Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4299

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-06-2020
Datum publicatie
11-06-2020
Zaaknummer
200.277.688
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 285 lid 1 Fw. Artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Fw.

Ontvankelijk verzoek. Gedane aanbod aan schuldeisers uiterste waartoe betrokkene financieel in staat was. Toelatingsverzoek inhoudelijk afgewezen bij gebreke van inzicht in de afwikkeling van de onderneming, de activa daarvan en de samenhang met verschillende transacties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.277.688

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 246780)

arrest van 4 juni 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant, hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. L. Meijerink.

1 Het geding in eerste aanleg


Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 24 april 2020 is [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 1 mei 2020 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 24 april 2020. [appellant] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2020. [appellant] is verschenen, bijgestaan door mr. Meijerink, die spreekaantekeningen heeft overgelegd.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellant] is gehuwd geweest met [B] (hierna: [B] ), van wie hij in maart 2014 is gescheiden. [appellant] woont samen met [C] en drie kinderen.
[appellant] heeft van 15 oktober 2001 tot 1 maart 2019 een onderneming (een koffiespeciaal-zaak, [D] ) geëxploiteerd als eenmanszaak. Vanaf 1 maart 2020 is hij voor 36 uur werkzaam in de onderneming van [C] (Brasserie [E] B.V., hierna: de Brasserie) op basis van een jaarcontract. Zijn inkomen bedraagt € 1.439,94 netto per maand.

3.2

[appellant] heeft volgens de crediteurenlijst in totaal ruim € 138.000 aan schulden. Hiertoe behoren onder meer een schuld aan ING Bank (hierna: ING) van € 77.960,85 (ontstaan op 7 juni 2016), een schuld aan [F] (vader van zijn huidige partner) van € 1.810 (ontstaan in juni 2018), een schuld aan [C] van € 26.162,55 (ontstaan vanaf februari 2013), een schuld aan de Brasserie van € 21.824,20 (ontstaan op
1 mei 2015) en een schuld aan [B] van € 6.687,02 (ontstaan op 21 oktober 2015).

3.3

Eind november 2019 heeft [appellant] een aanbod aan zijn schuldeisers voor een minnelijke regeling gedaan, waarbij hij in totaal € 7.150,72 zou betalen. Dit bedrag zou hij financieren met een lening van zijn schoonvader voor hetzelfde bedrag. Daarmee zouden de concurrente schuldeisers 5,16% van hun vordering ineens voldaan krijgen, tegen finale kwijting voor het restant.

3.4

De rechtbank heeft [appellant] op de stukken (dus zonder zitting) niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Aan deze beslissing is het volgende ten grondslag gelegd.
Op basis van de verklaring ex artikel 285 lid 1 van de Faillissementswet (hierna: Fw) bedraagt de vermoedelijke afdracht-capaciteit in het wettelijk schuldsaneringstraject
€ 399,50 per maand. In die situatie zou [appellant] in een periode van 36 maanden in totaal een bedrag van € 14.382 voor zijn schuldeisers kunnen sparen. Ook in het geval de schuld-bemiddelaar een vergoeding ter hoogte van 9% van het gespaarde saldo zou rekenen voor het uitvoeren van een dergelijke minnelijke regeling, kan op basis van de maandelijkse afdracht-capaciteit een hoger bedrag aan de schuldeisers worden aangeboden dan nu het geval is. Omdat de hoogte van het aangeboden bedrag niet met enige documentatie is onderbouwd en [appellant] op basis van de door de schuldbemiddelaar berekende afdracht-capaciteit per maand over de periode van 36 maanden een hoger aanbod zou kunnen doen dan nu is gedaan, is niet komen vast te staan dat [appellant] een maximaal aanbod aan zijn schuldeisers heeft gedaan. [appellant] heeft dus geen deugdelijke poging ondernomen om een minnelijke regeling te treffen. Zonder een verklaring dat hij zich tot het uiterste heeft ingespannen om met de schuldeisers tot een minnelijke schuldregeling te komen, kan hij niet tot de schuldsaneringsregeling worden toegelaten, aldus de rechtbank.

3.5

Over de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt het hof als volgt.
In tegenstelling tot de rechtbank beschikt het hof over een verklaring van de schoonvader van [appellant] (van 30 april 2020), waarin hij zijn toezegging aan [appellant] bevestigt om hem voor een minnelijke regeling maximaal € 7.000 te lenen.
Nu voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] ten tijde van het aanbod eind november 2019 niet over enige bron van inkomsten beschikte, beschouwt het hof het gedane aanbod het uiterste waartoe [appellant] op dat moment financieel in staat was. [appellant] is dus ontvankelijk in zijn verzoek. Dat [appellant] per 1 maart 2020 in loondienst is getreden en daaruit inkomsten genereert, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit niets zegt over de financiële mogelijkheden van [appellant] in november 2019.

3.6

Bij de inhoudelijke beoordeling van het verzoek is het op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Fw aan [appellant] om aannemelijk te maken dat hij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop zijn verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. [appellant] moet met stukken inzichtelijk maken welke schulden er zijn, aan wie deze zijn verschuldigd, hoe hoog deze schulden zijn, wanneer deze zijn ontstaan en wat de ontstaansredenen van die schulden zijn.

3.7

Op de zitting in hoger beroep is gebleken dat er een samenstel van verschillende ondernemingen en entiteiten geweest is die een rol hebben gespeeld bij de onderneming van [appellant] . De onderneming [D] is [appellant] blijkbaar begonnen als franchisenemer. Daarna is deze op enig moment voortgezet als vennootschap onder firma met [B] en weer later als eenmanszaak van [appellant] . Ook is er sprake geweest van een besloten vennootschap. Een gedeelte van de onderneming [D] , en/of de aandelen in [D] zijn in 2015 voor € 7.500 verkocht aan [C] , die de naam van de besloten vennootschap veranderd lijkt te hebben in Brasserie [E] B.V. en daarmee de Brasserie is gaan uitbaten. [C] heeft vanaf 1 februari 2013 in privé en vanaf
1 mei 2015 middels de Brasserie bepaalde uitgaven en/of schulden van [appellant] gefinancierd. Sinds maart 2020 is [appellant] bij de Brasserie in dienst.
Het is het hof niet duidelijk geworden in hoeverre deze transacties samenhangen, hoe de voorwaarden van deze transacties tot stand zijn gekomen en in hoeverre deze transacties gevolgen hebben gehad voor de crediteuren. [appellant] heeft aangegeven dat er een procedure gevoerd is met [B] over zaken gerelateerd aan deze transacties, maar daarvan zijn geen stukken ter beschikking gesteld. De eenmanszaak die [appellant] bleef exploiteren na de verkoop aan [C] is inmiddels afgewikkeld, maar niet duidelijk is wat er met alle activa is gebeurd. Op de overgelegde balans van [D] van 2018 worden gebouwen en terreinen genoemd met een boekwaarde van € 16.501 waarvan ter zitting niet duidelijk werd of het de waarde van een loods of garage betrof en ook niet duidelijk werd wat er met deze loods of garage gebeurd is. Er zijn geen stukken overgelegd die daarin meer inzicht geven.

3.8

Het hof is van oordeel dat [appellant] daarmee onvoldoende inzicht heeft geboden in de afwikkeling van de onderneming [D] , wat er met de activa van de onderneming is gebeurd en hoe de verschillende transacties met [C] en [F] daarmee samenhangen. Het hof is daarom niet in staat de toets aan het bepaalde in artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Fw uit te voeren. Daarom moet het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling worden afgewezen. Met inachtneming van rov. 3.5 zal het hof beslissen als hierna te melden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 24 april 2020 en, opnieuw recht doende:

wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] af.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. de Waele, C.G. ter Veer en M.S.A. van Dam, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Ter Veer, en op 4 juni 2020 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.