Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4395

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
13-07-2020
Zaaknummer
Wahv 200.240.176/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplicht. De gemachtigde heeft de hoorzitting twee keer afgezegd. Dat betekent echter niet dat hij afziet van zijn recht om te worden gehoord. Wel had hij moeten aangeven waarom hij was verhinderd. Nu hij dat niet heeft gedaan, had de hoorzitting gewoon moeten plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.240.176/01

CJIB-nummer

: 209164039

Uitspraak d.d.

: 9 juni 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 20 april 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de feitcode en de omschrijving van de gedraging in die beslissing gewijzigd. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen, omdat ten onrechte is afgezien van een hoorzitting. De gemachtigde heeft verzocht in persoon te worden gehoord en heeft niet aangegeven dat hij enkel op het [000] nummer bereikbaar is.

2. Uit het dossier blijkt het volgende. De gemachtigde heeft op 2 augustus 2017 beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van de gronden van het beroep. Bij brief van 24 augustus 2017 heeft de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen een termijn van vier weken te herstellen. Bij brief van
28 augustus 2017 is de gemachtigde vervolgens uitgenodigd voor een hoorzitting op 7 november 2017. Op 8 september 2017 heeft de gemachtigde schriftelijk verzocht om uitstel voor het indienen van gronden. In een brief van 19 september 2017 is de gemachtigde opnieuw uitgenodigd voor de hoorzitting van 7 november 2017. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld: ‘In uw beroepschrift heeft u aangegeven dat u de gronden van het beroep op een later moment wenst aan te vullen. U krijgt hiervoor tijdens het horen de gelegenheid.’ De gemachtigde heeft vervolgens bij brief van 26 oktober 2017 aangegeven dat hij graag in persoon wil worden gehoord, maar dat de hoorzitting niet op 7 november 2017 kan plaatsvinden.

De gemachtigde heeft de gronden van het beroep bij brief van 6 november 2017 schriftelijk aangevuld. Bij brief van 8 november 2017 is de gemachtigde nog éénmaal de mogelijkheid geboden om het beroep en de gronden persoonlijk toe te lichten op een hoorzitting op 19 december 2017 om 13.00 uur. Op 23 november 2017 heeft de gemachtigde aangegeven dat hij op voornoemde datum niet is staat is te worden gehoord.

3. De officier van justitie heeft het beroep op 4 december 2017 ongegrond verklaard. Van het horen is afgezien, omdat de gemachtigde geen gebruik heeft gemaakt van voornoemde mogelijkheden om te worden gehoord op een fysieke hoorzitting en de gemachtigde zou hebben aangegeven dat hij alleen via het opgegeven betaalnummer bereikbaar is.

4. Het hof is met de gemachtigde van oordeel dat in de motivering van de beslissing van de officier van justitie ten onrechte wordt overwogen dat de gemachtigde via een betaalnummer telefonisch wilde worden gehoord, nu de gemachtigde heeft verzocht om een fysieke hoorzitting. Dat de gemachtigde zich twee keer heeft afgemeld voor de aangeboden mogelijkheden om op een fysieke hoorzitting te worden gehoord kan niet worden gezien als een verklaring dat geen gebruik wordt gemaakt van het recht te worden gehoord. Wel mocht van de gemachtigde worden verwacht te vermelden om welke reden de fysieke hoorzitting van 19 december 2017 geen doorgang kon vinden, te meer nu de eerste fysieke hoorzitting ook al wegens het niet beschikbaar zijn van de gemachtigde geen doorgang kon vinden. Nu de gemachtigde dit heeft nagelaten, was er geen aanleiding om de fysieke hoorzitting van 19 december 2017 niet door te laten gaan. Dat de fysieke hoorzitting geen doorgang heeft gevonden, blijkt uit het feit dat er geen verslag van de hoorzitting van

19 december 2017 is gemaakt en dat de officier van justitie al op 4 december 2017 en dus voor de datum van de fysieke hoorzitting heeft beslist op het beroep.

5. Nu er geen fysieke hoorzitting heeft plaatsgevonden, kan niet worden geoordeeld dat de gemachtigde in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Het hof zal de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. De overige bezwaren tegen die beslissingen zal het hof daarom buiten beschouwing laten.

6. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “N470C - Als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl de gordel(s) niet deugdelijk is (zijn) (bevestigd)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 juli 2017 om 20.14 uur op de Industrieweg in Tiel met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .

7. Namens de betrokkene wordt aangevoerd dat hij wel een gordel droeg, maar dat deze niet juist werd gedragen en dat dit slechts twee minuten heeft geduurd. Volgens de gemachtigde kan dit dan ook niet bijdragen aan onveiligheid, zodat het buitenproportioneel is om hiervoor een boete op te leggen.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Gedragingsgegevens: onder de arm dragen gordel”.

9. De wijze waarop de betrokkene de gordel heeft gedragen, brengt naar het oordeel van het hof mee dat de beschermende werking van de autogordel negatief wordt beïnvloed of kan beïnvloeden. Deze gedraging is in de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv opgenomen onder feitcode R535o en betreft overtreding van artikel 59, zevende lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

10. Het is volgens vaste rechtspraak geoorloofd om de feitcode te wijzigen indien een betrokkene daardoor niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. Nu het aan de gewijzigde kwalificatie ten grondslag liggende feitencomplex hetzelfde blijft, de betrokkene staande is gehouden en zodoende wist waartegen hij zich moest verdedigen en de hoogte van het bedrag van de sanctie voor beide gedragingen gelijk is, is het hof van oordeel dat de betrokkene door de wijziging van de feitcode niet in zijn belangen is geschaad.

11. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat ten onrechte een sanctie is opgelegd. Het Voertuigreglement stelt aan gordels in personenauto's eisen, die zijn opgenomen om een zo hoog mogelijk niveau van veiligheid in de auto te bereiken. Hieruit

volgt onder meer dat de driepuntsgordel is ontworpen om te dragen over de heup en de schouder. Indien een driepuntsgordel niet wordt gebruikt in overeenstemming met dit ontwerp, zoals in de onderhavige zaak het geval is, neemt de effectiviteit en daarmee de beschermende werking van de driepuntsgordel af. Anders dan de gemachtigde stelt, draagt dit handelen bij aan onveiligheid in de auto en kan het verrichten van deze gedraging op zichzelf al het opleggen van een sanctie rechtvaardigen. Wat er verder ook van zij van de tijd die de betrokkene de gordel onder de arm heeft gedragen, of de beschermende werking van de autogordel negatief wordt beïnvloed is niet afhankelijk gesteld van de duur dat de gordel niet op de daartoe voorgeschreven wijze wordt gedragen. Aldus bestaat geen reden om de oplegging van een sanctie achterwege te laten.

12. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaren en de inleidende beschikking, voor zover daarin de feitcode N470C en als gedraging “Als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl de gordel(s) niet deugdelijk is (zijn) (bevestigd)” is opgenomen, wijzigen in feitcode R535o met als gedraging “de autogordel, de veiligheidsgordel of het kinderbeveiligingssysteem in een personenauto, bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel gebruiken op een wijze die de beschermende werking ervan negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden”.

13. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Aan het indienen van het beroepschrift bij de officier van justitie, de kantonrechter en het hof dienen in totaal 3 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 787,50.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt, met handhaving van het sanctiebedrag van € 140,-, de inleidende beschikking in zoverre dat de omschrijving van de gedraging en de daarbij behorende feitcode worden vastgesteld op: “de autogordel, de veiligheidsgordel of het kinderbeveiligingssysteem in een personenauto, bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel gebruiken op een wijze die de beschermende werking ervan negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden” (feitcode R535o)”;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 787,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.