaaknummer
200.232.469/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling samenleving. Hoofdelijke aansprakelijkheid voor hypothecaire geldlening die rust op woning van de man. Redelijkheid en billijkheid; geen gedwongen verkoop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.232.469/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 430982)

arrest van 9 juni 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J. Elte, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.B. Streefkerk, kantoorhoudend te Almere.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 7 mei 2019 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een journaalbericht van mr. Elte van 4 oktober 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Streefkerk van 4 oktober 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Elte van 7 oktober 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Streefkerk van 14 oktober 2019 met productie(s);

1.3

Ingevolge voornoemd tussenarrest heeft op 31 oktober 2019 een meervoudige comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen hebben geen schikking bereikt en hebben arrest gevraagd.

1.4

Partijen hebben vervolgens de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd, waarna het hof arrest heeft bepaald.

1.5

[appellante] vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 18 oktober 2017 (hierna ook: het bestreden vonnis) voor zover het de afwijzing van haar vordering tot verkoop door [geïntimeerde] van het appartement in [C] betreft en haar vordering op dat punt alsnog toe te wijzen.

1.6

[geïntimeerde] concludeert tot afwijzing van het hoger beroep en instandhouding van het bestreden vonnis en vordert veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

2 De vaststaande feiten

2.1

Partijen hebben vanaf eind 2003 een affectieve relatie met elkaar gehad die in 2007 is geëindigd.

2.2

Tijdens hun relatie hebben partijen een woning in [B] , gelegen aan de [a-straat 1] , in gemeenschappelijke eigendom verkregen (hierna ook: de woning). Bij de aankoop van de woning zijn partijen op 24 augustus 2004 een hypothecaire geldlening aangegaan waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk waren.

2.3

[geïntimeerde] is (en was dit reeds voor het aangaan van de relatie) alleen eigenaar van een appartementsrecht in [C] , aan de [b-straat 2] (hierna ook: het appartement). Partijen hebben voor dit appartement op 30 december 2005 een nieuwe hypothecaire geldlening afgesloten. Dit betreft een lening van € 150.000,-, met een looptijd van 30 jaar waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn. Aan deze hypotheek, waarop niet wordt afgelost, is een spaarpolis gekoppeld waarvan de waarde per 9 januari 2017
€ 14.985,57 bedroeg. [appellante] is noch bij deze gelegenheid noch nadien mede-eigenaar geworden van het appartement.

2.4

In een procedure tussen partijen heeft de rechtbank [A] bij vonnis van

14 september 2011 -voor zover hier nog van belang- de verdeling vastgesteld van hetgeen tussen partijen gemeenschappelijk was. De rechtbank heeft de woning in [B] aan [geïntimeerde] toegedeeld. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de hypotheekschulden op de woning in [B] en het appartement in [C] voor rekening komen van [geïntimeerde] , waarbij [geïntimeerde] [appellante] dient te vrijwaren voor aanspraken uit deze hypotheekschulden. In hoger beroep heeft het gerechtshof de spaarpolissen die zijn gekoppeld aan de hypotheekschulden op de woning en het appartement aan [geïntimeerde] toegedeeld.

2.5

[appellante] heeft haar aandeel in de woning te [B] op 13 februari 2018 aan [geïntimeerde] geleverd. [appellante] is bij die gelegenheid door de bank ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning gekoppelde hypotheekschuld.

2.6

[geïntimeerde] woont in de woning in [B] . Het appartement in [C] heeft hij voor langere tijd verhuurd.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg (in conventie) – samengevat – gevorderd:

1. [geïntimeerde] te bevelen om binnen twee maanden na dit vonnis mee te werken aan de vrije verkoop in onbewoonde staat van de woning aan de [a-straat 1] te [B] ,

2. [geïntimeerde] te bevelen om binnen twee maanden na dit vonnis op zijn kosten

een onherroepelijke verkoopopdracht te verstrekken en direct aansluitend

in de ruimste zins des woords -via woningfoto’s aanmelden bij Funda- mee

te werken aan de verkoop van het appartement te [C] aan de

[b-straat 2] bij een makelaar die de woningmarkt ter plaatse kent,

aan te wijzen door de rechtbank,

3. te bepalen dat dit vonnis na twee maanden dezelfde kracht heeft als de

ontbrekende toestemming, wilsverklaring en/of medewerking van [geïntimeerde] ,

als hij niet meewerkt aan de veroordelingen,

4. te bepalen dat [geïntimeerde] bij zijn verkoopopdracht [appellante] machtigt

informatie bij de verkoopmakelaars in te winnen over de voortgang en de

wijze van medewerking van de man aan het verkooptraject,

5. te bepalen dat [geïntimeerde] uitsluitend de draagplicht heeft voor de eventueel

resterende hypotheekschuld,

6. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.

4.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in reconventie) -samengevat- gevorderd dat het recht om verdeling te vragen van de woning in [B] voor drie jaar wordt uitgesloten.

4.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 18 oktober 2017 -samengevat- de vorderingen van [appellante] voor wat betreft de woning in [B] toegewezen. De vorderingen met betrekking tot het appartement in [C] heeft de rechtbank afgewezen omdat alleen [geïntimeerde] eigenaar is van dit appartement en het daarom in beginsel alleen aan hem is om te beslissen over verkoop. [appellante] heeft in de ogen van de rechtbank te weinig gesteld om te kunnen oordelen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat het appartement nu niet wordt verkocht. De vordering van [geïntimeerde] in reconventie is afgewezen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

Doordat in 2018 het aandeel van [appellante] in de woning in [B] aan [geïntimeerde] is geleverd, speelt in hoger beroep uitsluitend (nog) de door [appellante] gewenste verkoop van het appartement te [C] .

5.2

[appellante] is met vier grieven (A t/m D) in hoger beroep gekomen. Volgens [appellante] dient naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het eigendomsrecht van [geïntimeerde] te wijken voor haar belang. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij er zelf voor heeft gekozen de hypotheekschuld aan te gaan (grief A). Verder heeft de rechtbank ten onrechte in haar oordeel betrokken dat [geïntimeerde] altijd aan zijn (betalings)verplichtingen heeft voldaan (grief B) en ten onrechte geoordeeld dat [appellante] slechts een emotioneel belang heeft en geen zakelijk belang (grief C). Ten slotte wijst [appellante] erop dat de verkoopprijzen van woningen in de provincie Utrecht de afgelopen jaren flink zijn gestegen en dat dat ook zal gelden voor het appartement in [C] . Beoordeeld dient daarom te worden of [geïntimeerde] inmiddels in een beter financiële situatie verkeert die de verkoop van het object rechtvaardigt (grief D).

5.3

Anders dan [geïntimeerde] in de memorie van antwoord heeft betoogd acht het hof de grieven van [appellante] en haar toelichting daarop voldoende duidelijk. Er is dan ook geen reden om het hoger beroep op deze grond af te wijzen. Dat het overigens ook voor [geïntimeerde] duidelijk was waar [appellante] met haar grieven op doelde blijkt uit het feit dat [geïntimeerde] zich tegen de grieven van [appellante] heeft verweerd.

5.4

Het hof stelt bij de beoordeling van de grieven voorop dat de (vermogensrechtelijke) rechtsverhouding tussen partijen, als ex-partners (én als hoofdelijk schuldenaren) wordt beheerst door de uit artikel 6:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voortvloeiende eisen van redelijkheid en billijkheid (vergelijk HR 10 mei 2019 ECLI:NL:HR:2019:707).

5.5

Artikel 6:2 BW bepaalt aldus:

1. Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.

2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

5.6

Lid 2 van voornoemd artikel stelt buiten twijfel dat redelijkheid en billijkheid ook inbreuk kunnen maken op hetgeen tussen partijen uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit. De formulering “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar” brengt tot uitdrukking dat de rechter bij de toepassing van lid 2 de nodige terughoudendheid zal moeten betrachten, zeker waar dat een recht als het eigendomsrecht betreft, dat immers in artikel 5:1 lid 1 van het BW wordt omschreven als het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben en welk recht ook in artikel 1 van het Protocol 1 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt gewaarborgd.

5.7

Het voorgaande betekent dat de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding van partijen beheersen, kunnen meebrengen dat van [geïntimeerde] kan worden verlangd dat hij -voor het geval [appellante] niet is of zal kunnen worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid- het appartement zal verkopen indien de gehoudenheid van [appellante] aan de hoofdelijke aansprakelijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.8

Het hof constateert met [appellante] dat de affectieve relatie die partijen met elkaar hebben gehad, en die van relatief korte duur geweest, inmiddels zo’n dertien jaar geleden is geëindigd. Over het algemeen wordt bij het verbreken van een affectieve relatie een tussen partijen bestaande financiële verstrengeling -het liefst zo snel mogelijk - beëindigd en afgewikkeld. Vast staat dat dat in deze zaak niet (volledig) is gebeurd en dat [appellante] nog steeds hoofdelijk aansprakelijk is voor een hypothecaire geldlening verbonden aan een appartement dat alleen [geïntimeerde] in eigendom toebehoort. Hoewel het hof zich kan voorstellen dat [appellante] dit als een zeer onwenselijke situatie ervaart, acht het hof dat enkele feit onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare situatie.

5.9

Het hof betrekt in dat oordeel dat uit de stukken kan worden afgeleid dat [appellante] destijds zelf heeft ingestemd met het oversluiten van de hypotheek voor het appartement in [C] , waardoor zij met [geïntimeerde] hoofdelijk aansprakelijk werd voor deze lening. [appellante] stelt dat partijen hierin geen vrije keus hadden en dat het aangaan van deze overeenkomst samenhing met de koop en de financiering van de woning in [B] en het appartement in [A] , maar dat heeft zij niet met stukken onderbouwd. Bovendien volgt uit de stukken -en [geïntimeerde] heeft hier ook op gewezen- dat partijen de hypotheek voor de woning in [B] in augustus 2004 hebben afgesloten, die voor het appartement in [A] in september 2005 en dat zij de hypotheek voor [C] pas daarna, in december 2005 hebben overgesloten. De door [appellante] gestelde samenhang kan uit deze tijdlijn niet worden afgeleid, zodat het hof ervan uitgaat dat [appellante] zelf -om haar moverende redenen- heeft gekozen voor het aangaan van deze verplichting. Grief A faalt in zoverre.

5.10

[appellante] heeft haar belang bij ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid onder grief C verder als volgt toegelicht. Zij woont samen met haar huidige partner en hun kind in een woning in [A] die eigendom is van haar partner. [appellante] wil mede-eigenaar van deze woning worden (haar partner ondersteunt dat) en zij en haar partner willen de overwaarde van die woning aanwenden voor een verbouwing daarvan. De daartoe af te sluiten hypothecaire geldlening kan echter niet alleen op het inkomen van de partner van [appellante] worden verstrekt. Ook het inkomen van [appellante] dient daarbij betrokken te worden. [appellante] kan echter door haar verbondenheid voor de hypotheekschuld op het appartement in [C] geen nieuwe hypotheek afsluiten.

5.11

Hoewel het hof begrip kan opbrengen voor de wens van [appellante] om de financiële banden met [geïntimeerde] te verbreken en de vrijheid te hebben om nieuwe financiële banden aan te gaan, is het hof van oordeel dat [appellante] dit belang, in het licht van de beoogde verstrekkende inbreuk op het eigendomsrecht, onvoldoende heeft onderbouwd. De door [appellante] overgelegde (algemene) verklaring van 8 oktober 2019 van Integer Advies Hypotheken, naar aanleiding van een oriënterend gesprek in april 2019, dat het voor [appellante] niet mogelijk is een nieuwe hypotheek aan te gaan zolang zij nog medeschuldenaar is, acht het hof in dat verband onvoldoende. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk gebleven of de specifieke omstandigheden van de situatie van [appellante] in die verklaring zijn betrokken en wat de (on)mogelijkheden van de partner van [appellante] zijn om een hogere hypothecaire geldlening te verkrijgen, dan wel op andere wijze een geldlening aan te gaan en aldus de gewenste verbouw te laten plaatsvinden. [appellante] heeft ter zitting nog opgemerkt dat zij de mede-eigendom van de woning van haar partner wenst, om te voorkomen dat zij -als er iets met haar partner gebeurt- de woning niet kan behouden. Ook dat argument kan echter niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een onaanvaardbare situatie nu aan dat belang ook op andere wijze tegemoet worden gekomen.

5.12

Het belang dat [appellante] in grief B aan de orde stelt betreft het financiële risico dat zij loopt. Zij stelt dat [geïntimeerde] weliswaar tot nu toe aan zijn financiële verplichtingen heeft voldaan, maar dat dit in de toekomst anders zou kunnen zijn.

Het hof overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het appartement (ook al ten tijde van het oversluiten van de hypotheek) wordt verhuurd en dat de lasten door de huuropbrengsten worden gedekt. In zoverre is er naar het oordeel van het hof sprake van een gering financieel risico voor [appellante] , onvoldoende om te kunnen spreken van een onaanvaardbare situatie.

5.13

Nu uit het vorenstaande volgt dat het hof van oordeel is dat (nu nog) geen sprake is van een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare situatie, kan grief D en hetgeen door partijen overigens over en weer is gesteld over de mogelijk negatieve financiële gevolgen van verkoop onbesproken blijven.

6 De slotsom

6.1

Een en ander leidt tot de slotsom dat de grieven falen en dat het hof het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te bekrachtigen.

6.2

Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en dit geschil de vermogensrechtelijke afwikkeling daarvan betreft, zal het hof de proceskosten compenseren, in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 18 oktober 2017 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten van dit hoger beroep in die zin dat partijen de eigen kosten dragen;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.M. Dölle, M.A.F. Holtvluwer-Veenstra en M. Weissink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2020.