Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4313

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
13-07-2020
Zaaknummer
Wahv 200.233.736/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het proces-verbaal van de zitting moet het namens de officier van justitie op de zitting ingenomen standpunt bevatten. Dat ontbreekt. De betrokkene is daar in dit geval echter niet in zijn belangen door geschaad, omdat de kantonrechter het beroep ambtshalve niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.233.736/01

CJIB-nummer

: 201852048

Uitspraak d.d.

: 5 juni 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 12 februari 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 17 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert in hoger beroep als enige bezwaar aan dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting bij de kantonrechter een proces-verbaal is opgemaakt. De rechtbank heeft hiervan geen afschrift toegezonden na het instellen van hoger beroep. Het is vaste rechtspraak van het hof dat van iedere zitting een proces-verbaal behoort te worden opgemaakt waarin de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en hetgeen ter zitting is voorgevallen, is vervat. Nu de beslissing van de kantonrechter hieraan niet voldoet, kan deze beslissing niet in stand blijven.

2. Het dossier bevat een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting van 12 februari 2018, met daarin opgenomen de beslissing van de kantonrechter. Dat een afschrift van dit proces-verbaal aan de gemachtigde is toegezonden (en door hem is ontvangen), kan worden afgeleid uit het feit dat de gemachtigde bij zijn hoger beroepschrift een afschrift daarvan heeft meegezonden. Echter, het proces-verbaal bevat niet de conclusie waartoe de vertegenwoordiger van de officier van justitie is gekomen. In zoverre voldoet het niet aan de eisen die daaraan gesteld mogen (vgl. het arrest van het hof van 9 oktober 2019, rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2019:8307).

3. Het hof ziet in dit geval echter aanleiding om hieraan geen gevolgen te verbinden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene door het niet vermelden van die conclusie, in het proces-verbaal van de zitting, in zijn rechtens te erkennen belang is geschaad. Het hof acht hiertoe van belang dat het in deze zaak gaat om een door de kantonrechter ambtshalve te nemen beslissing, waarbij de reden waarom belang bestaat bij de weergave van het standpunt van de vertegenwoordiger van de officier van justitie (namelijk in verband met de bevoegdheid die deze heeft tot intrekking of wijziging van de inleidende beschikking) geen opgeld doet.

4. Het bezwaar treft geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

5. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.