Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4396

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
13-07-2020
Zaaknummer
Wahv 200.229.476/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet blijkt dat het feit dat de betrokkene zijn middelvinger opstak naar de opsporingsambtenaren van invloed is geweest op hun beslissing hem te beboeten voor een verkeersovertreding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.229.476/01

CJIB-nummer

: 198384853

Uitspraak d.d.

: 9 juni 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 6 oktober 2017, betreffende

mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen,

beweerdelijk optredend voor

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

Mr. R. de Nekker heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet is gebleken dat

R. de Nekker is gemachtigd om namens de betrokkene beroep in te stellen. R. de Nekker is in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke machtiging met correcte handtekening van de betrokkene over te leggen, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van de betrokkene. R. de Nekker heeft wel stukken overgelegd, maar geen kopie van het identiteitsbewijs van de betrokkene, zodat de kantonrechter niet kan controleren of de machtiging daadwerkelijk door de betrokkene is afgegeven.

2. R. de Nekker voert aan dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 22 december 2017 (te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:11321) stelt hij dat er geen reden was om aan de volmacht te twijfelen.

3. Gelet op wat is overwogen in het arrest van het hof waarnaar R. de Nekker verwijst, oordeelt het hof dat de kantonrechter in dit geval de in het dossier aanwezige machtiging niet ontoereikend heeft kunnen achten. Door R. de Nekker is bij het administratief beroepschrift een ondertekende machtiging overgelegd. Per brief van 8 september 2017 heeft hij beroep ingesteld tegen de

beslissing van de officier van justitie aangevuld en daarbij een kopie van de inleidende beschikking meegestuurd. Naar oordeel van het hof bestaat in dit geval redelijkerwijs geen twijfel dat R. de Nekker optrad namens de betrokkene.

4. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal die beslissing daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Het hof beschouwt het hoger beroep als ingesteld namens de betrokkene.

5. De gemachtigde heeft aangevoerd dat het recht om te worden gehoord is geschonden. Het hof stelt vast dat het verzoek daartoe in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en zich ook geen andere uitzonderingsgevallen voordoen. Het hof zal op basis van deze grond - in het licht van bestendige, bekende en daarom niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt - het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

6. Aan de betrokkene is als bestuurder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van
€ 90,- voor: “afslaan zonder richting aan te geven”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 mei 2016 om 11.45 uur op de Westervoortsedijk in Arnhem met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

7. De gemachtigde betwist namens de betrokkene de gedraging. Omdat er geen rechtsgeldige bewijsstukken aanwezig zijn kan de inleidende beschikking niet in stand blijven. De verklaring in het zaakoverzicht heeft niet als een ambtsedige verklaring te gelden. De betrokkene is van mening dat de ambtenaar zich had moeten legitimeren. Ook staat niet vast dat de ambtenaar die zegt de gedraging te hebben waargenomen ook daadwerkelijk de sanctie heeft opgelegd. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de ambtenaren misbruik van bevoegdheid hebben gemaakt aangezien ze de sanctie alleen maar hebben opgelegd omdat de betrokkene zijn middelvinger naar hen opstak.

8. De Wahv stelt niet de eis dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Het enkele ontbreken van een fysiek (ondertekend) proces-verbaal heeft dan ook niet tot gevolg dat de sanctie niet in stand kan blijven.

9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Betrokkene sloeg linksaf(…)
Naam van ambtenaar 1: [B] (…)

Naam van ambtenaar 2: [C] ”

11. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal waarin de ambtenaar onder meer verklaart:

“Ik, verbalisant [B] , zag dat de bestuurder vanaf de Westervoortsedijk linksaf sloeg richting de Snelliusweg zonder een teken met de richtingaanwijzer te geven.”

12. Uit de gegevens in het dossier valt af te leiden dat de ambtenaren [B] en [C] de gedraging hebben waargenomen en ook de sanctie hebben opgelegd. Wat de gemachtigde heeft aangevoerd geeft het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de gegevens in het dossier. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht. Vervolgens zal het hof beoordelen of er andere redenen zijn om een sanctie achterwege te laten of het bedrag te matigen.

13. Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat de ambtenaren zich hebben gelegitimeerd. Artikel 2, sub b, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren, schrijft echter voor dat een geüniformeerde ambtenaar zich slechts behoeft te legitimeren wanneer daar om wordt verzocht. Niet is gesteld dat de ambtenaren, die de sanctie hebben opgelegd, niet geüniformeerd waren en de betrokkene hen heeft verzocht zich te legitimeren. Wat is aangevoerd leidt niet tot twijfel aan de rechtsgeldigheid van de opgelegde sanctie. Het verweer van de gemachtigde faalt.

14. Zowel in het zaakoverzicht als in het aanvullend proces-verbaal hebben de ambtenaren er melding van gemaakt dat de betrokkene zijn middelvinger naar hen opstak. Die verklaring rechtvaardigt echter niet zonder meer de conclusie dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. De enkele vaststelling van een gedraging is voldoende voor een ambtenaar om van zijn bevoegdheid tot oplegging van een sanctie gebruik te kunnen maken. Het is het hof niet gebleken dat de ambtenaren hun bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie op welke wijze dan ook hebben misbruikt. Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt duidelijk dat de betrokkene opviel omdat hij zijn middelvinger opstak, waarna de ambtenaren de verweten gedraging waarnamen en besloten daarop te reageren.

15. Gelet op het voorgaande zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond worden verklaard.

16. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.